Conclusie
Nummer21/04601
Inleiding
van het plegen van witwassen een gewoonte maken" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering
Het hof is van oordeel dat het tenlastegelegde kan worden bewezen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Het eerste middel
niet duidelijk” is wat de getuige zou kunnen verklaren over de periode, de precieze kluswerkzaamheden, de hoeveelheid kluswerkzaamheden en de bedragen die ermee gemoeid zouden zijn, terwijl die informatie juist door het horen van de getuige kon worden vergaard.
Het beoordelingskader
De bespreking van het eerste middel
niet duidelijk [is] wat de getuige hierover zou kunnen verklaren”.
Het tweede middel
Het beoordelingskader
2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
De bespreking van het tweede middel
nietvan misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft vanwege het uitblijven van
“bijvoorbeeld specifieke informatie over de opdrachtgevers van die klussen, hoe vaak hij deze klussen verrichtte, welke precieze periode dit betrof en welke bedragen hij hiermee heeft verdiend”geoordeeld dat
“[h]et aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen onvoldoende aanleiding [geeft] tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie”en dat er
“geen andere conclusie mogelijk [is] dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is”.
nietheeft aangemerkt als ‘concreet en verifieerbaar’, is dan ook goed te volgen. Daaraan doet niet af dat het hof de juistheid (of de waarschijnlijkheid) van de bewering dat de verdachte als stukadoor en schilder zwartwerk verrichtte, in het midden heeft gelaten.