Conclusie
Nummer21/04045
Inleiding
Het middel
20tot en met 24 oktober 2016 te [plaats], meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken met betrekking tot verdovende middelend.d. 31 oktober 2016 met nummer 2016187996. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in (blz. 50 tot en met 71):
proces-verbaal van verhoor verdachted.d. 24 oktober 2016 met nummer 1610241820.V. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in (blz. 27 e.v.):
proces-verbaal van verhoor verdachted.d. 25 oktober 2016 met nummer 2016187996. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 1 november 201 met nummer 2016187996. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in (blz. 72 tot en met 74):
als de op 1 november 2016 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1]:
proces-verbaal signalement [verdachte]d.d. 15 september 2016 met nummer 2016187996. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in (blz. 18 en 19):
proces-verbaal van verhoor getuigebij de raadsheer-commissaris d.d. 12 april 2021. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
als de op 12 april 2021 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 2]:
proces-verbaal van verhoor verdachted.d. 24 oktober 2016 met nummer 1610241820.V. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in (blz. 27 tot en met 30):
als de op 24 oktober 2016 afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:
NJ2011/382. In die zaak was ook slechts een postadres van de getuige bekend, maar hadden het hof en de politie aanzienlijke inspanningen verricht om de getuige op de terechtzitting gehoord te krijgen. Nadat de getuige – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet was verschenen op de eerste terechtzitting, heeft het hof tot twee keer toe de hernieuwde oproeping van de getuige bevolen en daarbij tevens de medebrenging gelast. Ook op deze terechtzittingen verscheen de getuige niet. Voorafgaand aan de vierde terechtzitting bezocht de politie ter uitvoering van het bevel tot medebrenging verschillende plaatsen waar de getuige mogelijk zou kunnen verblijven, maar wederom zonder succes. Het daaropvolgende oordeel van het hof dat het “onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”, heeft de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht.