ECLI:NL:PHR:2023:1047

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
17 november 2023
Zaaknummer
23/02652
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.3 SvArt. 5.4.4 SvArt. 5.4.7 lid 1 SvArt. 5.4.10 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslissing erkenning Europees onderzoeksbevel en beslag

In deze zaak heeft de klager cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die het klaagschrift tegen de inbeslagname van diverse voorwerpen op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB) ongegrond verklaarde. De voorwerpen waren in beslag genomen ter uitvoering van een EOB uitgevaardigd door een Luxemburgse onderzoeksrechter in verband met een strafrechtelijk onderzoek.

De klager voerde aan dat het EOB onvoldoende specifiek was in de omschrijving van de gevraagde voorwerpen, waardoor niet duidelijk was of de inbeslaggenomen goederen daadwerkelijk het beoogde bewijsmateriaal betroffen. Ook werd geklaagd over de proportionaliteit van het beslag. De rechtbank oordeelde dat het EOB zich richtte op bewijsmateriaal dat verband houdt met de strafbare feiten en dat de omschrijving globaal mag zijn. De proportionaliteit van het beslag valt niet onder de toets van de Nederlandse rechter.

De Hoge Raad bevestigt dat de toets van de Nederlandse beklagrechter zich beperkt tot de vraag of het beslag binnen de reikwijdte van het EOB valt en of er weigeringsgronden zijn. De omschrijving van het bewijsmateriaal mag globaal zijn en het is aan de uitvaardigende autoriteit om te bepalen welke voorwerpen relevant zijn. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift tegen het beslag op grond van het Europees onderzoeksbevel wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02652 Br
Zitting21 november 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
Bij beschikking van 5 juli 2023 heeft de Internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam het op grond van art. 5.4.10 jo art. 552a Sv ingediende klaagschrift, dat strekte tot teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen voorwerpen, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 6 juli 2023 ingesteld namens de klager. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het Europees onderzoeksbevel (EOB) betrekking heeft. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat in het onderhavige geval een voldoende specifieke omschrijving ontbreekt van de voorwerpen waarover de autoriteit die het EOB heeft uitgevaardigd de beschikking wenst te krijgen.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Het verloop van de zaak

2.1
Uit de gedingstukken – waaronder per ongeluk met de raadsman van de klager in de rechtbankfase gedeeld materiaal – kan het volgende worden afgeleid:
(i) op 26 september 2022 heeft de onderzoeksrechter van het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg een EOB uitgevaardigd en (onder meer) verzocht om een doorzoeking in de woning van de klager.
(ii) op 3 november 2022 heeft de afdeling Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het Openbaar Ministerie in Amsterdam de onderzoeksrechter uit Luxemburg verzocht om, gelet op het tijdsverloop, een nadere toelichting te geven op de noodzaak van een doorzoeking van de woning.
(iii) op 21 november 2022 is daarop geantwoord.
(iv) op 4 mei 2023 zijn ter uitvoering van het EOB op grond van art. 94 Sv Pro onder de klager de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- Sony laptop
- IPhone
- autosleutels merkloos
- telefoon
- Asus laptop
- HP laptop
- Mio dashcam
- uitlees apparaat
- laptop en oplader
- Samsung telefoon
- afluisterapparatuur
(v) op 19 mei 2023 heeft de klager een klaagschrift ingediend.
(vi) op 21 juni 2023 is dat klaagschrift in het openbaar [1] behandeld door de raadkamer van de Internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam.
(vii) op 5 juli 2023 heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard. Uit de beschikking blijkt dat de rechtbank het EOB niet aan de klager heeft verstrekt vanwege het belang van het onderzoek.
2.2
In het op 19 mei 2023 ingediende klaagschrift is aangevoerd:
“Klager kan zich niet verenigen met de inbeslagname nu die inbeslagname geen strafvorderlijk belang dient, en niet althans onvoldoende kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding, zodat klager u verzoekt de teruggave van die goederen aan hem te gelasten.”
2.3
Bij de behandeling van het klaagschrift is blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting door de raadsman van de klager en de officier van justitie het volgende aangevoerd:
“De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:
Het EOB is niet aan mij verstrekt, terwijl uit de wel verstrekte stukken niet kan worden afgeleid dat de in beslag genomen goederen als bewijs kunnen dienen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1940) volgt dat getoetst moet worden of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Het lijkt alsof er gewoon maar wat is meegenomen, terwijl het aan Luxemburg is om duidelijk te maken welke goederen zijn beoogd. Er is bijvoorbeeld een iPhone 14 in beslag genomen die pas sinds september 2022 op de markt is, terwijl het zou gaan om een feit uit 2021. Deze telefoon kan daarom niets bewijzen. Zonder het EOB kan een en ander niet worden getoetst. Daarom moet het klaagschrift gegrond worden verklaard. Subsidiair verzoek ik om in ieder geval de iPhone 14 terug te geven aan klager.
De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:
Uitgangspunt is dat een EOB een vertrouwelijk document is. Vanwege het onderzoeksbelang kan het EOB niet aan de raadsman van betrokkene worden verstrekt. Als er toestemming was geweest om dat wel te doen was dat anders geweest.
Er is navraag gedaan over het doel en daar is antwoord op gekomen.
Het klaagschrift moet ongegrond worden verklaard, omdat alle inbeslaggenomen goederen dienstig kunnen zijn voor het bewijs, gelet op de verdenking. Dit geldt ook voor de iPhone 14. Hierbij merk ik op dat gegevens van een oudere telefoon op een nieuwe telefoon kunnen worden overgezet. Gelet op de beperkte toets die de Hoge Raad voorschrijft, bestaat geen aanleiding voor een gegrondverklaring van het klaagschrift.”
2.4
De rechtbank heeft vastgesteld dat in het EOB – dat zich in het dossier van de rechtbank bevindt – onder meer wordt verzocht om een huiszoeking “met het oog op opsporing en inbeslagneming van voorwerpen/instrumenten/documenten/stukken/correspondentie/ computermedia, mobiele telefoons, die door de verdachte zijn gebruikt en die verband houden met de in het Groothertogdom Luxemburg gepleegde strafbare feiten, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klager ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB.”
2.5
De rechtbank heeft, na een (correcte) schets van het toepasselijke toetsingskader, het beklag ongegrond verklaard en heeft in dat verband het volgende overwogen:
“De raadsman heeft betoogd dat niet getoetst kan worden of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen omdat het EOB niet is verstrekt. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat zij – zoals hiervoor overwogen – wel beschikt over het EOB en op basis daarvan het geschetste toetsingskader kan toepassen.
Gelet op het EOB en de daarin omschreven verdenking is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. De rechtbank verwijst in dit kader naar overweging 4.2.3 van het hiervoor aangehaalde arrest [AG: beschikking] van de Hoge Raad van 21 december 2021: "Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.''
De goederen zijn dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Luxemburgse strafrechtelijk onderzoek. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor de in beslag genomen iPhone 14 met goednummer 6336277. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, deze goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Luxemburgse autoriteiten.
De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Het bevel bevat de vereiste informatie en is dus in overeenstemming met de eisen die artikel 5.4.3 Sv stelt. Van een van de in artikel 5.4.4 Sv genoemde weigeringsgronden is daarnaast geen sprake. Ook stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de inbeslagname is voldaan aan de daarvoor in Nederland geldende formaliteiten.
Gelet hierop zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”

3.Het middel

3.1
Het middel is gericht tegen “de beslissing van de rechtbank dat de op grond van het EOB in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen en/of het (ambtshalve) oordeel van de rechtbank dat zich geen grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB (…)”. Die beslissing en/of dat (ambtshalve) oordeel is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
3.2
Uit de toelichting op het middel volgt dat de steller van het middel klaagt dat “[n]och de door de rechtbank in de beschikking opgenomen omschrijving, noch de omschrijving in de e-mail correspondentie kunnen worden aangemerkt als een aanduiding van bewijsmateriaal dat de uitvaardigende autoriteit middels het EOB wenst te verkrijgen. Meer in het bijzonder ontbreekt een voldoende specifieke omschrijving van de voorwerpen waarover de uitvaardigende autoriteit de beschikking wenst te krijgen en is een opsomming gegeven van alle voorwerpen die bij een doorzoeking theoretisch in beslag genomen zouden kunnen worden.”
3.3
Voorop kan worden gesteld dat de toets die de Nederlandse beklagrechter moet aanleggen met betrekking tot een beslag op grond van een EOB, zich overwegend concentreert op de vraag of het beslag onder de reikwijdte van het EOB valt en op de vraag of er sprake is van één van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.4 Sv. Het belang van de strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn en ook de proportionaliteit van de inbeslagneming wordt niet getoetst. Dit volgt uit art. 5.4.7 lid 1 Sv, uit de wetsgeschiedenis van de implementatie van de Richtlijn 2014/41/EU [2] (EOB Richtlijn) en uit de preambule van de EOB Richtlijn zelf. [3] De Hoge Raad heeft één en ander in zijn beschikking van 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940,
NJ2022/372, m.nt. A.H. Klip, als volgt verwoord:
“4.2.2 De betrokkene bij wie ter uitvoering van een EOB voorwerpen in beslag zijn genomen, kan op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift indienen. De artikelen 552a leden 1 tot en met 6 [AG: lees – gezien HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1011,
NJ2023/254 – de artikelen 552a leden 1 tot en met 7], 552d leden 1 en 2, en 552e lid 1 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft (vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich – gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
4.2.3
Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:679 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:744). Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.”
3.4
Uit het voorgaande volgt dat de beklagrechter dient te beoordelen of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de Luxemburgse onderzoeksrechter, als uitvaardigende autoriteit, beoogt te verkrijgen. Bij die beoordeling mag de rechter, naast de omschrijving in het EOB, tevens acht slaan op correspondentie tussen het Openbaar Ministerie en de uitvaardigende autoriteit. [4]
3.5
Dat een EOB een beschrijving dient te bevatten van het te verkrijgen bewijsmateriaal, volgt uit het – op art. 5 lid 1 aanhef Pro en onder e van de EOB Richtlijn gebaseerde – art. 5.4.3 lid 1, aanhef en onder e, Sv:
“1. Vatbaar voor erkenning is een Europees onderzoeksbevel dat ten minste de volgende informatie bevat:
(…)
e. een beschrijving van de gevraagde bevoegdheid en het te verkrijgen bewijsmateriaal.”
3.6
Uit de hiervoor onder randnr. 3.3 geciteerde overwegingen van de Hoge Raad uit zijn beschikking van 21 december 2021 volgt dat de omschrijving van het te verkrijgen bewijsmateriaal globaal mag zijn. Noch in de EOB Richtlijn, noch in art. 5.4.3 Sv, noch in de wetsgeschiedenis op dit artikel worden nadere eisen gesteld aan deze omschrijving.
3.7
Voor zover de steller van het middel beoogt te klagen dat de omschrijving onduidelijk is, in de zin dat voor Nederland als uitvoerende lidstaat niet duidelijk is wat wordt gevraagd, en het EOB daarom niet vatbaar was voor erkenning als bedoeld in art. 5.4.3 lid 1 Sv, faalt het. De omschrijving van het te vergaren bewijsmateriaal is weliswaar ruim, maar het gebruik van globale termen als ‘voorwerpen’ en ‘documenten’ maken niet dat het Openbaar Ministerie niet weet waar het de uitvaardigende autoriteit om te doen is, te meer omdat het dient te gaan om “voorwerpen/(…) die door de verdachte zijn gebruikt en die verband houden met de in het Groothertogdom Luxemburg gepleegde strafbare feiten.” Daarbij komt dat de Luxemburgse onderzoeksrechter, in antwoord op een vraag van het Openbaar Ministerie naar de noodzaak voor een doorzoeking van de woning van de klager, heeft bericht:
“(a) house search at the home of the suspicious person would be useful,
- to see how he came into possession of the car;
- to look for evidence regarding the false chassis number and the false number plates,
- to see why had the car been driven to Luxembourg, was there any criminal intention behind?”
Ook dit antwoord geeft kleuring aan de voorwerpen waar de Luxemburgse onderzoeksrechter naar op zoek is.
3.8
Voor zover de steller van het middel beoogt te klagen dat de omschrijving in het EOB te ruim is, in de zin dat een disproportioneel aantal voorwerpen onder de omschrijving valt en de uitvaardigende autoriteit zich had moeten beperken tot een aantal specifiek omschreven voorwerpen, faalt het eveneens. In EOB-zaken is het niet aan de beklagrechter om de proportionaliteit van het beslag te toetsen. [5] In nationale beklagzaken kan dat anders liggen. [6]

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In het proces-verbaal van de raadkamerzitting is niet met zoveel woorden vermeld dat de zaak in het openbaar is behandeld. Dat staat wel vermeld in de beschikking. Kennelijk bestaat hierover geen verschil van inzicht, aangezien er in het cassatiemiddel niet over wordt geklaagd.
3.Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, PbEU 2014, L 130/1, randnr. 11.
4.HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:679,
5.Vgl. HR 23 juni 2020, HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108,
6.Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81,