Conclusie
C. [betrokkene 1] (…)
De getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn reeds gehoord bij de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de verdediging. Er is gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Er is geen noodzaak deze getuigen opnieuw te horen. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd.”
Keskin-jurisprudentie van het EHRM [2] en de naar aanleiding daarvan gewezen arresten van de Hoge Raad. [3] Een dergelijk
Keskin-geval, te weten het geval waarin de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van een getuige die (in het vooronderzoek of anderszins) een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, doet zich hier echter niet voor. De verzochte getuigen zijn immers in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord. Dat dit niet de zittingsrechter betrof, maakt dat niet anders. Dit is volgens rechtspraak van het EHRM en die van de Hoge Raad niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM Pro. [4] De crux is dat de getuige in tegenwoordigheid van de verdediging wordt gehoord, zodat de verdediging de gelegenheid heeft de getuige kritisch te ondervragen. Die gelegenheid heeft de verdediging gehad zodat het ondervragingsrecht is gerealiseerd. Het hof was dus ook niet, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, gehouden nader te motiveren waarom de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Reeds hierom faalt het middel.
Feit 2 Oplichting/fraude
Met betrekking tot het verzoek van de verdediging tot het horen van [betrokkene 4] stelt het gerechtshof vast dat uit de inhoud van het strafdossier blijkt dat [betrokkene 4] zelf bekend heeft gemaakt wat zijn functie is en concreet beschrijft wat zijn werkzaamheden zijn. Daarnaast heeft [betrokkene 4] verklaard over de geluidsopname van een gesprek. Hij verklaart dat hij het opgenomen gesprek heeft beluisterd. [betrokkene 4] heeft zelf geen contact gehad met de beller. Het verzoek van de verdediging tot het horen van deze getuige is daarom onvoldoende onderbouwd en verdachte wordt niet in zijn verdediging geschaad wanneer deze getuige niet wordt gehoord. Het gerechtshof wijst dit verzoek af.”
uitsluitendin (met vermelding van voetnoten):
Op 2 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt of het e-mailbericht van 1 juni 2015, waarin zij verzoekt de begunstigde van haar levensverzekering te veranderen, al binnen is. Ook vraagt ze of ze op de juiste wijze het rekeningnummer vanaf welke de premie moet worden betaald heeft gewijzigd. Verder vraagt ze of ze een aparte polis nodig heeft om haar partner te verzekeren. [5] [betrokkene 4] , die nadien namens Dela aangifte heeft gedaan van poging tot oplichting, verklaart over het veranderen van een begunstigde kort na het afsluiten van de verzekering dat dit vaker voorkomt in het geval de verzekering via internet wordt afgesloten. Op de website is het niet mogelijk om een afwijkende begunstiging direct op te geven. [6] De op 1 juni 2015 verzochte wijzigingen zijn op 3 juni 2015 door Dela verwerkt in de polis. [7] ” [8]
Keskin-jurisprudentie. Verschil is dat het in dit geval wél om een zogenoemd
Keskin-geval gaat. De rechtbank heeft de belastende verklaring van [betrokkene 4] tot het bewijs gebezigd, terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld die getuige te ondervragen. De verdediging heeft in hoger beroep verzocht deze getuige te (doen) horen. [9]
Keskinheeft de Hoge Raad de eisen voor de onderbouwing van dergelijke getuigenverzoeken bijgesteld. [10] Kort gezegd houdt die bijstelling in dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. [11] In die gevallen zal indringender dan voorheen de vraag onder ogen moeten worden gezien of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd.
Keskinhet belang dat de rechter, voordat hij het bewijs (mede) kan aannemen op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. [12] Bij zijn oordeelsvorming hierover dient de rechter aan te sluiten bij het ‘driestappenplan’ dat het EHRM in zijn jurisprudentie heeft uiteengezet. [13] Elke ‘stap’ betreft een aandachtspunt dat de rechter, niet noodzakelijkerwijze in de door het EHRM weergegeven volgorde, in zijn oordeelsvorming moet betrekken en dat tot afwegingen aanleiding moet geven. Die stappen (beoordelingsfactoren) zijn:
manifestly irrelevant or redundant”. [15] Het niet horen van de getuige [betrokkene 4] brengt niet mee dat de procedure niet langer voldoet aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
inzittendenvan de Toyota Ist, terwijl het niet heeft beslist op het verzoek van de verdediging tot het horen van de
tenaamgesteldevan de Toyota. Daarnaast keert de deelklacht zich tegen de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de inzittenden van de Toyota Ist. Het bevat de klacht dat het hof te ver vooruit is gelopen op hetgeen de getuigen mogelijk kunnen verklaren, door te oordelen dat een (betrouwbaar) antwoord op de vraagstelling van de verdediging gelet op de (alledaagse) aard van de gevraagde waarneming en de werking van het menselijk geheugen met dit ruime tijdsverloop onwaarschijnlijk lijkt.
1.9 Afwijzing voorwaardelijk verzoek 1, horen personen Toyota 1st
8. Overige relevante feiten en omstandigheden
Keskin-jurisprudentie. Deze klacht faalt echter op dezelfde gronden als weergegeven in het eerste middel. Dat, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, de overweging van het hof dat [betrokkene 1] niet is teruggekomen op zijn verklaring die hij op 17 januari 2017 heeft afgelegd, de door de verdediging aangehaalde inconsistenties niet wegneemt en het verzoek thans in de sleutel van (het gebrek aan) betrouwbaarheid is gezet, maakt dat niet anders.
Op 25 februari 2016 wordt getuige [betrokkene 2] gehoord. [betrokkene 2] verklaart dat hij eind 2015 [betrokkene 3] tegenkwam en dat zij hem vertelde dat verdachte het meisje had vermoord. [betrokkene 2] belde daarop naar [betrokkene 1] en vertelde hem dat hij over verdachte had gehoord dat het meisje dood was en dat verdachte dat waarschijnlijk gedaan had. [betrokkene 1] vertelde hem toen dat hij er met verdachte over had gepraat en dat verdachte zei dat hij er niets mee te maken had. [betrokkene 1] dacht echter dat verdachte er wel wat mee te maken had want in een gesprek tussen [betrokkene 1] en verdachte had verdachte iets laten doorschemeren: “Dit meisje gaat waarschijnlijk verdwijnen.” [betrokkene 1] zei tegen [betrokkene 2] dat hij denkt dat verdachte ‘het gedaan heeft.’
Keskin-jurisprudentie. Kern van de klacht is dat het hof door het gebruiken van de verklaring van [betrokkene 2] , materieel gezien wel degelijk de verklaring van [betrokkene 3] heeft gebruikt. Daarmee zou niet alleen de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek onbegrijpelijk zijn maar ook de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed. Ook deze klacht faalt en leidt in elk geval bij gebrek aan rechtens te respecteren belang niet tot cassatie, en wel vanwege het volgende.
Als je 250.000 euro zou kunnen verdienen, maar je moest 4 jaar weg, zou je dat doen?” En: “
Ik vroeg “Meen je dat? ”, hij reageerde hierop door “ja ” te zeggen.” En tot slot dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat het voor haar duidelijk was dat hij met ‘weg’ de gevangenis bedoelde. Zoals gezegd heeft het hof die verklaring
nietgebruikt.
dit meisje gaat waarschijnlijk verdwijnen”. Anders gezegd: ook met weglating van het in cassatie aangevallen deel van de verklaring van [betrokkene 2] over [betrokkene 3] wordt de bewijsvoering niet (wezenlijk) aangetast.
hij in de periode van 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015, in Suriname, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon, te weten [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte
1. Feitelijke vaststellingen gebeurtenissen en onderzoek 25 tot en met 29 juni 2015
Verdachte heeft op 29 juni 2015 om 12:14 uur een screenshot van dit gesprek gemaakt.
”
Uit onderzoek door de Surinaamse politie blijkt dat een gelijkluidend (Surinaams) kenteken is afgegeven aan een witgelakte Toyota 1st. Verdachte heeft verklaard dat toen hij met [slachtoffer] op de plek bij de rivier was, daar eerst nog een ander stelletje was, rijdend in een witte Toyota 1st, welke Toyota na een half uurtje was vertrokken.46 Het hof concludeert op grond van voorgaande dat verdachte toen hij met [slachtoffer] op de plek bij de rivier was, het kenteken heeft genoteerd van de auto die daar aanvankelijk tegelijkertijd aanwezig was.
.
”
2.Tussenconclusie hof
3.Relatie [slachtoffer] en verdachte
4.Financiële kant relatie [slachtoffer] en verdachte
”
Ook informeert verdachte naar de mogelijkheid om elkaars premies van de overlijdensrisicoverzekering te betalen zodat in geval van uitkering geen sprake is van belastingheffing over het uit te betalen bedrag.
6.Verklaringen verdachte
. Op het moment dat verdachte en [slachtoffer] over die brug gingen, wilde [slachtoffer] onderaan die brug afslaan om naar de rivier te gaan. Verdachte verklaarde dat hij toen vroeg:Weet je zeker dat we hier kunnen rijden? Want dat er overal die gaten...
Maar dat hij inmiddels in de verte wel een auto zag.Eentje had de lampen nog een beetje aan
. Verdachte dacht toen:Okay, die, dus je kan daar wel komen met de auto
. In zijn derde verhoor in november 2015 in Nederland verklaart verdachte opnieuw dat [slachtoffer] over de brug wilde rijden en nog even langs het water met verdachte wilde praten en romantisch zijn. Dat verdachte richting Havana Lounge reed en dat het toen echt zo was van..Weet je wat we doen? Laten we even naar de overkant rijden en eh, dan kunnen we nog eventjes naar beneden... Dan wil ik je wat laten zien. Dan kunnen we even beneden daar gaan praten. En weet je, ik wil even tijd met jou hebben. Ik zeg: nou natuurlijk, geen probleem.
Aldus verdachte was dat net voor de rotonde, en Havana Lounge was 500 meter verderop. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] zei dat ze over de brug heen iets wilde laten zien. Dat [slachtoffer] bij de brug zei:ga hier rechtsaf. Ja ben je gek geworden? Dat is gewoon een soort van berm, waar je dan doorheen gaat. Zegt ze: nee, nee, komt goed, ga daar maar af. Dus nou, ik eraf en... Ja, ik had een kleine... een soort ja, Toyota Aygo idee zeg maar, zo'n klein autootje had ik bij me. Nou dat, het is best nat, regenseizoen, dus ja, je moet je moet rekening houden dat je niet ergens vast komt te zitten. En eh, op een gegeven moment echt wel diepe kuilen, dus het is manoeuvrerend richting het water en het was donker. Dus eh, uiteindelijk zegt ze: nee je kan gewoon doorrijden, je kan daar gewoon parkeren. Er staan meer auto ’s daar en ook wel vissers. Dus oké
. Verdachte verklaart dat hij er niet eerder was geweest en dat [slachtoffer] er vast wel eerder is geweest, dat zij het hem anders niet op die manier kon uitleggen toch?
7.Conclusies hof
9.Conclusies hof
was, aldus [betrokkene 13] .
zou zijn, zegt verdachte bij de rechtbank tot slot dat hij daar niet is geweest. Zowel [betrokkene 13] als [betrokkene 8] zijn in hoger beroep op dit punt als getuige bevraagd en hebben bevestigd dat verdachte hen op de plek onder die brug heeft gebracht. Het hof heeft geen aanleiding aan die verklaringen te twijfelen. [betrokkene 8] bevestigt daarbij ook dat verdachte haar heeft gezegd dat zij zich vergist en aldaar niet was geweest. Dat maakt het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van haar verklaring over haar bezoek aan de plek niet anders.
) en gelet op het uitblijven van een verklaring van verdachte waaruit anders zou blijken, beschouwt het hof deze notitie, de foto’s van [slachtoffer] met de flesjes rum en het screenshot van voornoemd gesprek, in samenhang beschouwd, als gemaakt om zijn alternatieve scenario op een later moment zo nodig te kunnen onderbouwen. Door de verdediging is naar voren gebracht dat als verdachte deze foto’s en notitie inderdaad om die reden had gemaakt hij het bestaan hiervan in zijn eerste verhoren wel kenbaar had gemaakt, maar dat hij dit niet heeft gedaan. Het hof duidt dit niet direct inbrengen, maar het achter de hand houden, echter als in lijn met de eerdere constatering dat verdachte vaker pas op een laat moment komt met stukken ter onderbouwing van delen van zijn verklaring. Dat verdachte geen beroep heeft gedaan op deze notitie of op de foto’s en het screenshot, maakt de conclusie dat hij bij het maken hiervan de bedoeling had om zijn alternatieve scenario vast te leggen daarom niet anders.
niet dáárop die plek kon zwemmen en ook sprake is geweest van een taalbarrière waardoor het verkeerd is opgeschreven door de verbalisanten. Dat drie
Surinaamseverbalisanten de verklaring van de verdachte in verschillende bewoordingen hebben genoteerd, maakt nog niet dat de taalbarrière niet aannemelijk is geworden. Voor zover het hof de verklaringen van de verdachte heeft aangemerkt als kennelijk leugenachtig, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat niet zonder meer begrijpelijk, nu dat oordeel slechts is gestoeld op verklaringen van de verdachte zelf ten overstaan van Surinaamse verbalisanten en niet, zoals vereist, op andersoortige bewijsmiddelen. Daarenboven volgt uit het afleggen van genoemde tegenstrijdige verklaringen nog niet zonder meer dat deze zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen.
een of meer vormen van geweld”, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt en dat het oordeel dat het ombrengen van [slachtoffer] niet anders kan hebben plaatsgevonden dan door een of meer vormen van geweld, niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 4] waarin staat dat volgens de patholoog [betrokkene 15] “
er geen mechanische letsels waren. In ieder geval werd stomp geweld, schot en of steekgeweld uitgesloten (…)”. Dit zou tegenstrijdig zijn met hiervoor bedoeld oordeel van het hof en de overweging dat de mate van ontbinding van het lichaam en de eerste sectie het onderzoek hebben bemoeilijkt en afwezigheid van beschadiging aan het strottenhoofd geweld op de hals niet uitsluit. Dat geweld niet kan worden uitgesloten, betekent nog niet dat daarmee wettig en overtuigend is bewezen dat geweld heeft plaatsgevonden, aldus de toelichting op de klacht. Ook zou niet uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte [slachtoffer] heeft ‘meegenomen’, ‘heeft gewacht tot ze alleen waren’ en dat verdachte [slachtoffer] ‘in het water heeft doen belanden’. Tot slot is de bewezenverklaring van ‘doen belanden’ niet te verenigen met de bewezenverklaring van de bestanddelen 'opzettelijk' en 'met voorbedachten rade' omdat het ‘doen belanden’ de strafrechtelijke deelnemingsvorm van doen plegen zou impliceren. In elk geval blijkt niet wie of wat door de verdachte zou zijn ingeschakeld of zou zijn toegepast om [slachtoffer] in het water
te doenbelanden.
dat zij er straks niet meer is”.
circumstantial’ bewijsmateriaal gebogen over de vraag welk scenario de ware toedracht weerspiegelt: ging het om een noodlottig ongeval zoals de verdachte aanvoert of heeft hij het slachtoffer om het leven gebracht? Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof verschillende omstandigheden moeten wegen op de mate waarin die omstandigheden kunnen worden verklaard door de twee in aanmerking genomen scenario’s. Telkens is het hof voldoende ingegaan op hetgeen de verdediging te berde heeft gebracht en heeft het inzichtelijk gemaakt waarom het tot een bepaald oordeel is gekomen. De diverse vaststellingen van het hof vinden steun in bewijsmiddelen. Dat de verdediging erin slaagt aan bepaalde omstandigheden een andere uitleg te geven dan het hof voorstaat, betekent nog niet dat het oordeel van het hof daarmee onbegrijpelijk zou zijn.
Weet u wel te zwemmen?” het antwoord “
ja” geeft.
sprake is van overlijden vermoedelijk ten gevolge van verstikking en gevolge van verdrinking”. Volgens het hof moeten de conclusies van deskundigen Van de Goot, Soerdjbalie-Maikoe en Lunetta worden gevolgd, die kort gezegd inhouden dat een doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld. Het hof heeft als bewijsmiddel echter opgenomen een proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 4] die (onder andere) relateert dat patholoog [betrokkene 15] een obductie heeft verricht waaruit is gebleken dat “
mogelijk verstikking de doodsoorzaak [was], doch dat het niet met zekerheid kon worden vastgesteld.”
Door de verdediging is aangevoerd dat uit de verrichte secties op het lichaam van [slachtoffer] geen sporen van geweld zijn aangetroffen. Op zichzelf is dat juist. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de mate van ontbinding van het lichaam en de eerste sectie het onderzoek substantieel hebben bemoeilijkt. Bovendien sluit afwezigheid van (bijvoorbeeld) beschadiging aan het strottenhoofd geweld op de hals beslist niet uit.” Voor het overige is de deelklacht, gelet op hetgeen ik hierboven voorop heb gesteld, kansloos voorgesteld. De aangevallen overwegingen van het hof vinden voldoende steun in de hierboven geciteerde bewijsmotivering. Daarbij merk ik nog op dat een precieze en exacte geweldshandeling niet hoeft te worden vastgesteld om tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.
8.5 Instrueren en beïnvloeden [betrokkene 8]
10.Overwegingen met betrekking tot feit 2
indienenvan een aanvraag tot uitkering – nog geen begin van uitvoering betreffen, en hoogstens kunnen worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen. Dat laatste is niet strafbaar. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat het niet zo gek is dat de verdachte 29 juni 2015 als datum van overlijden opgaf, omdat het slachtoffer die dag is gevonden en voor hem toen pas zeker was dat zij was overleden. Tot slot is aangevoerd dat de stelling dat de verdachte had moeten mededelen dat hij aanwezig was bij het te water raken van het slachtoffer en daarin een rol van betekenis had gespeeld, ‘absurd’ is. Gelet op de feitelijke gang van zaken in Suriname, waarbij het onderzoek op 29 juni 2015 door de Surinaamse politie was afgesloten, mocht de verdachte ervan uitgaan dat hij geen onderwerp (meer) was van een strafrechtelijk onderzoek.
volledigspreken van de waarheid, een passieve handeling, zou geen verstrekken behelzen, aldus de stellers van het middel. Daarnaast is de bewezenverklaring van het opzettelijk onjuist verstrekken van het gegeven dat het slachtoffer op 29 juni 2015 op een voor de verdachte onbekend tijdstip is overleden tegenstrijdig met de bewezenverklaring van feit 1, te weten dat de moord is gepleegd in de periode van 25 juni tot en met 29 juni 2015. Ook volgt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte opzet heeft gehad op het niet naar waarheid verstrekken van het gegeven dat het slachtoffer
vermoedelijkop 26 juni 2015 is overleden, aangezien het verliezen van een persoon in de rivier niet zonder meer meebrengt dat diegene dan ook vermoedelijk is overleden. Ook verdraagt het
opzettelijkniet naar waarheid verstrekken zich niet met het uiten van een
vermoeden. Tot slot wordt omstandig aangevoerd dat sprake is van schending van het nemo teneturbeginsel, aangezien het door het hof gemaakte verwijt erop neerkomt dat de verdachte strafbaar is omdat hij niet heeft gemeld dat hij aanwezig is geweest bij het overlijden van het slachtoffer en daarin een rol heeft gespeeld.
enig momentin de periode van 25-29 juni 2015 heeft plaatsgevonden. De verdachte, als verantwoordelijke, zou dit moment moeten kennen. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof ervan uitgaat dat dit eerder 26 juni, het moment dat het slachtoffer te water is geraakt, dan op 29 juni, het moment waarop het lichaam is gevonden, zal zijn geweest.