De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens het voorbereiden van een Opiumwetdelict, het voorhanden hebben van wapens en munitie, en het bezit van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op een doorzoeking van een caravan en schuur die door verdachte werden gehuurd, waarbij wapens, munitie, chemicaliën en amfetamine op kledingstukken werden aangetroffen.
De verdediging voerde aan dat er ook anderen toegang hadden tot de caravan en schuur en dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens, munitie en chemicaliën. Dit verweer werd door het hof verworpen vanwege de exclusieve beschikking over de sleutel door verdachte, de aanwezigheid van zijn DNA op de kleding met amfetamine, en getuigenverklaringen over zijn verblijf en huur van de locatie.
In cassatie klaagde de verdediging over de bewezenverklaring en de beëdiging van raadsheren. De Hoge Raad verwierp beide middelen. De bewezenverklaring was voldoende gemotiveerd en het verweer van een alternatieve eigenaar was onvoldoende geconcretiseerd. De klacht over beëdiging faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Wel werd een strafvermindering toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn.