Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het niet voldoen aan de vordering om als kentekenhouder de naam en personalia van de bestuurder bekend te maken, zoals voorgeschreven in artikel 165 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De bewezenverklaring steunde op proces-verbalen, aangiftes en correspondentie met de verdachte waarin hij niet aan zijn verplichtingen voldeed.
In hoger beroep verzocht de raadsman van de verdachte om het horen van een getuige, aangeduid als [betrokkene 1], met het argument dat het bewijs slechts gebaseerd was op de verklaring van de aangeefster en dat één bewijsmiddel onvoldoende was. Het hof wees dit verzoek af omdat de verdediging onvoldoende had gemotiveerd waarom het horen van deze getuige noodzakelijk was.
De Hoge Raad bevestigt dat de motiveringsplicht voor getuigenverzoeken door de verdediging geldt, tenzij het verzoek betrekking heeft op een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd en waarbij het ondervragingsrecht nog niet is uitgeoefend. Dit was niet het geval in deze zaak. Het hof heeft het verzoek terecht afgewezen en de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest dat het getuigenverzoek afwees blijft in stand.