Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
28 maart 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor de verkoop van cocaïne in oktober 2016.
Het geschil richt zich op het afwijzen door het hof van een verzoek tot het horen van een getuige, een klant van de verdachte, wegens onvindbaarheid binnen een aanvaardbare termijn. Het hof baseerde dit oordeel op eerdere inspanningen, waaronder een bevel tot medebrenging en contact met het bestuur van een aanloophuis waar de getuige stond ingeschreven, maar vond geen nieuwe omstandigheden die het horen alsnog mogelijk maakten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aanvullende inspanningen niet mogelijk waren, terwijl de getuige eerder wel kon worden getraceerd. De Hoge Raad benadrukt de vereisten van artikel 288 lid 1 sub a Sv Pro en het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting, waarbij het hof nader onderzoek moet doen naar de mogelijkheid om de getuige binnen een redelijke termijn te horen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.