Conclusie
[eiseres](eiseres tot cassatie) en
Staatsbosbeheer(verweerder in cassatie). [1]
1.Inleiding
2.Feiten
[A]). De bomen worden gekweekt op de percelen van [B] B.V. (hierna:
[B]). Deze percelen zijn gelegen nabij het natuurgebied ‘het Schuitwater’.
FBEL) voor het verstoren, vangen en verplaatsen van de bever. De ontheffing maakt het voor de FBEL mogelijk machtigingen aan derden te verlenen om gebruik te maken van de ontheffing. Daarmee kunnen deze derden (onder voorwaarden) beverdammen verlagen.
het Waterschap) verzonden met de opmerking:
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij heeft gevorderd, samengevat, dat de rechtbank Staatsbosbeheer veroordeelt tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.375.812,--, vermeerderd met de wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten, inclusief de nakosten.
Onrechtmatige daad
het hof). Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en haar vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van Staatsbosbeheer in de kosten van het geding in hoger beroep (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
eerste feitelijke grondslag, zo overweegt het hof in r.o. 3.6, is dat Staatsbosbeheer een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door (stilzwijgend) als eigenaar en beheerder toe te staan dat in 2003 bevers in het gebied werden uitgezet die dammen konden bouwen. Het hof oordeelt in het vervolg van r.o. 3.6 dat deze feitelijke grondslag ondeugdelijk is om een onrechtmatige daad van Staatsbosbeheer te kunnen aannemen. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
tweede feitelijke grondslagdie [eiseres] aanvoert is dat Staatsbosbeheer een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen doordat hij heeft verzuimd tijdig maatregelen te nemen die de door de beverdammen veroorzaakte te hoge stijging van het grondwaterpeil van de percelen van [B] ongedaan zouden maken. Het hof oordeelt daarover als volgt:
het arrest). Staatsbosbeheer heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.2bevat de klacht dat het hof “aldus” miskent dat ter beantwoording van de vraag of een partij – in verband met een verwezenlijkt gevaar – jegens een andere partij gevaarzettend heeft gehandeld, doorslaggevend is of de mate van waarschijnlijkheid van die verwezenlijking als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat die partij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden, [8] althans dat die partij voorzorgsmaatregelen had moeten treffen ter voorkoming van dat gevaar. Daartoe zijn, zo vervolgt het subonderdeel, alle relevante omstandigheden van het geval relevant, waaronder in elk geval kunnen worden begrepen (de grootte van) de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen. [9]
actief handelenvan degene die door zijn optreden schade had veroorzaakt. Voor het vinden van een antwoord op de vraag onder welke omstandigheden het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, is het bekende Kelderluik-arrest richtinggevend. [10] In dit arrest overwoog de Hoge Raad:
nalaten. Gemeenschappelijk aan gevallen van nalaten is dat het
nietgaat om de vraag in hoeverre men verantwoordelijk gesteld kan worden voor onvoorzichtige actieve gedragingen of zelf gecreëerde gevaarlijke situaties. De vraag is onder welke omstandigheden actief ingrijpen vereist is en nalaten onrechtmatig wordt. [12] Uit de rechtspraak blijkt dat niet snel wordt aangenomen dat een
zuiver nalatenals onrechtmatig wordt aangemerkt. Indien we de vraag beperken tot gevallen van zuiver nalaten, dan blijkt dat slechts sprake kan zijn van een rechtsplicht om een gevaarlijke situatie op te heffen (of daarvoor te waarschuwen), wanneer de ernst van het gevaar tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen. [13]
de bewustheid van het gevaar. Uitgangspunt is dat men in het algemeen niet verantwoordelijk is voor de schade die is ontstaan doordat is nagelaten te waarschuwen of anderszins iets te doen. Slechts indien er aan de zojuist besproken stringente voorwaarden is voldaan kán er aansprakelijkheid voor zuiver nalaten ontstaan. [15]
nietverantwoordelijk is voor het waterbeheer in en om het betreffende natuurgebied (r.o. 3.9). Dat is, zo vervolgde het hof, het Waterschap. Deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Met betrekking tot de zorgplicht van waterbeheerders voor schade door te hoog water heeft de Hoge Raad verschillende arresten gewezen. [16] oewle deHoewel die jurisprudentie niet rechtstreeks van toepassing is, is zij naar mening ook niet geheel zonder betekenis. Het hof heeft immers als feiten vastgesteld dat het natuurgebied het Schuitwater deels in eigendom en onder beheer is van Staatsbosbeheer en dat de afwateringssloot van het Groot Schuitwater in eigendom is van Staatsbosbeheer (r.o. 3.1.4). Dit zou wellicht kunnen leiden tot het oordeel dat de zorgplicht van Staatsbosbeheer wat meer grenst aan die van een waterbeheerder. Ik acht het (daarom) zinvol om de inhoud van een aantal arresten kort weer te geven.
eerste feitelijke grondslagis dat Staatsbosbeheer een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door (stilzwijgend) als eigenaar en beheerder toe te staan dat in 2003 bevers in het gebied werden uitgezet die dammen konden bouwen. Bij de beoordeling van deze grondslag heeft het hof, onder verwijzing naar het door het onderdeel genoemde arrest van 14 juli 2017 (JMV Spoorwegveiligheid/Zürich), in r.o. 3.6 “de algemene maatstaf voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van gevaarzettend gedrag” tot uitgangspunt genomen. Die houdt, zo herhaalde de Hoge Raad in genoemd arrest, in:
tweede feitelijke grondslagdie [eiseres] aanvoert in het kader van haar betoog dat Staatsbosbeheer een onrechtmatige daad heeft gepleegd, is dat Staatsbosbeheer een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen doordat het heeft verzuimd tijdig maatregelen te nemen die de door de beverdammen veroorzaakte te hoge stijging van het grondwaterpeil van de percelen van [eiseres] ongedaan zouden maken. Het hof overweegt aan het slot van r.o. 3.7 dat [eiseres] in de grieven betoogt dat Staatsbosbeheer gehouden was om eerder uitvoering te geven aan de vanaf eind juni 2016 genomen maatregelen op grond van een algemene en bijzondere zorgplicht en dat [eiseres] het verzuim van Staatsbosbeheer om tijdig de vereiste maatregelen te nemen daarnaast bestempelt als een onrechtmatig nalaten of als het onrechtmatig veroorzaken van hinder.
toenal een aanmerkelijke kans op natschade bestond als de dammen niet werden verlaagd, en dat [eiseres] zich in de periode tot 30 juni 2016 ook niet
tot Staatsbosbeheerheeft gewend met informatie die tot actie noopte. Aldus was Staatsbosbeheer, zo heeft het hof geoordeeld, niet gehouden om eerder met de uitvoering van maatregelen, met name het verlagen van beverdammen, te starten dan hij heeft gedaan. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft immers de maatstaf gehanteerd die het subonderdeel als eerste weergeeft (de maatstaf vóór het woord ‘althans’).
in algemene zinjegens eenieder, waaronder ook jegens [eiseres] , te gedragen in overeenstemming met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zoals hiervoor door mij is betoogd, heeft het hof daarbij in r.o. 3.9 ook de algemene maatstaf voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van gevaarzettend gedrag (Kelderluik-criteria) toegepast. Weliswaar overweegt het hof in r.o. 3.9, tweede alinea, dat op Staatsbosbeheer de plicht rust zich “als eigenaar en beheerder jegens een buur” te gedragen overeenkomstig hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, maar aan de door mij tussen aanhalingstekens geplaatste woorden komt naar ik meen geen exclusieve betekenis toe. Wat hier ook van zij, het hof oordeelt in het vervolg van r.o. 3.9 op de daar weergegeven gronden dat Staatsbosbeheer “heeft gehandeld zoals van haar in het maatschappelijk verkeer mocht worden verwacht en verlangd” en dat Staatsbosbeheer niet gehouden was om eerder met de uitvoering van maatregelen, met name het verlagen van beverdammen, te starten dan het heeft gedaan. Aldus is, linksom of rechtsom, naar het oordeel van het hof van gevaarzettend handelen of onrechtmatig nalaten aan de zijde van Staatsbosbeheer geen sprake geweest.
met het WaterschapStaatsbosbeheer (als het daarvan op de hoogte was) geen aanleiding hoefde te geven de later in juli 2016 aangevraagde machtiging tot verlaging van de beverdammen al eerder aan te vragen, (ii) dat uit die correspondentie
nietis af te leiden dat er
toenal een aanmerkelijke kans op natschade bestond als de dammen niet werden verlaagd, en (iii) dat [eiseres] zich in de periode tot 30 juni 2016 ook niet
tot Staatsbosbeheerheeft gewend met informatie die tot actie noopte. Uit deze overwegingen kan worden geconcludeerd dat het hof van oordeel is dat de aard en ernst van de schade ten tijde van de correspondentie begin maart 2016 in elk geval gering was en dat [eiseres] Staatsbosbeheer zelf in de periode nadien ook
nietconcreet heeft bericht dat acuut ingrijpen noodzakelijk was in verband met (waarschijnlijk) op korte termijn te lijden schade. Dit heeft [eiseres] aldus ook niet gedaan in mei en juni 2016, toen er veel neerslag viel in het betreffende gebied. Gelet op het voorgaande mist de klacht feitelijke grondslag, omdat zij uitgaat van een te beperkte lezing van de bestreden rechtsoverweging.
niet was gehoudenom eerder met de uitvoering van maatregelen, met name het verlagen van beverdammen, te starten dan het heeft gedaan. Ik herhaal dat het hof in dat verband heeft overwogen (i) dat de correspondentie van 1 en 3 maart 2016 met het Waterschap Staatsbosbeheer (als het daarvan op de hoogte was) geen aanleiding hoefde te geven de later in juli 2016 aangevraagde machtiging tot verlaging van de beverdammen al eerder aan te vragen, (ii) dat uit die correspondentie
nietis af te leiden dat er
toenal een aanmerkelijke kans op natschade bestond als de dammen niet werden verlaagd, (iii) dat [eiseres] zich in de periode tot 30 juni 2016 ook niet
tot Staatsbosbeheer(zelf) heeft gewend met informatie die tot actie noopte, en (iv) dat Staatsbosbeheer de neerslag die in mei en juni 2016 in het betreffende gebied is gevallen niet behoefde te voorzien en dat het daar dan bij zijn handelwijze ook geen rekening mee hoefde te houden. Uit dit gemotiveerde oordeel – bezien in samenhang met het eerdere oordeel in r.o. 3.9 dat Staatsbosbeheer, door met het Waterschap en een vertegenwoordiger van de perceeleigenaren die klachten hadden geuit deel te nemen aan een overleg over maatregelen, heeft gehandeld zoals (op dat moment) van hem in het maatschappelijk verkeer mocht worden verwacht en verlangd – volgt dat van Staatsbosbeheer niet kon worden gevergd dat het in de bewuste periode ook preventieve maatregelen nam. Ik merk daarbij op dat gesteld noch gebleken is dat het nemen van voorzorgsmaatregelen tijdens het overleg eind maart 2016, waarbij ook een vertegenwoordiger van de perceeleigenaren aanwezig was, aan de orde is gesteld. Het hof heeft het door het subonderdeel genoemde gezichtspunt aldus in de beoordeling betrokken. Dit leidt tot de conclusie dat het subonderdeel feitelijke grondslag mist.
de uitvoering van het geheel aan voorgestelde maatregelen en alternatievendie worden beschreven in de notitie die Staatsbosbeheer heeft gemaakt naar aanleiding van het bewuste overleg. [23] De overweging is niet onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van die notitie. [24] Dat het hof heeft onderkend dat de procedure die aan een mogelijke verlaging van de beverdammen vooraf dient te gaan, in de praktijk aanmerkelijk korter kan zijn, volgt ook uit het feit dat is weergegeven in r.o. 3.1.11. [25]
subonderdeel 1.9ziet het hof eraan voorbij dat voor beantwoording van de vraag of een partij jegens een andere partij gevaarzettend heeft gehandeld door niet (tijdig) voorzorgsmaatregelen te treffen steeds relevant is de (voorzienbare) kans dat als gevolg van dat nalaten schade ontstaat, evenals of het nalaten voorzorgsmaatregelen te treffen, mede gezien die kans, in het licht van de overige relevante omstandigheden gevaarzettend is. In dit verband is, zo stelt het subonderdeel, dus óók relevant of met het oog op een andere en/of geringere schade dan uiteindelijk is ingetreden en de (voorzienbare) kans daarop in de gegeven omstandigheden reeds voorzorgsmaatregelen hadden moeten worden getroffen. Althans is volgens het subonderdeel in ieder geval niet enkel relevant of de kans op schade ‘aanmerkelijk’ was. Ook bij een kleinere dan een ‘aanmerkelijke’ kans kunnen de gegeven omstandigheden, zo stelt het subonderdeel in dat verband, nopen tot het treffen van voorzorgsmaatregelen.
geenaanleiding hoefde te geven de later in juli 2016 aangevraagde machtiging tot verlaging van de beverdammen al eerder aan te vragen, (ii) dat uit die correspondentie
nietis af te leiden dat er toen al een aanmerkelijke kans op natschade bestond als de dammen niet werden verlaagd, (iii) dat [eiseres] zich in de periode tot 30 juni 2016 ook niet
tot Staatsbosbeheerheeft gewend met informatie die tot actie noopte, en (iv) dat Staatsbosbeheer de neerslag die in mei en juni 2016 in het betreffende gebied is gevallen
nietbehoefde te voorzien en dat het daar dan bij zijn handelwijze ook geen rekening mee hoefde te houden. Deze overwegingen berusten op een aan het hof voorbehouden waardering van de inhoud van de processtukken/producties en een weging van factoren. Het oordeel is niet onbegrijpelijk. In het oordeel ligt besloten dat het hof de stellingen die het subonderdeel noemt, onder ogen heeft gezien doch dat de gronden die het opsomt voor zijn oordeel doorslaggevend zijn. Wat het subonderdeel in wezen verlangt, is dat die stellingen thans opnieuw worden beoordeeld. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats.
subonderdeel 1.12is het oordeel van het hof op dit punt in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, nu het hof in r.o. 3.8 slechts in het kader van de vraag of op Staatsbosbeheer een wettelijke of bijzondere zorgplicht rust, aandacht besteedt aan de passage in de considerans van het convenant van 4 december 2014 (hierna:
het Convenant) tussen Staatsbosbeheer en de Staatssecretaris van Economische Zaken, “inhoudende dat het zoeken naar synergie met maatschappelijke belangen zoals waterveiligheid van groot belang is”. Dat Staatsbosbeheer zich blijkens het Convenant mede toelegt op de waterveiligheid is volgens het subonderdeel echter ook een relevante omstandigheid in het kader van de vraag of Staatsbosbeheer jegens [eiseres] gevaarzettend heeft gehandeld. Betoogd wordt dat het hof die afspraak daarom mede had moeten betrekken in zijn weging van de relevante omstandigheden van het geval in het kader van de gevaarzetting. Het voorgaande geldt, zo vervolgt het subonderdeel, ook voor de in r.o. 3.8 door het hof onderkende doelomschrijving van Staatsbosbeheer. Die eigen doelomschrijving vormt volgens het subonderdeel een relevante omstandigheid bij de gevaarzettingstoets, waaraan het hof gewicht had moeten toekennen.
Staatsbosbeheer heeft de taak de natuurwaarden in dat gebied te bewaken en in stand te houden. Staatsbosbeheer is niet verantwoordelijk voor het waterbeheer in en om het natuurgebied. Dat is het Waterschap.”
Subonderdeel 2.2klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt dat op grond van art. 6:162 lid 1 BW Pro (enkel) sprake moet zijn van een
condicio sine qua non-verband tussen de verweten (onrechtmatige) gedraging en de geleden schade, in die zin dat de schade niet zou zijn ontstaan indien de verweten (onrechtmatige) gedraging wordt weggedacht. In een situatie waarin een niet-tijdig handelen wordt verweten, zoals in deze zaak het nalaten de beverdammen tijdig te verlagen, vereist die maatstaf derhalve dat wordt onderzocht of de schade van de benadeelde niet zou zijn ingetreden indien de aansprakelijk gestelde partij wel tijdig de benodigde voorzorgsmaatregelen zou hebben genomen. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit miskend.
subonderdeel 2.3is het oordeel van het hof in elk geval onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel stelt dat het oordeel dat de per eind juni 2016 geleden natschade door een te hoge grondwaterstand zich toen niet zou hebben voorgedaan als de extreme regenval zou zijn uitgebleven, nog niet de vraag beantwoordt of deze neerslag, in de situatie waarin Staatsbosbeheer wel tijdig de benodigde voorzorgsmaatregelen zou hebben genomen – dat wil zeggen: het voorafgaand aan die regenval verlagen van de beverdammen – dan niet tot schade bij [eiseres] zou hebben geleid. Volgens het subonderdeel bestaat in die situatie wel degelijk een causaal verband tussen het niet-tijdig nemen van voorzorgsmaatregelen door Staatsbosbeheer en de schade van [eiseres] . Onder verwijzing naar een vindplaats in de processtukken stelt het subonderdeel dat [eiseres] heeft aangevoerd dat haar percelen ondanks de hevige regenval dan niet waren overstroomd. Het subonderdeel stelt dat het hof dat in het kader van de beantwoording van de causaliteitsvraag had moeten onderzoeken.
ookzou hebben voorgedaan indien Staatsbosbeheer in de maanden vóór de hevige regenval de maatregelen had genomen die zij eind juni 2016 heeft genomen. Het hof heeft zich op dat punt namelijk klaarblijkelijk aangesloten bij de conclusies van [deskundige 1] , de deskundige die de aansprakelijkheidsverzekeraar van Staatsbosbeheer had ingeschakeld, en [deskundige 2] , de deskundige die de aansprakelijkheidsverzekeraar van het Waterschap had ingeschakeld. Op p. 7 en 8 van het door hem opgestelde rapport [31] schrijft [deskundige 1] onder meer het volgende onder het kopje ‘Oorzaak’:
De op het perceel van wederpartij opgetreden wateroverlast is naar onze mening veroorzaakt in enerzijds de vele regen eind mei – begin juni 2016 en vervolgens door kwelwater dat nadien via grondwaterstromen naar legergelegen delen is gestroomd, waaronder naar het perceel van wederpartij en naar het Schuitwater. Dit blijkt ook uit het feit dat het grondwater volgens wederpartij eind juni 2016 tot maaiveldniveau is gestegen dat wil zeggen geruime tijd na de vele regen.
Zelfs al waren de beverdammen voorafgaand aan de extreme neerslag in juni 2016 verlaagd tot het voor de afwateringssloot geldende streefpeil, dan nog was de gestelde natschade op de percelen van [eiseres] ontstaan.Bewijs dat de schade op de percelen als gevolg van inundatie vanuit het oppervlaktewater zou zijn ontstaan, heeft [eiseres] tot dusver niet geleverd.”
dezelfde feitenten grondslag gelegd als aan de gestelde onrechtmatige daad.
Nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat deze feiten niet kwalificeren als een onrechtmatig handelen, kan van onrechtmatige hinder evenmin sprake zijn, omdat daarvoor onrechtmatigheid in de zin artikel 6:162 BW Pro vereist is. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] dan ook afwijzen.”
nietbestreden, overwogen dat de grieven 2 t/m 4 in de kern twee feitelijke grondslagen bevatten die volgens [eiseres] maken dat Staatsbosbeheer een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Het hof heeft vervolgens in r.o. 3.6 de hiervoor in 4.51 genoemde primaire grondslag besproken en geoordeeld dat de omstandigheid dat in 2003 (twee) bevers zijn uitgezet die dammen bouwen waardoor water kan worden opgestuwd, in het licht van de in r.o. 3.6 weergegeven maatstaf ontoereikend is om een onrechtmatige daad aan te nemen. Zoals gezegd wordt dit oordeel in cassatie
nietbestreden.
het verzuim van Staatsbosbeheer om tijdig de vereiste maatregelen te nemenals “het onrechtmatig veroorzaken van hinder” bestempelt, wordt in cassatie ook niet afzonderlijk bestreden.
subonderdeel 3.2miskent het hof dat ‘gevaarzetting’ en ‘hinder’ van elkaar te onderscheiden normen zijn met afzonderlijke toetsingskaders die niet op één lijn kunnen worden gesteld of gelijk aan elkaar zijn. Ter toelichting stelt het subonderdeel dat voor de beantwoording van de vraag of een bepaald handelen of nalaten wegens het gevaarzettende karakter daarvan onrechtmatig is, conform de Kelderluik-criteria (in ieder geval) belang toekomt aan de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen, terwijl de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder plaatsvindt aan de hand van de gezichtspunten de worden genoemd in het zgn. Aalscholvers-arrest:
rechtstreeksdient te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. [46] Van Acht schrijft hierover:
het verzuim van Staatsbosbeheer om tijdig de vereiste maatregelen te nemenals het onrechtmatig veroorzaken van hinder bestempelt. In het licht hiervan was er geen aanleiding om een andere toetsingsmaatstaf te hanteren dan het hof heeft gedaan. Het subonderdeel faalt.
enkeleaanwezigheid van beverdammen in een afwateringssloot waarop ook naburige percelen afwateren, levert nog geen hinder op, laat staan onrechtmatige hinder. Van dit laatste kan slechts worden gesproken indien de eigenaar/beheerder van de grond waarop beverdammen aanwezig zijn, in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval gehouden was om op een gegeven moment zodanige maatregelen te nemen dat de beverdammen voor derden geen onevenredig nadelige gevolgen zouden kunnen hebben, en nalaat deze maatregelen te nemen.
voorafgaandaan de extreme regenval in de maanden mei en juni 2016 – meebrachten dat deze niet onrechtmatig was. Aldus mist het subonderdeel feitelijke grondslag.
nadatde percelen van [eiseres] in de periode na de hevige regenval deels onder water hebben gestaan. Dat er uiteindelijk aanzienlijke schade is geleden leidt evenwel niet automatisch tot de conclusie dat Staatsbosbeheer gehouden was om eerder maatregelen te treffen.