Conclusie
1.Feiten
A-G] bepaalt dat de man na verkoop en levering van [de woning] onverwijld moet zorgen voor afstorting bij een als solide bekend staande verzekeraar in Nederland te zijner keuze van het bedrag dat nodig is voor de verzekering van de volgende pensioenaanspraken van de vrouw:
- een voorwaardelijk ouderdomspensioen van € 10.164,- bruto per jaar met 3% jaarlijkse stijging uit te keren vanaf 1 augustus 2010 zolang de man in leven is;
- een voorwaardelijk ouderdomspensioen van € 5.111,- bruto per jaar met 3% jaarlijkse stijging uit te keren vanaf 1 augustus 2010 tot uiterlijk 1 augustus 2015 zolang de man in leven is;
- een bijzonder nabestaandenpensioen van € 14.229,- bruto per jaar met 3% jaarlijkse stijging uit te keren vanaf het overlijden van de man zolang de vrouw nog in leven is”. [5]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
tot afstorting van pensioen conform deze beschikking”. [11] Volgens het hof werd deze verplichting opeisbaar na verkoop van de woning en is bij deze verplichting geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van (de hoogte van) de verkoopopbrengst van de woning als financieringsbron: [12]
[eiser] heeft onrechtmatig gehandeld” tot het oordeel gekomen dat [eiser] de nakoming van de afstortingsverplichting heeft gefrustreerd. Daartoe heeft het hof eerst overwogen dat [verweerster] heeft aangevoerd dat [eiser] excessieve bedragen in privé heeft opgenomen vanuit de B.V. waardoor de rekening-courantschuld zo hoog is opgelopen dat tegenover de pensioenvoorziening onvoldoende liquide middelen stonden, terwijl volgens [verweerster] voor de opnames geen noodzaak bestond:
ook als bestuurdervan de B.V. gehouden is tot schadevergoeding, en beslist dat het niet toekomt aan de voorwaardelijke vordering van [verweerster] tot het overleggen van stukken (rov. 3.14). [17]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
verkeerd” (het onderdeel bedoelt hier kennelijk: onbegrijpelijk) – uit de beschikking van 27 oktober 2009 (rov. 3.2 en 3.5). Deze pensioenaanspraken, zoals gespecificeerd in de beschikking van 27 oktober 2009, en het bestaan van een (door partijen vastgestelde) verplichting tot afstorting van een bedrag dat nodig is voor de verzekering van de voor [verweerster] berekende (en eveneens door partijen vastgestelde) pensioenaanspraken, staan op zich vast (rov. 3.2 en 3.5), wat het onderdeel (impliciet) toegeeft. Daarmee staat weliswaar ook vast wat de hoogte is van een belangrijke factor – de pensioenaanspraken zoals gespecificeerd in de hiervoor genoemde beschikking – die de (definitieve) omvang van de (door partijen vastgestelde) afstortingsverplichting uitgedrukt in euro’s bepaalt, [26] maar hiermee is nog niet geoordeeld wat deze omvang in euro’s precies is. Voor de bepaling van deze (definitieve en precieze) omvang in euro’s kunnen wellicht ook andere factoren relevant zijn, [27] afhankelijk van de uitleg van de (door partijen vastgestelde) afstortingsverplichting. [28]
nietdeze causaliteitsverweren in de stellingen van [eiser] heeft gelezen. [33] [eiser] heeft inderdaad niet gesteld dat in de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis géén afstorting of afstorting van een lager bedrag zou hebben plaatsgevonden en dat [verweerster] daardoor ook in die situatie minder pensioeninkomsten zou hebben gehad dan de pensioeninkomsten die corresponderen met haar pensioenaanspraken. Evenmin heeft [eiser] gesteld dat in de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis (een deel van) een tekort aan kapitaal voor afstorting voor rekening van eiser zou zijn gekomen en dat [verweerster] daardoor minder schade lijdt. Bovendien zouden deze causaliteitsverweren in deze zaak inhoudelijk niet overtuigend zijn. Het is immers niet aannemelijk dat [verweerster] geen pensioenuitkeringen zou hebben ontvangen als [eiser] niet zou hebben nagelaten om (de opbrengst van) vermogensbestanddelen aan te wenden voor het voldoen van de (door partijen vastgestelde) afstortingsverplichting. Het is verder gelet op de omstandigheden in deze zaak bepaald niet uitgesloten dat een tekort – als daarvan ten tijde van afstorting al sprake zou zijn geweest – geheel voor rekening van [eiser] zou zijn gekomen (zie de aangehaalde rov. 3.2.6 in randnummer 3.2 hiervoor). Het is mijns inziens aannemelijk dat de B.V. zonder de schending van de zorgvuldigheidsverplichting na 2018 had kunnen doorgaan met het uitkeren van het pensioen van [verweerster] , zeker als in dat geval wél zou zijn overgegaan tot (volledige) afstorting bij een verzekeraar van een bedrag ter hoogte van de commerciële waarde van de pensioenaanspraken van [verweerster] . [34] In de onderhavige zaak is volgens het hof nagelaten om na de verkoop en de levering van de woning een geldbedrag af te storten, en heeft de tot verevening verplichte ex-echtgenoot – [eiser] – volgens het hof de financiering van deze afstorting jarenlang gefrustreerd. Onder die omstandigheden is het gerechtvaardigd dat het voor rekening en risico van [eiser] komt dat de B.V. na 2018 geen pensioenuitkeringen aan [verweerster] heeft gedaan. [35]
al aan de afstortingsverplichting had kunnen en moeten worden voldaan in de periode tussen het einde van het huwelijk en de betaling aan de Belastingdienst in 2017. [37] Het hof heeft het gewraakte oordeel uitgebreid gemotiveerd, waarbij het hof een zorgvuldigheidsverplichting voor [eiser] heeft aangenomen om datgene te doen, bijvoorbeeld het aanwenden van bedragen voor nakoming van de afstortingsverplichting, wat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden om aan de afstortingsverplichting te voldoen (als zodanig niet bestreden in cassatie). Het hof heeft daarbij door [verweerster] aangevoerde relevante omstandigheden betrokken en [eiser] standpunten gemotiveerd verworpen (zie nader randnummer 3.19 hierna). Gezien het voorgaande is het door subonderdeel 2.2 gewraakte oordeel niet onbegrijpelijk gemotiveerd. [38]
over de gehele periode tussen 2009 en 2017, zie rov. 3.8-3.10 van het bestreden arrest) toereikende middelen zijn geweest om aan de afstortingsplicht te voldoen. Deze verleiding moet worden weerstaan. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom [eiser]
onvoldoendeheeft weersproken dat er in de periode tussen 2009 en 2017 toereikende middelen zijn geweest om aan de afstortingsplicht te voldoen en waarom [eiser] niet datgene heeft gedaan wat nodig was om tot pensioenafstorting over te gaan (rov. 3.6-3.10). Daarbij heeft het hof gewezen op verschillende relevante omstandigheden die [verweerster] heeft aangevoerd, met name de omstandigheid dat [eiser] (via de B.V.) inkomen had en winst maakte én de onbetwiste – zie rov. 3.9 van het bestreden arrest – omstandigheid dat sprake is geweest van een aantal (aanzienlijke) opnames uit de rekening-courantfaciliteit bij de B.V. Het hof is ook gemotiveerd ingegaan op door [eiser] aangevoerde standpunten en gestelde omstandigheden (rov. 3.8-3.10). Subonderdeel 2.3 bestrijdt niet als zodanig (en de andere klachten doen dat evenmin) het bestaan van de door het hof aangenomen zorgvuldigheidsverplichting voor [eiser] (rov. 3.6 en 3.8 en randnummer 3.17 hiervoor), laat de door [verweerster] aangevoerde omstandigheden buiten beschouwing, en geeft niet aan waarom het gewraakte oordeel ook onbegrijpelijk is als rekening wordt gehouden met de door [verweerster] aangevoerde omstandigheden. [40] Het oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft weersproken dat er in de periode tussen 2009 en 2017 toereikende middelen zijn geweest om aan de afstortingsplicht te voldoen, is in ieder geval niet onbegrijpelijk: het hof heeft in rov. 3.7-3.10 op begrijpelijke wijze geoordeeld dat er in de periode tussen 2009 en 2017 toereikende middelen waren geweest om aan de afstortingsverplichting te voldoen. [41]
nietgeoordeeld dat [eiser] in
geen enkelopzicht de door [verweerster] gestelde omvang van de schade en het daarvoor gevorderde schadevergoedingsbedrag heeft betwist. Uit rov. 3.13 van het bestreden arrest blijkt immers dat het hof heeft beoordeeld of de stelling van [eiser] dat bij de berekening van de schade moet worden uitgegaan van de pensioenvoorziening in de jaarstukken van de B.V. van 2004 en van een brutobedrag juist is. Het hof heeft in rov. 3.13 geoordeeld dat deze uitgangspunten van [eiser] onjuist zijn en dat de (andere) uitgangspunten van (de pensioendeskundige van) [verweerster] , waaronder het uitgangspunt dat [verweerster] al pensioen heeft ontvangen (en dus dat daarmee rekening moet worden gehouden), juist zijn. Over dit oordeel klaagt het cassatiemiddel ook niet. Een
inhoudelijkebestrijding van de
berekeningvan de schade
van de pensioendeskundige van [verweerster]is volgens het hof dus een inhoudelijke betwisting van de juistheid van punten van die berekening, en níet een betwisting van de gehanteerde uitgangspunten bij de berekening. Zo moet rov. 3.13 van het bestreden arrest worden gelezen.
inhoudelijkde
berekening van de pensioendeskundige van [verweerster]bestreden en dus ook niet dáármee de door [verweerster] gestelde omvang van haar schade betwist; [eiser] heeft in deze stellingen immers niet aangegeven
dat en op welke punten die berekeningonjuist is, maar aangevoerd dat de gehanteerde
uitgangspuntenbij de berekening onjuist zijn (randnummer 3.23 hiervoor). [45] Dit geldt ook voor de expliciet in de procesinleiding genoemde stelling dat de (hoogte van de) pensioenaanspraken van [verweerster] reeds niet kunnen kloppen omdat die aanspraken groter zijn dan de omvang van de pensioenpot in de B.V. ooit is geweest, terwijl in de berekeningen van [verweerster] bovendien ten onrechte geen rekening is gehouden met de pensioenaanspraak van [eiser] . Met deze stelling voert [eiser] slechts aan dat (i) de (hoogte van de) pensioenaanspraken van [verweerster] afgezet tegen de omvang van de pensioenpot in de B.V. op een moment in het verleden (ii) én de pensioenaanspraak van [eiser] in deze zaak, relevante en bepalende
uitgangspunten of controlepuntenzijn voor de berekening van de omvang van de schade van [verweerster] . Deze stelling heeft het hof ook beoordeeld en daartegen wordt als gezegd in cassatie niet geklaagd (zie randnummer 3.23 hiervoor). Deze stelling bestrijdt echter niet inhoudelijk de berekening van de schade van de pensioendeskundige van [verweerster] .
schadevergoedinggevorderd op grond van een schending van een zorgvuldigheidsverplichting die ertoe strekt te waarborgen dat aan de afstortingsverplichting kan worden voldaan (rov. 3.6, 3.10 en 3.13, en randnummer 3.9 hiervoor). De gestelde schade bestaat uit vanaf 2018 gemiste pensioeninkomsten door [verweerster] die het gevolg zijn van het feit dat niet aan de afstortingsverplichting is voldaan doordat [eiser] zijn zorgvuldigheidsverplichting heeft geschonden (rov. 2.2 en 3.12-3.13). In het verlengde van de (totale) hoogte van de (door partijen vastgestelde) pensioenaanspraken van [verweerster] (over een bepaalde periode) kan het bedrag van de omvang van deze schade een groter bedrag zijn dan het bedrag van de omvang van de pensioenpot van de B.V. op enig moment in het verleden. Immers: de waarde in het economisch verkeer van de (door partijen vastgestelde en resterende) pensioenaanspraken van [verweerster] als deze bij een onafhankelijke derde partij worden afgestort – de juistheid van dit uitgangspunt van de pensioendeskundige van [verweerster] bij de schadeberekening is in cassatie niet bestreden (rov. 3.13) – kan groter zijn dan de omvang van de pensioenpot van de B.V. op enig moment in het verleden. [49]
alswordt overgegaan tot afstorting van een bedrag ter hoogte van de commerciële waarde van pensioenaanspraken bij een verzekeraar onder omstandigheden (i) een korting kan worden aangebracht op een afstortingsverplichting of (ii) een deel van een tekort voor afstorting voor rekening van eiser kan komen (randnummers 3.2-3.3 hiervoor). [eiser] voert in cassatie niet aan dat het hof ten onrechte niet bij zijn oordeel heeft betrokken dat [eiser] in feitelijke instanties heeft aangevoerd dat hij geen of minder schadevergoeding verschuldigd is omdat [verweerster] in de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis – het nalaten van [eiser] om (de opbrengst van) vermogensbestanddelen aan te wenden voor het voldoen van de (door partijen vastgestelde) afstortingsverplichting – hoe dan ook minder (netto) inkomsten zou hebben gehad (zie over dit causaliteitsverweer en het ontbreken daarvan randnummers 3.11-3.12 hiervoor). [50]
slechts een deelvan de totale pensioenaanspraak die [eiser] via de B.V. in eigen beheer heeft opgebouwd (zie randnummers 1.3-1.6 en 3.2 hiervoor). [51] Bij de (door partijen vastgestelde) hoogte van de pensioenaanspraken van [verweerster] (over een bepaalde periode) is dus rekening gehouden met de pensioenaanspraak van [eiser] .