Conclusie
Nummer22/00459
Inleiding
Het middel
Redengevende feiten en omstandigheden
Op 7 oktober 2009 heeft de verdachte een eenmanszaak opgericht; [B] (hierna: [B] ). Hij werkte vier dagen per week voor het openbaar ministerie en gaf één dag per week als zelfstandige trainingen op het gebied van financiële recherche aan verschillende overheidsinstanties, waaronder de politie. De verdachte had daarvoor toestemming gekregen van zijn werkgever.
De verdachte en [betrokkene 1] hebben elkaar ontmoet in 2010 in het kader van het [D] programma; de verdachte was daarbij betrokken als projectmanager van het openbaar ministerie en [betrokkene 1] was er bij betrokken als landelijk coördinator.
Op verzoek van [betrokkene 1] heeft de verdachte vanuit zijn onderneming [B] [betrokkene 1] op 27 mei 2010 voor het eerst een offerte gestuurd voor het geven van opleidingen bij de KMar. De verdachte heeft verklaard dat hij vanaf 2010 opleidingen heeft verzorgd voor de KMar. In de periode 2012-2014 was [B] het enige externe bureau dat financieel-economische trainingen gaf bij de KMar.
'We hebben gesproken over jouw rol als docent voor mijn opleidingen' en ‘Ik ben uiteraard erg blij met het werk welke je mijn onderneming gegund hebt. (...) Uiteraard zal ik je in goed overleg zoveel mogelijk klussen gaan gunnen.’
Op 1 maart 2013 heeft de verdachte voor het eerst een factuur van [betrokkene 1] betaald, in dat zelfde jaar ontving [betrokkene 1] van de verdachte nog drie betalingen, steeds € 1.500,- per trainingsdag.
Nadere bewijsoverwegingen
NJ1916, p. 551, het volgende: