Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
Het standpunt van klaagster
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak betreft het cassatieberoep van een klaagster tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant over het beslag op fysieke dossiers en een back-up van het ICT-systeem van de A-groep, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige fraude in de voedselketen.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift gegrond voor het beslag op fysieke goederen en gelastte teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende, maar verklaarde het beklag voor het overige ongegrond. De Hoge Raad onderzocht onder meer of de behandeling van het klaagschrift in de raadkamer openbaar had plaatsgevonden, het verschoningsrecht juist was toegepast en of de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende conform de wet was.
De Hoge Raad concludeerde dat de behandeling in de raadkamer op 2 april 2021 wel openbaar had plaatsgevonden ondanks een proces-verbaal dat dit niet vermeldde. Het middel over het verschoningsrecht bleef onbesproken omdat de klaagster niet als verschoningsgerechtigde werd aangemerkt. Het middel dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende slaagde, omdat niet was vastgesteld wie deze was en of deze een klaagschrift had ingediend. Daarom vernietigde de Hoge Raad dit deel van de beschikking en verwees de zaak terug voor nader onderzoek en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over teruggave van het fysieke beslag aan de redelijkerwijs rechthebbende en wijst de zaak terug voor nader onderzoek.