Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
4 juli 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift ingediend door klager tegen beslaglegging op goederen op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB). De rechtbank Zeeland-West-Brabant had de behandeling van het klaagschrift achter gesloten deuren laten plaatsvinden en het beklag ongegrond verklaard.
De Hoge Raad analyseerde de toepasselijke wetsartikelen, waaronder artikel 552a Sv en artikel 5.4.10 Sv, en constateerde dat de regeling omtrent openbaarheid van de behandeling van het klaagschrift door een wijziging in de wetgeving niet correct was aangepast. Dit leidt tot de conclusie dat de behandeling van het klaagschrift in beginsel openbaar moet zijn, tenzij de raadkamer op grond van artikel 22 leden Pro 2 en 3 Sv een bevel tot gesloten behandeling heeft gegeven.
Omdat in deze zaak geen bewijs was dat een dergelijk bevel was gegeven, oordeelde de Hoge Raad dat de behandeling ten onrechte niet openbaar was geweest. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug voor een nieuwe openbare behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor hernieuwde openbare behandeling van het klaagschrift.