Conclusie
2.Procesverloop
grief 2(de rechtbank heeft zich ten onrechte aangesloten bij Vonnis 1 omdat MFR een zelfstandige procespartij is, die zich beroept op andere feitelijke en juridische gronden) geen behandeling meer behoeft voor zover het de Uitzendingen 1 en 2 betreft. Overigens verenigt het hof zich met het oordeel en de daartoe gegeven motivering van de rechtbank dat door MFR geen (nieuwe) feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die rechtens kunnen leiden tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en met 3 en maakt dat oordeel tot de zijne.
grief 3betoogt dat de rechtbank de juridische maatstaf voor verjaring van rechtsvorderingen ex artikel 3:310 BW Pro verkeerd heeft toegepast, heeft de grief geen succes. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onbekendheid met of onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon niet aan aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro in de weg staat. De benadeelde dient voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – te hebben verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dat is direct met Uitzending 1 het geval, zo valt alleen al af te leiden uit het feit dat [betrokkene 1] AVROTROS reeds kort na die uitzending in rechte heeft betrokken. Van Uitzending 2 kan hetzelfde worden gezegd omdat die uitzending slechts bestaat uit fragmenten van Uitzending 1. MFR heeft onvoldoende toegelicht waarom anders zou moeten worden geoordeeld. Grief 3 faalt.”
grief 4voert MFR aan voldoende belang te hebben bij haar verzochte verklaring voor recht ook als de vordering tot vergoeding van schade is verjaard, nu deze kan bijdragen aan beperking van de schade die MFR nog altijd als gevolg van de Uitzendingen 1, 2 en 3 lijdt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen a, b, d, e en fbetreffen rov. 3.5 en/of 3.7.
Onderdeel cbetreft rov. 3.6.
Onderdeel gbetreft rov. 3.7 en 3.8. Er zijn geen afzonderlijke klachten gericht tegen rov. 3.9 en 3.10.
In Uitzending 1 is een uitspraak van [betrokkene 1] misleidend gemonteerd en [betrokkene 7] is daarin ten onrechte als consument gepresenteerd (
stelling i). De wijze waarop [verweerder 2] daarin aan het woord is gekomen, was onrechtmatig omdat zij wist dat zij misleidende uitspraken deed over de magnetische kracht van de BioStabil en het verrichte onderzoek (
stelling vii).
Het onderzoeksrapport van de TU Delft is pas na Uitzending 1 opgesteld en AVTOTROS heeft dit opzettelijk achtergehouden (
stellingen iii en x). MFR wist niet al in 2012 dat ten aanzien van de beweerdelijk overeengekomen vertrouwelijkheid van het onderzoeksrapport de kluit was beduveld (
stelling viii). De verjaring ten aanzien van de feiten omtrent het onderzoeksrapport is wel gestuit met de brief van [betrokkene 2] aan AVROTROS van 13 maart 2017 omdat daarin een beroep op het onderzoeksrapport is gedaan (
stelling vi).
De onderzoeksplicht van de benadeelde gaat niet zover als door de rechtbank is aangenomen (
stellingen iv, v en ix).
MFR heeft een beroep gedaan op HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603 (
stelling ii).
stelling i(zie rov. 4.6 van het vonnis),
stellingen iii, vii en x(zie rov. 4.7 en 4.8 van het vonnis),
stellingen iv en v(zie rov. 4.6 en 4.8 van het vonnis) en
stelling vi(zie rov. 4.8 van het vonnis).
Ik merk nog op dat
stellingen iv en vslechts in algemene zin betwisten dat de onderzoeksplicht van MFR zo ver ging als door de rechtbank was geoordeeld en dat
stelling viniet verder komt dat een betwisting van het oordeel dat de brief van [betrokkene 2] aan AVROTROS van 13 maart 2017 geen stuiting inhield. Het hof kon daarom volstaan met een algemeen oordeel zoals dat besloten ligt in zijn rov. 3.5-3.7.
De rechtbank overwoog in rov. 4.9-4.10 voorts dat MFR niet pas voor het eerst over het onderzoeksrapport uit 2005 heeft gehoord door de Wob-procedure, maar hiervan al op de hoogte was door de brief van [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] van 10 april 2012, waarna zij op dat moment al een Wob-verzoek had kunnen indienen, en dat MFR onvoldoende heeft toegelicht waarom zij hierna langere tijd heeft stil gezeten (van 2012 tot 2017 tot het doen van het Wob-verzoek en van 2017 tot 2020 tot het uitbrengen van de dagvaarding).
Stelling viiibevat een enkele betwisting van de overweging over de betekenis van de brief van [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] van 10 april 2012.
Stelling ixkomt er blijkens de memorie van grieven (nr. 15) op neer dat een dreiging met tuchtrechtelijke stappen van AVROTROS jegens de (toenmalige) advocaat van MFR, die zich vervolgens heeft teruggetrokken als advocaat van MFR, zou hebben bewerkstelligd dat bij MFR onzekerheid is blijven bestaan over de vraag of zij nog wel een rechtsvordering kon instellen. Het hof hoefde op dit betoog niet afzonderlijk in te gaan, omdat niet valt in te zien waarom deze (gestelde) gebeurtenissen noodzakelijkerwijs zouden hebben moeten leiden tot het gestelde gevolg dat MFR niet eerder in staat was een procedure te starten.
stelling ii) is door MFR ook ten grondslag gelegd aan haar grief 3. Het hof heeft dit beroep beoordeeld in het kader van grief 3 (zie rov. 3.3) en verworpen in rov. 3.7.
Overigens betrof HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen. Het ontbreken daarvan kan betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. [6] Dit staat niet in de weg aan het oordeel van het hof in rov. 3.7. In deze zaak gaat het immers om gesteld onrechtmatig handelen in uitzendingen van AVROTROS.
Omdat het gaat om subjectieve, ‘daadwerkelijke bekendheid’ van de benadeelde, is een onderzoeksplicht van de benadeelde naar de relevante feiten ten aanzien van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, in beginsel niet aan de orde. [11] Maar hieraan moet het volgende worden toegevoegd.
Ten eerste impliceert de maatstaf voor de beoordeling van de vereiste ‘daadwerkelijke bekendheid’, te weten dat ‘voldoende zekerheid’ volstaat, dat de verjaring al kan gaan lopen terwijl bepaalde feiten nog niet vast staan. Daarom is ook niet vereist dat de benadeelde bekend is met de ‘exacte oorzaak’ van de schade. Zou het anders zijn, dan zou de benadeelde, door nader onderzoek naar de door hem ondervonden schade uit te stellen respectievelijk door zich van de domme te houden, [12] kunnen beletten dat de verjaringstermijn aanvangt.
Ten tweede is het, zodra er eenmaal ‘voldoende zekerheid’ bij de benadeelde is en de verjaringstermijn is gaan lopen, verder aan de benadeelde om maatregelen te treffen om zijn recht veilig te stellen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat hij volstaat met het eenvoudig stuiten van de lopende verjaringstermijn (artikel 3:317 BW Pro), maar ook dat hij nader onderzoek doet naar de feiten ter voorbereiding van een eventuele procedure. [13] Rechtbank (rov. 4.6 e.v.) en hof (rov. 3.6) hebben hierop het oog, als zij MFR tegenwerpen dat zij van bepaalde feiten eerder op de hoogte had kunnen zijn.
De rechtsopvatting van het onderdeel komt er daarentegen op neer dat daadwerkelijke bekendheid met alle aspecten van het onrechtmatig handelen vereist is, alvorens verjaring kan plaatsvinden. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.
onderdeel cis de tweede volzin van rov. 3.6 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de rechtbank niet zou hebben geoordeeld dat door MFR geen (nieuwe) feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die rechtens kunnen leiden tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en 3. In elk geval heeft het hof niet duidelijk gemaakt waar dit oordeel en de daartoe gegeven motivering van de rechtbank te vinden zouden zijn. Uit de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.5 t/m 4.10 van haar vonnis zou juist het tegendeel volgen, aldus het onderdeel.
onderdeel dvoortbouwt op de
onderdelen a en b, dient het evenals die onderdelen te falen.
Voor het overige faalt
onderdeel dbij gebrek aan feitelijke grondslag omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers, anders dan het onderdeel aanvoert, niet miskend dat MFR aan het door haar gestelde onrechtmatig handelen deels andere, nieuwe feiten ten grondslag heeft gelegd dan [betrokkene 1] destijds ten grondslag heeft gelegd aan het door hem gestelde onrechtmatig handelen van AVROTROS. Het hof heeft dit beoordeeld in onder meer rov. 3.6, waarin het hof heeft geconcludeerd dat dit niet leidt tot een ander oordeel dan wat volgt uit de Vonnissen 1 tot en met 3.
onderdeel ekomt neer op een herhaling van
onderdeel aen dient evenals dat onderdeel te falen.
Artikel 6:2 lid 2 BW Pro is onder meer toegepast in situaties waarin de schuldeiser door bijzondere omstandigheden niet daadwerkelijk in staat was een vordering in te stellen. [14] Deze toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is voor dergelijke situaties niet meer nodig sinds in de rechtspraak is aanvaard dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van diens schade in te stellen. [15] Het beroep van MFR op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid berustte op door MFR gestelde feiten en omstandigheden die door het hof zijn beoordeeld in het kader van de vraag vanaf welk moment MFR daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen, dat wil zeggen wanneer MFR voldoende zekerheid heeft verkregen dat (zoals zij stelde) schade is veroorzaakt door foutief handelen van de betrokken persoon. Daarmee heeft het hof ook voldoende gerespondeerd op het beroep van MFR op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [16]
onderdeel gis rov. 3.8 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. MFR heeft met grief 4 aangevoerd dat de rechtbank in rov. 4.12 van haar vonnis heeft miskend dat MFR een voldoende belang heeft bij de verzochte verklaring voor recht, ook als de vordering tot schadevergoeding is verjaard, omdat de verzochte verklaring kan bijdragen aan beperking van de schade die MFR nog altijd als gevolg van de Uitzendingen 1, 2 en 3 lijdt (memorie van grieven nr. 29). Hiertegenover hebben AVROTROS c.s. slechts aangevoerd dat enig ander belang dan het vorderen van schadevergoeding niet is gebleken noch is aangevoerd, aldus de klacht.
MFR heeft in de memorie van grieven in de toelichting op haar grief 4, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat zij een belang heeft in verband met de beperking van haar schade (zie hiervoor in 3.19). [19] AVROTROS c.s. hebben in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat de verklaringen voor recht enkel worden gevorderd voor het verhalen van schade. Zij hebben daaraan de conclusie verbonden dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro daarop van toepassing is en dat, als de lange verjaringstermijn van toepassing is, MFR door de verjaring van de rechtsvorderingen tot schadevergoeding geen belang meer heeft bij de verklaringen voor recht, nu zij ter zake geen vordering meer te gelde kan maken. Enig ander belang daarbij is niet gebleken noch aangevoerd, aldus AVROTROS c.s. (memorie van antwoord nr. 51, met verwijzing naar de conclusie van antwoord nr. 26).
Het hof heeft overwogen dat de door MFR tegen het oordeel van de rechtbank gerichte grief 4 geen succes heeft, bij gebrek aan een nadere toelichting van MFR, welke gezien de uitkomst van de voorgaande grieven verwacht had mogen worden, en gelet op de gemotiveerde betwisting van AVROTROS c.s. (rov. 3.9).
onderdeelg. Het hof heeft geoordeeld dat AVROTROS het belang van MFR bij de gevorderde verklaringen voor recht gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel is in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk te noemen. Het was daarom aan MFR om haar belang bij deze verklaringen voor recht nader toe te lichten.