Conclusie
[eiseres], respectievelijk [verweerder] (in mannelijk enkelvoud).
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
6.4.3.Aan verkoper is niet bekend of in de onroerende zaak asbest is verwerkt.
Artikel 5
[A]) een bodemonderzoek laten uitvoeren binnen de locatie van de paardenhouderij. In het rapport van [A] van 5 juli 2019 staat, geciteerd voor zover hier van belang: [1]
2.2. Vooronderzoek
geenfeiten of omstandigheden bekend die aan een normaal gebruik door koper als bovenbedoeld in de weg staan. Verkoper is niet bekend dat dit gebruik op publieke- dan wel privaatrechtelijke gronden niet is toegestaan, met dien verstande dat de bestemming op het verkochte "Paardenhouderij" betreft. Koper verklaart volledig op de hoogte te zijn van het vorenstaande en alle eventueel daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. Voor andere eigenschappen dan die voor normaal gebruik nodig zijn en voor aan koper kenbare gebreken staat verkoper niet in.
Tritium) opdracht gegeven een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In het rapport van Tritium van 18 juni 2012 staat, geciteerd voor zover hier van belang:
Samenvatting
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). De [eiseres] vorderde, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) een verklaring voor recht dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van de koopovereenkomst en/of dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor het ontbreken van de in art. 25 van Pro de koopovereenkomst bedoelde vergunning en voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging en dat [verweerder] uit dien hoofde verplicht is tot schadevergoeding, althans te verklaren voor recht op een in goede justitie te bepalen wijze, (ii) [verweerder] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling aan de [eiseres] van de door de [eiseres] en [de familie] geleden schade naar aanleiding van de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van de koopovereenkomst en/of het ontbreken van de in artikel 25 koopovereenkomst Pro bedoelde vergunning en/of de aanwezigheid van bodemverontreiniging, althans hetgeen in goede justitie zal worden bepaald, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans vanaf een in goede justitie vast te stellen datum of data, een en ander tot aan de dag van algehele voldoening, (iii) [verweerder] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen in de beslag-, proces-, en nakosten, onder bepaling dat [verweerder] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans na de dag van betekening van het vonnis, zijn betaald.
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van de [eiseres] afgewezen en de [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proces- en nakosten. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis. Nadat [verweerder] de eerstdienende dag bij anticipatie-exploot heeft vervroegd, heeft de [eiseres] een memorie van grieven ingediend in waarin zij haar vorderingen in vergelijking met eerste aanleg enigszins aanpast, in die zin dat zij in appel vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof (i) het vonnis vernietigt, en, (ii) opnieuw rechtdoende, (a) voor recht verklaart dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van de door hem gesloten koopovereenkomst en/of dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor het ontbreken van de in art. 25 van Pro de koopovereenkomst bedoelde vergunning en/of bouwblok (de overeengekomen en in de memorie uitgelegde “
bouwvergunning in de vorm van een bouwblok”) en/of voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging en/of voor het niet voldoen aan zijn mededelingsplicht te dier zake en (b) [verweerder] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding naar aanleiding van de onder (a) weergegeven tekortkomingen, nader op te maken bij staat, (iii) [verweerder] veroordeelt om al hetgeen de [eiseres] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [verweerder] heeft voldaan terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, met (iv) veroordeling van [verweerder] in de beslag-, proces-, en nakosten.
arrest), waarin het hof het vonnis bekrachtigt en de [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt in de proceskosten. De wijziging van eis staat het hof toe (r.o. 3.15.1-3.15.2). Verder overweegt het hof, voor zover van belang in cassatie, als volgt.
Het bouwblok
bouwvergunning in de vorm van een bouwblok’). Evenzeer is duidelijk dat de [eiseres] haar oorspronkelijke vordering gericht op de aanwezigheid van een bestaande omgevingsvergunning (terecht) heeft laten vallen, zodat het gegeven van het bestaan van een bouwblok (en niet meer dan dat) uitgangspunt is voor de verdere beoordeling van de daartoe thans gewijzigde vordering. Een bouwblok en de voorwaarden voor een eventuele bebouwing daarvan liggen vast in voor eenieder kenbare publiekrechtelijke gegevens, zoals in dit geval het in 2013 gewijzigde [bestemmingsplan] en het daarbij behorende Landschapsplan. Hierin is tot in detail vastgelegd onder welke randvoorwaarden er op die plaats in het bouwblok kan en mag worden gebouwd. Niet goed valt in te zien waarom [verweerder] met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden (die ook nog afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing en die naar het oordeel van het hof ook niet exceptioneel zijn namelijk landschappelijke inpassing, dus in een bestaande situatie) niet aan [de familie] hebben medegedeeld. Evenmin valt in te zien waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen [worden] toegekend aan hetgeen bepaald staat in art. 6 lid 1 van Pro de oorspronkelijke koopovereenkomst tussen [verweerder] en [de familie] te weten […] ‘
de onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn. (...).’Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
de onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten’ zijn. (...).Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd.”
NJ2016/76, m.nt. J. Hijma (
Portsight). Het gaat hier immers om een publiekrechtelijke last of beperking die de verkochte zaak ( [a-straat 1] ) in het bijzonder betreft. Voor zover van belang moet er voorts (althans in cassatie) van worden uitgegaan dat [verweerder] van die last of beperking op de hoogte was, zo stelt het onderdeel onder verwijzing naar de gedingstukken in feitelijk instanties. Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk, gelet op de stellingen van de [eiseres] in feitelijke instanties waarnaar het subonderdeel verwijst, namelijk – samengevat – dat: (i) [de familie] een bouwblok kreeg met een loodzware last, namelijk de verplichtingen die voortvloeien uit het landschapsplan ‘ [landschapsplans] ’, (ii) [verweerder] wist van deze loodzware verplichtingen, die (iii) uitzonderlijk en onvoorzienbaar waren. Gelet op art. 7:15 BW Pro is met name/in ieder geval onjuist of onbegrijpelijk dat het hof niet heeft vastgesteld dat, en evenmin heeft onderzocht of deze door de [eiseres] gestelde omstandigheden, al dan niet kwalificeren als ‘bijzondere lasten’ in de zin van art. 6 lid 1 van Pro de oorspronkelijke koopovereenkomst, of als bijzondere omstandigheden die maken dat een mededelingsplicht van [verweerder] zou moeten worden aangenomen.
met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard”. [9] Wat hier verder ook van zij, algemeen wordt aangenomen dat uit art. 7:15 lid 1 BW Pro een mededelingsplicht voor de verkoper kan volgen met betrekking tot de bijzondere lasten en beperkingen die op de te verkopen zaak rusten. [10] Mededeling van de last of beperking door de verkoper aan de (beoogd) koper leidt ertoe dat de aanwezigheid van de last of beperking geen toerekenbare tekortkoming zijdens de verkoper oplevert. [11]
[…] / […] [12] volgt dat art. 7:15 lid 1 BW Pro niet alleen ziet op privaatrechtelijke, maar ook op publiekrechtelijke lasten. In die zaak kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat ruilverkavelingslasten die rusten op een verkocht agrarisch perceel gelden als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 BW Pro. Hierbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat dergelijke lasten niet rusten op alle agrarische percelen in Nederland, zodat sprake is van een bijzondere last of beperking. De omstandigheid dat de ruilverkavelingslasten mede rusten op andere percelen die in één en dezelfde ruilverkaveling zijn begrepen, brengt niet mee dat die lasten niet als bijzonder zijn aan te merken, aldus de Hoge Raad. Voor het antwoord op de vraag of art. 7:15 van Pro toepassing is, is bepalend of de lasten op het desbetreffende goed in het bijzonder rusten. [13]
Portsight [14] kwam de Hoge Raad, mede gelet op de in de literatuur geuite kritiek op het bepaalde in
[…] / […](waarover hierna meer), tot een heroverweging van de maatstaf uit
/ […]wanneer sprake is van een publiekrechtelijke last of beperking die geldt als ‘bijzonder’ in de zin van art. 7:15 lid 1 BW Pro. In
Portsightlag de vraag voor of ook de Beleidsregels grote rivieren gelden als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW Pro. In deze kwestie overwoog de Uw Raad:
De Hoge Raad ziet mede hierin aanleiding tot heroverweging van de in genoemd arrest gegeven invulling van het vereiste dat het moet gaan om een ‘bijzondere’ last of beperking.
Woonboerderij [15] speelde de vraag of de agrarische bestemming van de verkochte onroerende zaak had te gelden als een bijzondere last of beperking. De Hoge Raad overweegt onder verwijzing naar
Portsightdat een bestemmingsplan niet geldt als een bijzondere last of beperking omdat het geen specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit betreft. [16]
Portsighten
Woonboerderij.Dit stelt het middel met zoveel woorden ook zelf. [17]
lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen”, [18] aldus nog steeds het onderdeel. [19]
Portsightom te bepalen wanneer sprake is van een bijzondere publiekrechtelijke last of beperking) zodanig op te rekken dat een bepaalde categorie besluiten (althans, het onderhavige bestemmingsplan) erbinnen valt.
Portsightniet. Ter onderbouwing wijs ik op het volgende.
Portsightonder meer de rechtszekerheid en hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW Pro op het oog gehad. [20] De door het onderdeel bepleite verruiming zou hieraan mijns inziens afbreuk doen. De toets of een besluit materieel neerkomt op een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit is immers aanmerkelijk minder eenduidig dan de maatstaf in
Portsight. De door het onderdeel bepleite materiële toets vergt immers steeds een bijzondere (feitelijke) beoordeling die (mogelijk) van geval tot geval anders kan uitpakken.
Portsightzou worden gevolgd, in ieder geval onduidelijkheid en onzekerheid volgt over het antwoord op de vraag of dergelijke bestemmingsplannen materieel hebben te gelden als een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit. Dit zal immers steeds getoetst moeten worden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Is hiervoor steeds voldoende, zoals het onderdeel bepleit, dat het bestemmingsplan is opgesteld op verzoek van de (voormalige) eigenaar en geldt voor een specifiek perceel? Hierover kan ik in abstracto weinig zeggen en het middel biedt in dit kader ook geen nadere handvatten. Dat geldt eens te meer voor eventuele toepasselijkheid van een dergelijke materiële toets voor andere besluiten van algemene strekking. De door het onderdeel bepleite toets verdraagt zich dus niet met de door Uw Raad aan
Portsightmede ten grondslag gelegde rechtszekerheid en hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW Pro.
Portsightgeformuleerde maatstaf, anders dan destijds bij
[…] / […]het geval was, [24] niet kritisch is ontvangen. Voor de door het middel bepleite materiële toets heb ik althans nergens steun kunnen vinden. [25] De door het middel aangehaalde annotatie van Hijma onder
Portsightin
NJ2016/79 maakt dit niet anders, omdat de door Hijma gesignaleerde onduidelijkheid ziet op bepaalde categorieën beschikkingen en niet op besluiten van algemene strekking, zoals bestemmingsplannen.
Portsightuitdrukkelijk het oog heeft gehad op de door A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie voor dit arrest uiteengezette kritiek in de literatuur op de maatstaf van
[…] / […], namelijk dat die maatstaf te ruim en onbepaald zou zijn en onwenselijke gevolgen kan hebben. [26] Deze door de A-G besproken literatuur zag onder meer op de onduidelijkheid van de toepasselijkheid van die maatstaf op bestemmingsplannen. Meer in het bijzonder meenden sommige auteurs dat uit een strikte toepassing van die maatstaf volgt dat bestemmingsplannen weliswaar gelden als een bijzondere last of beperking, maar dat dit onwenselijk is en bovendien moeilijk voorstelbaar is dat de Hoge Raad dit ook daadwerkelijk had beoogd. [27] Hieruit leid ik af dat Uw Raad in
Portsight, gelet op deze kritiek, ook klare wijn heeft willen schenken met betrekking tot de vraag of een bestemmingsplan heeft te gelden als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW Pro. Zoals ook hiervoor is geschetst, zou de door het middel bepleite verruiming van de maatstaf uit
Portsightnu juist afbreuk doen aan dit voornemen. Ik merk verder op dat hantering van deze maatstaf met betrekking tot bestemmingsplannen ook in de feitenrechtspraak niet tot enige problemen lijkt te hebben geleid. [28]
Portsightonder meer onderbouwt met de overweging dat de door de maatstaf gedekte besluiten ingevolge art. 3:41 Awb Pro in beginsel door toezending of uitreiking aan de belanghebbende zelf (de rechthebbende van de desbetreffende zaak) bekendgemaakt dienen te worden, waardoor de verkoper bij verkoop van de zaak geacht kan worden op de hoogte te zijn van de uit dat besluit voortvloeiende lasten en beperkingen, terwijl de koper daarmee doorgaans niet (zonder meer) bekend zal zijn. Dit geldt niet voor bestemmingsplannen; ook niet voor (postzegel)bestemmingsplannen die al dan niet op verzoek van de (voormalig) eigenaar zijn opgesteld voor een specifieke onroerende zaak. Koper en verkoper hebben immers ook in dat geval (bijvoorbeeld via de website www.ruimtelijkeplannen.nl) [29] op gelijke wijze toegang tot dezelfde informatie. Dat een (postzegel)bestemmingsplan op verzoek van een voormalige eigenaar is opgesteld voor een specifieke onroerende zaak doet aan dat gegeven geen afbreuk. Het contrast met de ruilverkavelingslasten die aan de orde waren in
[…] / […] [30] is in zoverre helder: de ruilverkavelingslasten werden bekendgemaakt door individuele kennisgeving van de terinzagelegging van de lijst van de geldelijke regelingen. [31]
Portsight– ook een bestemmingsplan (althans: een besluit van algemene strekking) dat materieel neerkomt op een (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit aan te merken als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW Pro. Ook anderszins zie ik geen aanleiding om het bestemmingsplan in onderhavige kwestie als zodanig aan te merken.
Portsight [32] en
Woonboerderij [33] uiteenzet. De Hoge Raad overweegt in die arresten dat met betrekking tot voor de zaak geldende publiekrechtelijke lasten en beperkingen die niet binnen de reikwijdte van art. 7:15 lid 1 BW Pro vallen, de koper in voorkomend geval wel de mogelijkheid ten dienste staat de verkoper op grond van non-conformiteit (art. 7:17 BW Pro) (of dwaling (art. 6:228 BW Pro)) aan te spreken.
vice versarust eerder een onderzoeksplicht op de koper.
Woonboerderij, waarin Uw Raad overwoog:
Woonboerderijvolgt aldus dat bij de beantwoording van de vraag of op de verkoper een mededelingsplicht rust, mede van belang kan zijn of hij redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de koper op het betreffende punt zelf onderzoek zou verrichten. In de context van bestemmingsplannen zijn er auteurs die menen dat op de koper een zelfstandige onderzoeksplicht kan rusten. [43] Mijns inziens blijft dit evenwel afhankelijk van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, zoals zojuist geschetst.
Woonboerderijdat voor de beantwoording van de vraag of op de verkoper een mededelingsplicht rust, ook relevant is of de verkoper er redelijkerwijs van uit mocht gaan of de koper op het betreffende punt zelf nader onderzoek zou verrichten. Zo bezien dicht het hof mijns inziens terecht relevantie toe aan het feit dat het bestemmingsplan en daarbij horende landschapsplan op eenzelfde wijze kenbaar waren voor [de familie] als voor [verweerder] en dat de voorwaarden voor bebouwing, die volgens het hof niet exceptioneel zijn, afhangen van de exacte bebouwingsplannen van de [eiseres] , die [verweerder] onbekend waren. Verder wijs ik erop dat het hof aandacht besteedt aan het bestaan van een bouwblok. Art. 25 van Pro de oorspronkelijke koopovereenkomst bepaalt: “
Voor het object is een bouwvergunning voor uitbreiding van de paardenhouderij afgegeven in de vorm van een bouwblok ter grootte van 10.000 m2(…)”. Het hof wijst er terecht op dat het bestaan van een bouwblok uitgangspunt is voor de verdere beoordeling van de vordering van de [eiseres] . Gelet op het uitdrukkelijk vermelden van de term ‘bouwblok’ had dit [de familie] op het spoor moeten zetten van het consulteren van het openbaar toegankelijke bestemmingsplan, althans zo begrijp ik het oordeel van het hof. Het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande mijns inziens ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.