Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Slotsom
5.Beslissing
29 maart 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het vervoeren van 287 kilogram cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen. Een belangrijk onderdeel van het geschil betrof het niet horen van zes buitenlandse getuigen uit Zuid-Afrika en de Verenigde Arabische Emiraten vanwege het onaannemelijke dat zij binnen een aanvaardbare termijn in het bijzijn van de verdediging gehoord konden worden.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 288 lid 1 sub a Sv Pro niet vereist dat de rechter bij afwijzing van getuigenverzoeken een belangenafweging moet motiveren, maar dat het voorop staat of het mogelijk is de getuigen binnen afzienbare termijn te horen. De Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd dat ondanks herhaalde rechtshulpverzoeken en pogingen, het niet aannemelijk was dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn konden worden gehoord. Tevens werd benadrukt dat de procedure als geheel moet voldoen aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
Daarnaast bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan gewoontewitwassen door het omzetten van grote contante geldbedragen via ondergronds bankieren. Het hof had vastgesteld dat verdachte en zijn mededaders contant geld overdroegen aan een onbekende derde die met tokens werkte om betalingen in het buitenland te faciliteren. De verdediging stelde dat het ontbreken van het verbergen of verhullen van de herkomst het witwassen uitsloot, maar dit werd verworpen omdat het hof aannam dat verdachte willens en wetens de criminele herkomst kende en de transacties een verhullend karakter hadden.
De zaak werd verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling van overige klachten. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren op 29 maart 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof over het niet aannemelijk zijn van het horen van buitenlandse getuigen binnen aanvaardbare termijn en de bewezenverklaring van gewoontewitwassen via ondergronds bankieren, en verwijst de zaak terug naar het hof.