ECLI:NL:PHR:2023:15

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
27 december 2022
Zaaknummer
21/04782
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatiepoging tegen veroordeling poging tot doodslag na uit de hand gelopen drugsdeal met schietpartij

In de zaak van verdachte, geboren in 1996, gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat hem veroordeelde tot zes jaar en vier maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en wapengebruik.

De zaak betreft een uit de hand gelopen drugsdeal op een carpoolplaats, waarbij een vuurgevecht ontstond tussen verdachte, het slachtoffer en meerdere medeverdachten. De verdediging stelde dat sprake was van een ripdeal, een poging tot afpersing, en dat verdachte zich had verdedigd met een beroep op noodweer. Het hof verwierp dit standpunt en kwalificeerde de gedragingen van verdachte als aanvallend.

De advocaat-generaal concludeert dat het hof het beroep op noodweer begrijpelijk en toereikend gemotiveerd heeft verworpen, mede omdat de gedragingen van verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend moeten worden gezien. Het cassatieberoep faalt, mede omdat de bewezenverklaring van poging tot doodslag niet onbegrijpelijk is en de motivering van het hof voldoende is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zes jaar en vier maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag wordt in stand gelaten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04782

Zitting10 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 15 november 2021 de verdachte wegens “
poging tot doodslag, meermalen gepleegd” en “
het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en vier maanden. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaak met nummer 21/04756 van [betrokkene 1] , een van de slachtoffers van de verdachte in deze zaak. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

4. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag en bevat een klacht over de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat sprake was van een poging tot een zogenoemde ‘ripdeal’ op de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] (waartegen de noodzakelijke verdediging was geboden). Het tweede middel komt op tegen de verwerping van het beroep op noodweer met betrekking tot de onder feit 2 bewezen verklaarde poging tot doodslag. Gelet op de onderlinge verwevenheid van deze middelen, lenen zij zich voor gezamenlijke bespreking.
De bewezenverklaring, de bewijsvoering en de verwerping van het beroep op noodweer
5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

hij in de nacht van 10 op 11 maart 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 4] en [betrokkene 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere malen in de richting van die [betrokkene 4] en die [betrokkene 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6. De bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt (met weglating van voetnoten):
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend moet worden bewezen geacht dat sprake is geweest van een door de verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] bekokstoofde ripdeal die is geëindigd in een schietpartij waarbij ook verdachte heeft geschoten. Daartoe hebben zij gewezen op de verklaring van [verdachte] , die van een ripdeal rept, en op diverse feiten en omstandigheden die als steunbewijs kunnen dienen voor die lezing van [verdachte] . Nu niet is vast te stellen van wie het dodelijke schot afkomstig is geweest, hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat een voltooide (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] niet kan worden bewezen verklaard. Volgens de advocaten-generaal kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] en een poging tot doodslag op [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] , een en ander zoals ten laste is gelegd onder feit 2 subsidiair en onder feit 3[AG: bedoeld zal zijn: respectievelijk feit 1 subsidiair en feit 2]
. Anders dan de rechtbank hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Voorts kan bewezen worden verklaard dat verdachte die bewuste nacht een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat hij heeft gehandeld in cocaïne in de ten laste gelegde periode.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. (…) Voor wat betreft feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd met dien verstande dat aan verdachte een geslaagd noodweerberoep toekomt zoals door de rechtbank is aangenomen. De verdediging heeft zich tevens aan het oordeel van het hof gerefereerd voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde vuurwapenbezit. Tot slot heeft de verdediging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu uit het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor dergelijke handel voorhanden is.
Het oordeel van het hof over de feiten
Ten aanzien van feiten 1 en 2
Deze zaak betreft – kort gezegd – een vuurgevecht op en carpoolplaats dat heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] . Zoals hierna nog nader zal blijken, wordt de vaststelling van de feiten, bemoeilijkt doordat de verklaringen van de betrokkenen op diverse wezenlijke onderdelen uiteenlopen terwijl forensische gegevens slechts in beperkte mate uitsluitsel bieden. Het hof is daarom uiterst behoedzaam omgegaan met de verklaringen van ieder van de verdachten, met name voor zover daarin anderen worden belast, en heeft daarbij gekeken naar andere, meer objectieve bewijsmiddelen die onderdelen van de verklaringen kunnen ondersteunen om die onderdelen daarmee aan het bewijs van het tenlastegelegde te laten bijdragen.
Het hof geeft hieronder 1.) eerst een inleiding over de toedracht van hetgeen zich heeft afgespeeld in de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 bij de carpoolplaats te [plaats] . Daarna volgt de bespreking van de ten laste gelegde feiten aan de hand van aantal onderwerpen in de volgorde die het hof het beste voorkomt. Dat zijn in het bijzonder de vragen 2.) of bewezen is dat – kort gezegd – sprake was van een poging tot een ripdeal door de medeverdachten, 3.) of bewezen is dat verdachte zelf heeft deelgenomen aan het vuurgevecht, 4.) of hij, al dan niet samen met anderen, met een vuurwapen of vuurwapens heeft geschoten op [slachtoffer] en de medeverdachten met het (voorwaardelijk) opzet op hun dood en 5.) of bewezen is dat verdachte, al dan niet samen met anderen, de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
1.) Inleiding
In de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 vond op een carpoolplaats langs de Rijksweg A50 bij [plaats] een vuurgevecht plaats. Tijdens dit vuurgevecht waren de verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 1] en [verdachte] en het slachtoffer [slachtoffer] op de carpoolplaats aanwezig. De reden voor hun aanwezigheid hield verband met de afwikkeling van een drugsdeal tussen aan de ene kant [slachtoffer] en [verdachte] en aan de andere kant [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] . Op de carpoolplaats hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 1] (de beoogde kopers) plaatsgenomen op de achterbank van de auto waarin [slachtoffer] en [verdachte] (de beoogde verkopers) kort daarvoor waren aangekomen. [slachtoffer] was de bestuurder en [verdachte] was de bijrijder in de auto. [betrokkene 4] is achter [slachtoffer] gaan zitten en [betrokkene 1] achter [verdachte] . Niet gebleken is dat [slachtoffer] over een wapen beschikte. De drie andere inzittenden beschikten wel over een wapen. De afwikkeling van de drugsdeal in de auto heeft geleid tot een worsteling tussen (in ieder geval) [verdachte] en [betrokkene 1] . Daarbij is het pistool van [betrokkene 1] op een gegeven moment afgegaan. Alle inzittenden hebben de auto daarop aan de linkerzijde verlaten. Buiten de auto is een kortdurend handgemeen ontstaan tussen [betrokkene 4] en [slachtoffer] . Het hof leidt uit de verklaringen af dat [slachtoffer] kort na het staken van het gevecht met [betrokkene 4] enige tijd in dezelfde richting als [verdachte] achter [verdachte] heeft gerend. [slachtoffer] en [verdachte] zijn van de carpoolplaats weggerend. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] zijn in de tegengestelde richting van de auto af de carpoolplaats op gerend. Er is op dat moment min of meer gelijktijdig over en weer geschoten. Het lichaam van [slachtoffer] is later dood aangetroffen. Er is op dat moment min of meer gelijktijdig over en weer op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is getroffen.
2.) Was sprake van een poging tot een ripdeal?
Onderdeel van het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan deze zaak is dat er sprake zou zijn geweest van – kort gezegd – een poging tot een ripdeal door de medeverdachten. [verdachte] heeft verklaard dat hij en [slachtoffer] kort na het instappen van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] door [betrokkene 1] zouden zijn bedreigd met een vuurwapen en dat ze van hem hun zakken moesten leegmaken. Volgens de verdediging klopt dat niet. Volgens de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] was het [verdachte] die zijn vuurwapen pakte toen [betrokkene 1] zei dat hij niet zou betalen omdat het niet om de eerder geteste cocaïne ging.
Het hof stelt voorop dat voor het bewijs van een poging tot afpersing de verklaring van [verdachte] als beslissend moet worden aangemerkt. Aan de verklaring kleeft echter een aantal belangrijke gebreken.
Vaststaat in de eerste plaats dat [verdachte] op een aantal zeer essentiële onderdelen leugenachtig heeft verklaard. Zo heeft [verdachte] in eerste instantie, tegen, beter weten in, ontkend dat hij die bewuste nacht zelf ook heeft geschoten en heeft hij ten behoeve van het onderzoek naar zijn rol bovendien bewust andere kleding aan de politie overhandigd dan de kleding die hij die bewuste nacht droeg. Deze gebreken nopen tot het betrachten [van] uiterste behoedzaamheid ten aanzien van de waarheidsgetrouwheid van de rest van zijn verklaring. Ter terechtzitting in hoger beroep is [verdachte] niet verschenen, zodat het hof [verdachte] ook niet zelf heeft kunnen ondervragen ter beoordeling van de waarheidsgetrouwheid van zijn verklaring. Om de verklaring van [verdachte] desalniettemin als voldoende waarheidsgetrouw, aan te kunnen merken dient naar het oordeel van het hof sprake te zijn van voldoende (objectief) steunbewijs. Daarvan is het hof echter niet gebleken, zoals hieronder – aan de hand van de door de rechtbank en de advocaten-generaal vermelde punten – wordt toegelicht.
-
Op 9 maart 2017 en 10 maart 2017 hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 4] elkaar berichten gezonden. Daarin communiceren zij over – kort gezegd – ‘een Turk waar je makkelijk 100 van kan pakken’ en dat [betrokkene 4] dat niet kan doen. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben verklaard dat deze berichtenwisseling niet gaat over het rippen van [slachtoffer] . Naar het oordeel van het hof valt het standpunt van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] niet uit te sluiten. Het kan – zoals ter zitting naar voren is gekomen – zowel gaan om rippen als om kopen/aanschaffen. Deze omstandigheid levert noch op zich, noch in combinatie met andere omstandigheden naar het oordeel van het hof voldoende ondersteuning op. De inhoud van de berichtenwisseling levert noch op zichzelf noch in combinatie met andere omstandigheden naar het oordeel van het hof voldoende ondersteuning op.
-
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [slachtoffer] is aangetroffen met zijn broekzakken naar buiten gekeerd. Niet is vast komen te staan of dat bij de gedragingen in de auto is gebeurd of nadat hij aan de schotverwonding was bezweken.
-
De omstandigheid dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] vuurwapens bij zich hadden levert eveneens onvoldoende ondersteuning op. Het valt niet in te zien waarom zij die niet om dezelfde reden bij zich zouden hebben gehad als [verdachte] , die als verklaring geeft dat men ‘het’ niet vertrouwde, zoals het hof hun verklaringen begrijpt.
-
Het feit dat de telefoons van [slachtoffer] niet op de plaats delict zijn aangetroffen maar op een locatie waar [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] na het vuurgevecht zijn langsgereden levert noch op zichzelf, noch in combinatie met ander bewijsmateriaal naar het oordeel van het hof voldoende ondersteuning op, alleen al omdat daarmee niet gezegd is dat tevoren sprake was van een voornemen tot een ripdeal.
Naar het oordeel van het hof vindt de verklaring van [verdachte] niet alleen onvoldoende ondersteuning in ander bewijsmateriaal, maar er is ook sprake van een aantal contra-indicaties. Het hof neemt met name in aanmerking dat voorafgaand aan de drugsdeal meerdere afspraken tussen de betrokkenen hebben plaatsgevonden waarbij niet steeds dezelfde personen aanwezig zijn geweest. Dit had wel voor de hand gelegen als men op voorhand het plan had opgevat om [slachtoffer] en [verdachte] te beroven. Zo zijn [betrokkene 4] en [betrokkene 1] op enig moment die avond, nadat zij even daarvoor een monster van de cocaïne hadden afgenomen, met een vriend van [betrokkene 4] op pad gegaan om de deal af te ronden, hetgeen uiteindelijk niet is gelukt omdat men niet tot een concrete afspraak kwam omtrent de plaats van levering. Op dat moment zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 3] thuis bij de vriendin van deze vriend gebleven in afwachting van de terugkeer van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] .
Het bovenstaande in samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat de verklaring van [verdachte] als onvoldoende waarheidsgetrouw moet worden aangemerkt voor zover hij heeft verklaard dat sprake was van een voornemen tot een ripdeal en van de dreiging met geweld welke als eerste zou zijn uitgegaan van de kant van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] . Anders dan de rechtbank en de advocaten-generaal gaat het hof dan ook niet uit van het zogenaamde ripdealscenario.
3.) Wie namen deel aan het vuurgevecht?
Uit het dossier leidt het hof het volgende af over de aanwezigheid en het gebruik van vuurwapens door de verschillende betrokkenen die bewuste nacht. Er is gedurende het onderzoek geen enkel vuurwapen aangetroffen.
-
[betrokkene 4]: [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard en daarna diverse malen herhaald (waaronder bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris in het kader van de vordering tot inbewaringstelling) dat hij na het gevecht met [slachtoffer] zijn revolver heeft gebruikt om daarmee meerdere keren te schieten. Door het gebruik van een revolver zijn er geen hulzen achtergebleven op de plaats delict. Het forensisch onderzoek heeft geen bevindingen kunnen opleveren over (de frequentie van) het schieten door [betrokkene 4] . De verklaring van [betrokkene 4] wordt bevestigd door de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , die daarvan niet in latere verklaringen zijn teruggekomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft [betrokkene 4] echter ontkend dat hij heeft geschoten en heeft hij gesteld dat hij zijn revolver enkel op [verdachte] heeft gericht. Het hof acht die latere verklaringen ongeloofwaardig onder meer op basis van de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , waarin ook specifiek wordt gesproken over mondingsvuur in de nabijheid van een voorwerp dat [betrokkene 4] vasthield.
-
[betrokkene 1]: [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een Glock-pistool aangereikt heeft gekregen van [betrokkene 3] toen zij op weg waren naar de carpoolplaats. De vijf hulzen van het kaliber 9 mm Parabellum die op de carpoolplaats en de huls in de auto van [slachtoffer] , zijn vermoedelijk verschoten met een pistool van het kaliber 9 mm Parabellum van het merk Glock, aldus het forensisch rapport. [betrokkene 1] heeft ook verklaard dat het Glock-pistool is afgegaan, zowel in de auto als daarbuiten. Dat brengt met zich dat [betrokkene 1] buiten de auto in ieder geval vijf keer heeft geschoten.
-
[verdachte]: [verdachte] heeft verklaard dat hij die avond een Tokarev-pistool voorhanden heeft gehad en daarmee heeft geschoten. De vijf hulzen van het kaliber 7.62 mm Tokarev die op de carpoolplaats zijn aangetroffen, zijn vermoedelijk verschoten met een Tokarev of een daarvan afgeleid pistool, aldus het forensisch rapport. Dat brengt met zich dat [verdachte] buiten de auto in ieder geval vijf keer heeft geschoten.
-
[betrokkene 2] en [betrokkene 3]: Uit de aanvankelijke verklaringen van [betrokkene 4] en [verdachte] zou kunnen worden afgeleid dat ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de carpoolplaats vuurwapens voorhanden hebben gehad en hebben gebruikt. Volgens die verklaringen zou [betrokkene 2] dekking hebben gegeven en zou [betrokkene 3] ook daadwerkelijk hebben geschoten. Zowel [betrokkene 4] als [verdachte] is echter teruggekomen van zijn verklaringen op dit punt. In het dossier is geen ondersteunend bewijs voorhanden op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de carpoolplaats buiten de auto waarmee zij daar naartoe waren gekomen, vuurwapens voorhanden hebben gehad en hebben gebruikt. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de carpoolplaats een vuurwapen voorhanden hebben gehad en hebben gebruikt.
4.) Het verloop van het vuurgevecht
Uit het dossier leidt het hof het volgende af over de richting waarin is geschoten door de verdachten die een vuurwapen voorhanden hebben gehad.
-
[betrokkene 4]: Hierboven heeft het hof reeds aangesloten bij de eerdere verklaringen van [betrokkene 4] dat hij heeft geschoten. [betrokkene 4] heeft daarbij ook nog verklaard dat hij meerdere keren in de richting van [slachtoffer] en [verdachte] heeft geschoten.
-
[betrokkene 1]: [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij heeft geschoten in de richting van [verdachte] . Ondersteuning daarvoor ziet het hof nog in het in de hand van [verdachte] aangetroffen manteldeel dat waarschijnlijk afkomstig is van een patroon van het kaliber 9 mm Parabellum, welk patroon is gefragmenteerd na een eerste impact op een ander object. [slachtoffer] heeft na het verlaten van de auto enige tijd in de richting en nabijheid van [verdachte] gerend. Het hof leidt daaruit af dat [betrokkene 1] ook in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten.
-
[verdachte]: [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn wapen heeft gepakt en dat het slechts een paar seconden duurde om het wapen te laden en om er vervolgens mee te schieten. Hij schoot al rennend in de richting van de auto van [slachtoffer] . [betrokkene 4] en [betrokkene 1] zijn in de tegenovergestelde richting van [verdachte] gelopen en zij bevonden zich daarmee in het verlengde van de auto van [slachtoffer] . Het hof stelt vast dat [verdachte] daarmee in de richting van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] heeft geschoten. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudend dat hij door het schieten niet bewust in de richting van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] heeft geschoten, acht het hof niet aannemelijk.
Uit hetgeen het hof hiervoor uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid blijkt dat verdachte met een vuurwapen meerdere keren in de richting van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] heeft geschoten. Het met een vuurwapen schieten in de richting van personen levert de aanmerkelijke kans op dat die personen geraakt zullen worden door één van de kogels uit dat vuurwapen met als gevolg dat zij komen te overlijden. Het schieten met vuurwapens in de richting van personen kan naar het oordeel van het hof naar zijn uiterlijke verschijningsvorm dan ook niet anders worden aangemerkt dan als zozeer gericht op het (pogen tot het) doden van die personen dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Uit de richting, de manier waarop en uit de reden waarom verdachte heeft geschoten, alsmede uit de frequentie van het schieten, zoals van een en ander uit de bewijsmiddelen blijkt, leidt het hof af dat verdachte het voor (poging tot) doodslag vereiste opzet op de dood van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] had. Dit leidt ertoe dat feit 2 naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen is.
7. Het hof heeft onder meer de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd, zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest:

3. eenproces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 858, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent bij politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 15 november 2017, als bijlage op pagina’s 310-317, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – alsverklaring van verdachte [betrokkene 1]:
(…) Ik wilde drugs kopen. [betrokkene 4] had iemand die drugs verkocht.
(…) [betrokkene 4] kreeg een berichtje dat we naar de carpoolplaats konden komen (…) [betrokkene 3] gaf mij toen een wapen. Het was een zwart handwapen, een 9mm pistool. Ik zag een Seat op de carpoolplaats komen. Toen die stopte, liepen [betrokkene 4] en ik naar de Seat toe. Ik stap achter de bijrijdersstoel in (het hof begrijpt uit bewijsmiddel 9: achter [verdachte] ) en [betrokkene 4] achter [slachtoffer] (het hof begrijpt uit bewijsmiddel 9: achter de bestuurdersstoel). [verdachte] draaide zich om, pakte de drugs en gaf die aan mij. Dit was andere drugs. Ik zei dat ook.
(…) [verdachte] zei dat ik moest betalen. [verdachte] zat omgedraaid naar mij toe. [verdachte] zette zich af en kwam op de achterbank terecht. Ik pakte mijn pistool. Ik wilde [verdachte] bang maken. [verdachte] pakte toen mijn wapen vast. We waren samen aan het struggelen. Heen en weer getrek. Ik hoorde de deuren van de auto opengaan. Dit waren de deuren van [slachtoffer] en [betrokkene 4] . Er viel een schot. Dat kwam volgens mij van mijn wapen. Ik voelde namelijk mijn rechterhand trillen. Op dat moment keek ik of ik geen schotwond had. Dit deed [verdachte] ook. Daarna stapte [verdachte] uit het linkerachterportier en ging linksaf. Ik stapte daarna via hetzelfde portier uit en ging rechtsaf. [betrokkene 4] stond met [slachtoffer] te vechten ter hoogte van de linkervoorzijde. [verdachte] schoot in de richting van mij. Ik keek in zijn richting, zag een vuurvlam en hoorde een schot. Ik schoot richting [verdachte] . Ik schat dat ik 3 à 4 keer schoot. [verdachte] schoot ook steeds. Ik zag dat [betrokkene 4] ook in de richting van [verdachte] schoot. [slachtoffer] rende achter [verdachte] aan en er werd nog steeds geschoten.
Opmerking verbalisant: situatie net na uitstappen uit de Seat van [betrokkene 1]
Vraag verbalisanten: hoe weet jij dat [verdachte] schoot?
(…)
Antwoord verdachte: ik zag flitsen op mij afkomen en [verdachte] stond daar. Ik schoot in de richting van [verdachte] .
Opmerking verbalisant: situatie op het moment dat jij schoot.
Vraag verbalisant: er vielen meer schoten?
Antwoord verdachte: Op dat moment schoten [verdachte] en [betrokkene 4] . Er was verder niemand die een vuurwapen had. [betrokkene 4] had een revolver. [slachtoffer] had geen wapen. [slachtoffer] rende in de richting van [verdachte] .
(…)
Ik schoot richting [verdachte] .
4. eenproces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 234, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent bij politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 1 april 2017, als bijlage op pagina’s 60-70, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – alsverklaring van verdachte [betrokkene 4]:
(…) Ik ben naar de carpoolplaats gereden (…). [slachtoffer] kwam aangereden. [betrokkene 1] stapte in de auto in achter [verdachte] . Ik stapte achter [slachtoffer] in. [verdachte] pakte die 100 gram. [betrokkene 1] zag dat dit andere coke was. [betrokkene 1] zei dit tegen [verdachte] en ze kregen ruzie. Het was een ruzie tussen [verdachte] en [betrokkene 1] . [verdachte] zat half gedraaid tussen de voorstoelen. [betrokkene 1] schoot vervolgens tussen de voorstoelen door en pakte [verdachte] vast. [verdachte] zette zich af tegen het dashboard en kwam tussen de voorstoelen door op de achterbank terecht. Hij kwam op [betrokkene 1] terecht. Hierna was het echt worstelen op de achterbank. Dan valt er een schot.
(…)
[slachtoffer] sprong uit de auto. Daarna sprong ik ook uit de auto. [slachtoffer] sloeg mij. Ik heb mij afgeweerd. [slachtoffer] liet mij toen los. Toen [slachtoffer] mij losliet waren [betrokkene 1] en [verdachte] uit de auto. Ze hadden allebei een vuurwapen. Af en toe viel er een schot. [betrokkene 1] rende weg. Hij keerde zich nog een keer om en vuurde in de richting van [verdachte] of [slachtoffer] . Ik merkte dat er vanaf [slachtoffer] op mij werd geschoten. Ik weet niet wie er schoot want [slachtoffer] en [verdachte] stonden naast elkaar. Ik heb teruggevuurd. Ik had een revolver. Ik schoot een aantal keer. [verdachte] vuurde vanachter [slachtoffer] richting [betrokkene 1] . [slachtoffer] en [verdachte] liepen achteruit richting de bosjes bij de in-/oprit van de carpoolplaats.
6. eenproces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 270, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent bij politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 5 april 2017, als bijlage op pagina’s 85-91, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - alsverklaring van verdachte [betrokkene 4]:
(…) Opmerking verbalisant: we willen met jou doornemen wat er is gebeurd vanaf het moment dat [slachtoffer] en jij elkaar troffen nadat jullie uit de Seat waren gevlucht.
(…)
Antwoord verdachte: Op het moment dat ik [slachtoffer] tref zijn [verdachte] en [betrokkene 1] nog in de auto op de achterbank. Op het moment dat [slachtoffer] mij losliet, zie ik [verdachte] en [betrokkene 1] ter hoogte van het linkerachterportier van de Seat. Ik zag bij hen een wapen in hun hand. Er wordt gericht op mij geschoten. Ik hoorde kogel voor mijn hoofd langs fluiten. [slachtoffer] en [verdachte] stonden bij elkaar. Ik trok mijn wapen en schoot terug. Naar mijn weten schoot ik twee keer. [betrokkene 1] schoot op dat moment ook. Hij schiet op dat moment één keer gericht in de richting van [verdachte] en [slachtoffer] . [verdachte] mikte op [betrokkene 1] . [slachtoffer] stond voor [verdachte] .
7. eenproces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 820, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent bij-politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 18 september 2017, als bijlage op pagina’s 135-142, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - alsverklaring van medeverdachte [betrokkene 4]:
(…)
Antwoord verdachte: [verdachte] heeft geschoten terwijl hij naast de auto stond, hij heeft meerdere keren de trekker overgehaald want ik hoorde tussen tussenpozen tussen de schoten. Hij is achteruitgelopen.
(…)
9. eenproces-verbaal van verhoor getuige, genummerd 19, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, en [verbalisant 5] , brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 11 maart 2017, als bijlage op pagina’s 602-608, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - alsverklaring van verdachte [verdachte]:
(…)
De locatie was een carpoolplaats bij [plaats] . We reden daar naartoe en zagen daar [betrokkene 4] en [betrokkene 1] . Wij stopten en zij stapten achterin onze auto. (…)
Er ontstond een gevecht. Door het gevecht kwam ik door het midden op de achterbank van de auto terecht. In de auto is een schot gelost. Ik heb geworsteld in de auto met [betrokkene 1] , die een pistool had. Al snel gingen [slachtoffer] en [betrokkene 4] uit de auto. Op een gegeven moment kon ik ontsnappen. Ik ben via het linkerachterportier uitgestapt.
Ik hoorde heel wat schoten toen ik rende. Toen ik rende had ik het idee dat ik de kogels hoorde vliegen. Ik durf niet te zeggen hoeveel kogels het waren maar het waren er heel veel. Ik rende in de richting van de heuvel.
(…)[slachtoffer] rende ook weg, dezelfde kant als ik. Ik haalde hem nog in. Hij stond nog achter de auto en rende ook weg. Ik haalde hem al heel snel in.
10. eenproces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 631, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent bij politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 28 juni 2017, als bijlage op pagina’s 447-450, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – alsverklaring van verdachte [verdachte]:
(…) [betrokkene 4] en [betrokkene 1] stapten in. [betrokkene 4] stapte achter [slachtoffer] in. [betrokkene 1] stapte achter mij in. Ik gooi mijzelf naar achter en kom op de achterbank terecht. Er valt een schot. Op dat moment bent ik gaan vluchten. Ik dook in elkaar en rende. Ik trok mijn wapen en rende al schietend weg. Ik hield mijn wapen naar achteren en schoot. Al rennend heb ik geschoten. Ik weet niet precies wanneer het wapen leeg was. [slachtoffer] rende wel een stukje voor mij.
11. eenproces-verbaal van de terechtzittingbij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4, 5 en 21 februari 2019, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – alsverklaring van verdachte [betrokkene 1]:
(…) Ik, [betrokkene 4] en [verdachte] hadden een wapen. Ik had een handvuurwapen. Het was een Glock.
Er was sprake van duwen en trekken. De deur van [betrokkene 4] en [slachtoffer] gingen open. Er viel een schot. Mijn wapen trilde. [verdachte] en ik lieten elkaar los. We kwamen allebei vanuit linksachter uit de auto. Ik stapte uit en op dat moment hoorde ik een schot. Ik keek in de richting van [verdachte] en toen schoot ik ook. Ik rende naar de andere auto en ben toen in de richting van [verdachte] gaan schieten.
(…)
Ik stond al tussen de auto’s toen ik schoten hoorde vallen. [slachtoffer] stond daar toen niet meer. Die rende achter [verdachte] aan. [slachtoffer] was tussen [verdachte] en [betrokkene 4] in. Ik stond tussen de auto’s in. Ik schoot, ik hoorde [betrokkene 4] en [verdachte] schieten. Ik draaide me om en schoot terug.
12. eenproces-verbaal van de terechtzittingbij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4, 5 en 21 februari 2019, opgemaakt in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 4] en gevoegd in het dossier van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – alsverklaring van verdachte [betrokkene 4]:
Na het schot ben ik uit de auto gekomen. [slachtoffer] en ik liepen richting de achterkant van de auto. [verdachte] schoot en [betrokkene 1] schoot. Ik heb [slachtoffer] voor het laatst rennend met [verdachte] gezien, richting de achterkant van de carpoolplaats. (…)
13. eenproces-verbaal van de terechtzittingbij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 september 2018; opgemaakt in de zaak tegen medeverdachte [verdachte] en gevoegd in het dossier van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte [verdachte] :
(…) Ik sprong uit de auto en toen werd er geschoten.
(…)
Ik heb mijn wapen getrokken toen ik begon te rennen. [slachtoffer] rende ook. Ik denk dat ik hem ingehaald heb. Ik heb het wapen ingedrukt en toen ging het van "tak, tak, tak". Ik heb [slachtoffer] voor het laatst gezien toen we samen wegrenden. Al rennend schoot ik naar achteren richting de auto. Het duurde een paar seconden om mijn wapen te laden en te schieten.
(…)
Ik had een Tokarev bij mij. [betrokkene 1] en ik waren in de auto aan het vechten. Buiten de auto hebben we niet meer gevochten. (…)
14. eenproces-verbaal verhoor getuige bij het kabinet raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, van 30 oktober 2020, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - alsverklaring van verdachte [betrokkene 4]:
(…)
[verdachte] en [betrokkene 1] schoten over en weer op elkaar. Op een gegeven moment schoot [verdachte] ook in mijn richting.
[slachtoffer] stond tussen [verdachte] en [betrokkene 1] in op het moment dat zij over en weer schoten. De afstand tussen [slachtoffer] en [verdachte] was ongeveer twee meter. De afstand tussen [verdachte] en [betrokkene 1] liep op omdat [betrokkene 1] wegliep. [slachtoffer] en [verdachte] liepen samen weg.”
8. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2021 is in de aldaar voorgedragen pleitnota op pagina 20-23 het volgende aangevoerd:

9. Noodweer algemeen
In hun requisitoir hebben de AG’s uiteen gezet, waarom zij van mening zijn, dat aan [verdachte] geen beroep op noodweer toekomt, in verband met (de poging tot) doodslag op [slachtoffer] en [betrokkene 4] c.s.
Daartoe voeren de AG’s primair aan, dat onvoldoende duidelijk is, hoe de feitelijke toedracht van de schietpartij is geweest. Omdat sprake zou zijn van tegenstrijdige verklaringen blijft een en ander onduidelijk en reeds daarom kan [verdachte] geen beroep doen op noodweer.
[verdachte] kan dit standpunt niet volgen, te meer niet, nu de AG’s en de verdediging beiden uitgaan van hetzelfde scenario nl. dat er een ripdeal is geweest, dat [slachtoffer] en [verdachte] hierdoor verrast werden, dat [betrokkene 1] al in de auto op [verdachte] heeft geschoten en dat [verdachte] uiteindelijk moest rennen voor zijn leven en in het rennen terug heeft geschoten.
Het maakt – de verdediging volgt hier de rechtbank – voor de beoordeling van het beroep op noodweer niet meer uit, wie er buiten de auto precies als eerste heeft geschoten.
Het is evident, dat [slachtoffer] en [verdachte] beiden zijn aangevallen en dat de aanval al in de auto begon. [verdachte] was onder die omstandigheden gerechtigd om zich tegen de onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding – die begon in de auto – te verweren. Hem komt dus – ondanks het feit, dat hij bij een drugsdeal betrokken was en ter bescherming een vuurwapen bij zich had – wel degelijke een beroep op noodweer toe.
(…)
11. Noodweer feit 2.
In eerste aanleg heb ik al uitvoerig gemotiveerd, waarom aan [verdachte] een beroep op noodweer toekomt. De rechtbank heeft dit beroep m.b.t. de beide tenlaste gelegde feiten ook aanvaard!
In de appèlschriftuur haalt de Officier van justitie de navolgende uitspraak van het Hof Leeuwarden aan: ECLLNL:GHARN:2010:BW7412, uitspraak Hof Leeuwarden 11 juni 2010. Deze uitspraak heeft betrekking op verweer met een mes, terwijl de aanvaller ongewapend is.
Enerzijds bevestigt de rechtbank, dat er sprake is van een situatie die noodweer rechtvaardigt echter het gebruik van een mes, terwijl de aanvaller ongewapend was, levert afwijzing van noodweer op. Het gebruik van het mes is namelijk disproportioneel.
In dezelfde geest sommen de AG’s in hun requisitoir een aantal HR-uitspraken op, waarin wordt ingegaan op het “culpa in causa” begrip.
Kort gezegd: als je weet wat er gaat gebeuren en je neemt een wapen mee naar een voorziene confrontatie, dan komt je geen beroep op noodweer meer toe als de voorziene confrontatie zich vervolgens ook voordoet.
In die situaties is niet voldoende dat men zichzelf heeft gewapend. Het moet dan wel gaan, om het bewust zoeken van de confrontatie!
Ter aanvulling op de uitspraak Leeuwarden merk ik in dit verband op, dat de dader zelf al opgefokt was en dat er was sprake van een lopend conflict. Om die reden, had de dader zich bewapend met een mes. Hij verwachtte, dat de zaak zou escaleren en nam daarom vooraf een mes mee en ging de confrontatie ook aan. Dat hebben Rechtbank en Hof de dader kwalijk genomen.
De dader had tijdig en vooraf naar een alternatief moeten zoeken, om op een andere manier het conflict op te lossen. Door een mes bij zich te steken wetende dat er een conflict zou zijn, nam hij een voorschot op de afloop en blokkeerde daarmee toegestane alternatieven om zich te verdedigen of het conflict uit de weg te gaan. Door toch met een mes te reageren op de ongewapende aanval, was de verdediging disproportioneel en onrechtmatig.
De Leeuwardense situatie is wezenlijk anders, dan wat in onze zaak speelt. Daarvoor zijn aldus de rechtbank voldoende contra-indicaties.
[verdachte] voldeed juist aan de criteria die in de door de AG’s aangehaalde jurisprudentie worden geformuleerd om nog wel een beroep op noodweer te kunnen doen en niet te struikelen over culpa in causa.
Immers, het staat vast – dit wordt door geen der partijen betwist – dat er geen lopend conflict was. Uit het dossier blijkt ook genoegzaam, dat [verdachte] zich had bewapend uit voorzorg en niet omdat hij het conflict opzocht. [verdachte] en [slachtoffer] hebben zich ook niet als agressor gedragen.
Ook hier zijn partijen het over eens.
Uit het dossier volgt, dat [slachtoffer] die niet gewapend was en [verdachte] die zijn wapen in zijn broeksband had zitten,onverhoedsdoor [betrokkene 1] en [betrokkene 4] werd overvallen, met als doel hen drugs afhandig te maken. [betrokkene 3] stond buiten de auto en heeft mogelijk met zijn wapen in de deurstijl geschoten.
Uit het dossier volgt verder, dat [verdachte] in de auto door [betrokkene 1] werd beschoten, waarnaar zij beiden via een geopend portier de auto verlieten. [verdachte] rende naar links. [betrokkene 1] rende naar rechts.
Er is dus niet een moment geweest, waarbij [verdachte] en [betrokkene 1] buiten de auto stonden te worstelen (al dan niet met schietende wapens).
Uit het dossier volgt, dat [verdachte] in de vlucht is beschoten door [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en mogelijk ook door [betrokkene 3] . [verdachte] is op de vlucht in zijn hand geschoten.
[verdachte] heeft al wegrennend naar achteren geschoten in de richting van zijn belagers. Dat hij daarbij een poging tot doodslag ondernam is toelaatbaar, nu de reactie van [verdachte] geboden was, om zichzelf en [slachtoffer] de vlucht mogelijk te maken.
De gekozen reactie van [verdachte] was ook proportioneel, nu hij zijn schietwapen inzette tegen personen die op dat moment poogden hem met hun schietwapens te doden.
Dat alles maakt, dat ik uw Hof vraag het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de feit 2. – eventueel met verbetering van gronden – in stand te laten.
9. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2021 blijkt daarnaast het volgende:

De raadsman dupliceert als volgt.
Ik wil als eerste opmerken dat ik het openbaar ministerie niet kan volgen over het punt van de duidelijkheid over het incident. Over het schietincident op de carpoolplaats zeggen ze dat ze weten wie er hebben geschoten en in welke richting. We hebben verder de hulzen en eigenlijk hebben we alles. Hoezo is het voor het openbaar ministerie dan niet duidelijk wat er is gebeurd? Daaraan voorafgaand zit het ripdealscenario en de ripdeal eindigt eigenlijk met het schot in de auto en daarna gaat het buiten de auto verder. Hoezo is het dan onvoldoende duidelijk? Het openbaar ministerie hangt daar het hele noodweerverhaal van cliënt aan op, maar volgens de verdediging is het heel duidelijk wat er is gebeurd en het openbaar ministerie heeft dat ook beschreven in het requisitoir en wij zijn daar ook in meegegaan. Wat is gebeurd, is dus volkomen duidelijk. (…) Voor wat betreft het noodweerverweer ben ik blij dat het openbaar ministerie nog steeds het ripdealscenario ondersteunt. Ik denk dat het gewoon zo is gebeurd. We hebben van de andere verdachten gehoord dat het allemaal aan cliënt ligt, maar het bewijs wijst toch echt de andere kant op. Als je het dossier in zijn totaliteit beziet, dan was het gewoon een ripdeal en [slachtoffer] en cliënt waren daar de slachtoffers van. Dan is vervolgens de vraag of wel of niet noodweer mogelijk is. Voor wat betreft noodweer heb ik al aangevoerd dat het noodweer zich niet richt tegen [slachtoffer] , maar wel tegen de anderen en [slachtoffer] kan daarbij mogelijk door een ongelukkige samenloop van omstandigheden zijn geraakt. Als dat zo is, dan valt dat nog steeds onder noodweer voor cliënt want cliënts noodweer is gericht op anderen en [slachtoffer] raakt daarin betrokken. Dat is natuurlijk niet de bedoeling en natuurlijk is er geen opzet op het raken van [slachtoffer] , maar hij mag zich wel verdedigen op dat moment. Zo staat de verdediging erin. Mogelijk heb ik het openbaar ministerie, inderdaad niet goed begrepen met de culpa in causa redenering. Ik snap nu denk ik wat het openbaar ministerie daarmee bedoelt. Als ik het goed begrijp kunnen ze op zich wel begrijpen dat er een wapen was op de plaats delict, en dat staat niet meteen aan noodweer in de weg, maar cliënt had zich zorgvuldiger moeten gedragen en achteraf moeten we dan vaststellen dat cliënts gedrag niet passend is en dat het geweld dat hij heeft toegepast op dat moment niet geboden was. Ik kan daar kort over zijn: het gedrag van cliënt was wel geboden. Er was een ripdeal, dat was een verrassing, er werd geschoten, ai in de auto, cliënt vlucht weg en schiet. Moet je dan achteraf nog kunnen vaststellen wie er buiten de auto als eerste schiet? Ik denk van niet. Ik denk dat je kan volstaan met de wederrechtelijke aanranding die in de auto al plaatsvindt en als gevolg daarvan vlucht cliënt en schiet hij van zich af om zijn vlucht mogelijk te maken. Dat is wat mij betreft gewoon noodweer. Dat was ook passend en geboden want er werd met een vuurwapen geschoten en onder die omstandigheden mag je je met een vuurwapen verdedigen.”
10. De overwegingen van het hof aangaande het beroep op noodweer luiden als volgt:

Strafbaarheid van de verdachte
Namens verdachte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft verzocht de overwegingen van de rechtbank op dat punt te bevestigen. Daartoe is aangevoerd dat voldoende duidelijk is wat er is voorgevallen omdat uitgegaan moet worden van het ripdealscenario. Verdachte mocht zich onder die omstandigheden verdedigen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van verdachte en [slachtoffer] door [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] . Dat verdachte zich die bewuste nacht had bewapend kan hem volgens de raadsman in dat kader niet worden tegengeworpen.
De advocaten-generaal stellen zich op het standpunt dat aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Daartoe hebben zij primair aangevoerd dat onvoldoende vastgesteld kan worden over het feitelijke verloop van de schietpartij zodat reeds om die reden een noodweer(exces)situatie niet aannemelijk is geworden. Subsidiair hebben zij zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte (…) geen geslaagd noodweerberoep toekomt (…) ten aanzien van feit 2 omdat de proportionaliteit en subsidiariteit van het schieten van verdachte – mede in het licht van een culpa in causa-toets – onvoldoende kunnen worden vastgesteld.
Het hof overweegt als volgt.
In zijn arrest van 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:456) heeft de Hoge Raad – onder het kopje ‘Verdediging van specifieke rechtsgoederen’ en vóór de bespreking van de onderdelen van noodweer, noodweerexces en putatief noodweer – onder meer het volgende overwogen:
3.3.
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Uit het arrest van 8 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4788) volgt dat in zo een geval ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet kan slagen. De Hoge Raad spreekt van ‘een uitzondering ’(vgl. ECLI:NL:HR:2020:2043).
Het hof is van oordeel dat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat, zowel aan de kant van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] als aan de kant van [verdachte] , noch op grond van de bedoeling, noch naar de uiterlijke verschijningsvorm, de bewezen verklaarde gedragingen kunnen worden aangemerkt als ‘verdedigend’. Deze gedragingen moeten – naar de kern bezien – alle als aanvallende gedragingen worden gezien, gericht op confrontatie dan wel deelneming aan één (voortdurend) gevecht.
Het hof leidt uit de – overigens uiteenlopende – verklaringen en ander bewijsmateriaal af dat in de auto kennelijk sprake was van een meningsverschil, dat uitliep op een worsteling in de auto tussen in ieder geval [betrokkene 1] en [verdachte] . Daarbij waren aan beide kanten vuurwapens binnen handbereik aanwezig en/of tevoorschijn gehaald, terwijl bij die van beide kanten (praktisch) gelijktijdig ingezette worsteling het pistool van [betrokkene 1] is afgegaan. Uit de verklaringen en forensische gegevens over het schot heeft het hof – zoals eerder overwogen – afgeleid dat [betrokkene 1] in de auto niet gericht op of bewust in de richting van [verdachte] en/of [slachtoffer] heeft geschoten.
Nadat zij als eersten uit de auto zijn gegaan, hebben [betrokkene 4] en [slachtoffer] eerst nog kort met elkaar gevochten. Hierbij is niet geschoten. Nadat [betrokkene 1] en [verdachte] kort daarna eveneens de auto hadden verlaten, zijn zij elk in tegengestelde richting weggerend van de auto. In plaats van de (verdere) confrontatie te vermijden door alleen maar van die plek weg te gaan, zijn allen, behoudens [slachtoffer] , vervolgens (praktisch) gelijktijdig in elkaars richting gaan schieten. Nadat [betrokkene 4] en [slachtoffer] na de worsteling uit elkaar zijn gegaan, is [betrokkene 4] (ook) in de richting van [verdachte] gaan schieten. Nadat [verdachte] en [slachtoffer] in elkaars nabijheid waren gekomen hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 1] in de richting van beiden geschoten, terwijl [verdachte] diverse schoten in de richting van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] heeft afgevuurd.
Dat de gedragingen aan één van beide kanten op grond van de bedoeling dan wel de uiterlijke verschijningsvorm als ‘verdedigend’ kunnen worden aangemerkt, is daarmee niet aannemelijk geworden, nu het – naar de kern bezien – om aanvallende gedragingen ging die gericht waren op een confrontatie dan wel deelneming aan het (nog voortdurende) gevecht.
Uit het voorgaande bezien in het licht van de eerder vermelde arresten van de Hoge Raad vloeit voort dat het hof niet meer toekomt aan een beoordeling van het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.
Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

De toelichting op het eerste middel

11. Of sprake is geweest van een ripdeal is, volgens de steller van het middel, van belang voor de vraag of de bewezen verklaarde gedragingen kunnen worden aangemerkt als ‘verdediging’ tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die teweeg is gebracht door de geweldshandelingen die met dat voornemen tot een ripdeal gepaard gingen, of dat de gedragingen van de verdachte als ‘aanvallend’ moeten worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
12. Het gerechtshof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verdachte het doelwit was van een ripdeal. Vervolgens valt het middel uiteen in zes deelklachten.
(i) Het gerechtshof heeft ten onrechte, althans onbegrijpelijk overwogen dat voor "
het bewijs" van een poging tot afpersing de verklaring van de verdachte als beslissend moet worden aangemerkt, terwijl het hof (iets verderop) bovendien voldoende (objectief) steunbewijs eist om de verklaring van de verdachte als voldoende waarheidsgetrouw aan te merken. Aan de verdachte is geen poging tot afpersing ten laste gelegd. Bij de beoordeling van de aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten grondslag gelegde feiten over, kort gezegd, de poging tot afpersing, heeft het gerechtshof daarom een onjuiste maatstaf aangelegd: het heeft kenbaar gemaakt dat die poging tot afpersing moet worden ‘bewezen’ en dat voor de verklaring van de verdachte steunbewijs moet bestaan, terwijl als eis slechts kan worden gesteld dat de aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten grondslag gelegde feiten ‘voldoende aannemelijk’ zijn geworden.
(ii) Het gerechtshof heeft ten onrechte dan wel onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte op een aantal zeer essentiële onderdelen leugenachtig heeft verklaard. Die vaststelling kan niet zonder meer worden gebaseerd op het feit dat de verdachte eerder heeft ontkend en andere kleding heeft overhandigd dan hij ten tijde van het delict droeg.
(iii) Door te overwegen dat het standpunt van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] over de berichten die zij elkaar hebben gestuurd ‘niet valt uit te sluiten’, heeft het gerechtshof toepassing gegeven aan een onjuiste maatstaf. Het gerechtshof had moeten beoordelen of het standpunt dat de berichten duiden op een voorgenomen ripdeal ‘aannemelijk’ is.
(iv) De overweging omtrent de naar buiten gekeerde broekzakken van [slachtoffer] wijst uit dat een onjuiste maatstaf is gebruikt en in elk geval is de overweging onbegrijpelijk.
(v) Onbegrijpelijk is het oordeel dat de vindplaats van en het wegnemen van de telefoons van [slachtoffer] niet duidt op een tevoren bestaand voornemen tot een ripdeal.
(vi) In overwegingen over veronderstelde contra-indicaties wordt gewag gemaakt van feiten die het gerechtshof redengevend acht voor de bewezenverklaring maar die geen steun vinden in de bewijsmiddelen. Daarnaast wordt, anders dan het hof suggereert, slechts één contra-indicatie besproken.

De toelichting op het tweede middel

13. De verwerping van het beroep op noodweer is in de eerste plaats onbegrijpelijk op de gronden die in (de toelichting op) het eerste cassatiemiddel zijn uiteengezet, aldus de steller van het middel. Zoals ook uit het vonnis van de rechtbank blijkt, heeft het antwoord op de vraag of [slachtoffer] en de verdachte de beoogde slachtoffers waren van een voorgenomen ripdeal immers direct betekenis voor de beoordeling van het beroep op noodweer. Het ongenoegzaam gemotiveerde oordeel van het gerechtshof over – kort gezegd – de voorgenomen ripdeal werkt dus door in de beoordeling van het beroep op noodweer en heeft tot gevolg dat ook de verwerping van dit verweer onjuist en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
14. Onbegrijpelijk is daarnaast dat het gerechtshof in de motivering van de verwerping van het noodweerverweer heeft verwezen naar zijn eerdere overweging dat [betrokkene 1] in de auto niet gericht op of bewust in de richting van de verdachte en/of [slachtoffer] heeft geschoten. Naar een eerdere overweging met die strekking zal vergeefs in het arrest worden gezocht. Bovendien heeft het gerechtshof (op p. 7 van het arrest) overwogen dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij heeft geschoten in de richting van de verdachte. Dat maakt de overweging dat [betrokkene 1] in de auto niet gericht op of bewust in de richting van de verdachte heeft geschoten zonder nadere motivering, die ontbreekt, te meer onbegrijpelijk.
15. Onbegrijpelijk is ook dat het gerechtshof enerzijds heeft overwogen dat de gedragingen van de verdachte als aanvallend moeten worden geboekstaafd omdat zij waren gericht op een confrontatie dan wel deelneming aan het nog voortdurende gevecht, terwijl het hof anderzijds feitelijk heeft vastgesteld:
a. dat het in de auto geloste schot afkomstig was uit het wapen van [betrokkene 1] ;
b. dat de verdachte (net als [slachtoffer] ) van de carpoolplaats is weggerend, dat de verdachte is gevlucht en dat de verdachte kon ontsnappen;
c. dat de verdachte buiten de auto is geconfronteerd met twee mannen die gericht op hem hebben geschoten en dat de verdachte heel wat schoten hoorde toen hij rende;
d. dat de verdachte buiten de auto zijn wapen heeft gepakt en het een paar seconden heeft geduurd voordat hij het wapen had geladen; en
e. dat de verdachte vervolgens, al wegrennend, in elkaar gedoken en zijn wapen naar achter houdende heeft geschoten in de richting van de auto.
16. Onder die omstandigheden is het oordeel van het gerechtshof dat de gedragingen van de verdachte als ‘aanvallend’ zijn te kwalificeren – en dat hem daarom geen beroep op noodweer toekomt – onbegrijpelijk. Gelet op bovenstaande vaststellingen behoeft het oordeel dat de gedragingen van de verdachte "
noch op grond van de bedoeling noch naar de uiterlijke verschijningsvorm" als ‘verdedigend’ kunnen worden aangemerkt maar (integendeel) waren gericht op een confrontatie dan wel deelneming aan het nog voortdurende gevecht, nadere motivering. Iemand die vlucht, ontsnapt en wegrent verricht geen handelingen die zijn gericht op een confrontatie of op deelneming aan een gevecht dat nog voortduurt. Zo iemand verdedigt zich, nadat de eerste kogel door de tegenpartij is afgevuurd, aldus de steller van het middel.

Juridisch kader

17. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de door de feitenrechter vastgestelde feiten juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de vastgestelde feiten. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. [1]
18. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer de verdediging over het gebruik van bewijsmateriaal een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [2]
19. Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat de toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze toedracht niet in de weg. Wanneer de rechter de gestelde toedracht niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Ook wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. De rechter kan overigens het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep achterwege laten, als hij tot het oordeel komt dat – veronderstellenderwijs uitgaand van de aannemelijkheid van de gestelde toedracht – het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond de verwerping berust. [3]
20. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr Pro. [4]
21. Een beroep op noodweer(exces) kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich hierop beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. [5]
22. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen – onder bijzondere omstandigheden – in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces. Dergelijke bijzondere omstandigheden (‘culpa in causa’) doen zich voor wanneer de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. [6]

De beoordeling van het eerste middel

23. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat er geen ripdeal heeft plaatsgehad. De vaststelling dat er wél een ripdeal heeft plaatsgevonden, acht de steller van het middel doorslaggevend voor het beroep op noodweer.
24. Het hof heeft de vraag of een (poging tot een) ripdeal heeft plaatsgehad echter niet (expliciet) behandeld onder de bespreking van het beroep op noodweer, maar onderdeel gemaakt van zijn bewijsoverwegingen. Dit is opmerkelijk omdat, anders dan in de zaak van bijvoorbeeld de verdachte [betrokkene 1] , waarin ik vandaag ook concludeer, aan de onderhavige verdachte niet een poging tot afpersing (met de dood tot gevolg) ten laste is gelegd. Het hof heeft kennelijk om praktische redenen ervoor gekozen om de feiten in alle zaken van de bij de schietpartij betrokken verdachten op dezelfde wijze en in dezelfde volgorde vast te stellen. De overwegingen omtrent de vraag of sprake is geweest van een ripdeal zijn dan ook nagenoeg identiek aan die in het arrest inzake (bijvoorbeeld) de verdachte [betrokkene 1] . Een van de (kleine) verschillen is dat in de zaak van [betrokkene 1] vervolgens expliciet de conclusie wordt getrokken dat [betrokkene 1] dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde afpersing van de verdachte en [slachtoffer] (er was immers geen ripdeal). Het was in de voorliggende zaak niet nodig om een soortgelijke conclusie te trekken, omdat een dergelijk feit niet ten laste is gelegd. De verdachte was juist het vermeende slachtoffer van de ripdeal. Het hof heeft echter wel gemeend om de overwegingen aangaande de ripdeal in enigszins aangepaste vorm op te nemen in het arrest. Het komt mij voor dat dit – op deze plaats in het bestreden arrest – louter overwegingen ten overvloede betreft. De bewezenverklaring van feit 2 is immers (uitsluitend) afhankelijk van de vraag of de verdachte gericht en met (voorwaardelijk) opzet heeft geschoten op [betrokkene 1] en/of [betrokkene 4] en is niet (noodzakelijkerwijs) afhankelijk van de vraag of sprake was van een ripdealscenario. De vraag omtrent noodweer is pas van belang bij de strafbaarheid van de verdachte nadat het feit bewezen is verklaard. Daarover gaat (uitsluitend) het tweede middel. [7]
25. In het verlengde daarvan stel ik mij dan ook op het standpunt dat het middel een rechtens te respecteren belang ontbeert. Zelfs al zouden één of meer deelklachten slagen, de bewezenverklaring van feit 2 zelf en de motivering ervan worden in cassatie niet aangevochten.
26. Het eerste middel faalt.

De beoordeling van het tweede middel

27. Zoals gezegd zien de overwegingen van het hof over de ripdeal onder het kopje ‘Overweging met betrekking tot het bewijs’ op de bewijsvraag en niet op de bespreking van het beroep op noodweer. In zoverre zijn zij door het hof dus niet bedoeld om de verwerping van het beroep op noodweer te dragen. Hierop stuit de eerste deelklacht af. Ik deel overigens de opvatting van de steller van het middel dat de vraag of sprake is van een (poging tot een) ripdeal van belang
kanzijn voor de beoordeling van een beroep op noodweer. Echter, zelfs al zou moeten worden aangenomen dat een poging tot een ripdeal heeft plaatsgehad, dan nog kan een beroep op noodweer op andere gronden afstuiten.
28. In het voorliggende geval heeft het hof geoordeeld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt op de grond dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend moeten worden aangemerkt, maar als aanvallend. De vraag of (tevens) sprake was van een ripdeal, doet er dan strikt genomen niet meer toe.
29. Waar het in cassatie dan uiteindelijk om gaat is of het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte als aanvallend moeten worden aangemerkt (en hem daarom geen beroep op noodweer toekomt), en de in dat kader gedane vaststellingen, begrijpelijk zijn en toereikend zijn gemotiveerd gelet op hetgeen namens de verdediging is aangevoerd.
30. In dat verband komt toch weer dat ripdealscenario aan de orde. In de overwegingen van het hof ligt naar mijn inzicht besloten dat het ripdealscenario (niet alleen niet bewezen is maar ook) niet aannemelijk is geworden. In plaats daarvan acht het hof het voldoende aannemelijk dat ruzie is ontstaan (over de kwaliteit van de verdovende middelen), waarna een gevecht is ontbrand. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat “
kennelijk sprake was van een meningsverschil” dat uitliep op een “
gelijktijdig” ingezette worsteling tussen de verdachte en [betrokkene 1] .
31. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd, gelet op de in de bewijsvoering vastgestelde feiten. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3) en [betrokkene 4] (bewijsmiddel 4), blijkt immers dat het conflict ontstond wegens het feit dat andere cocaïne was geleverd dan afgesproken. Het hof heeft aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen genoegzaam uitgelegd waarom het de verklaring van de verdachte omtrent een voorgenomen ripdeal niet betrouwbaar acht en in plaats daarvan uitgaat van een andere feitelijke situatie, die (meer) in de lijn ligt van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] . Door die vaststelling heeft het hof voldoende gemotiveerd waarom de aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk zijn geworden. Dat het bewijsmateriaal (ook) sterke aanknopingspunten bevat voor het door het OM en de verdediging genoemde ripdealscenario (en wellicht daarmee evengoed of zelfs beter te verdedigen valt), maakt dat niet anders. In cassatie kan niet worden beoordeeld of het oordeel van het hof juist is, maar slechts of dat oordeel niet onbegrijpelijk is. Ik meen dat het oordeel van het hof die toets kan doorstaan.
32. Alle (overige) klachten in het tweede middel gaan er vervolgens aan voorbij dat het hof allereerst heeft vastgesteld dat de worsteling in de auto, nog voordat een schot was gelost, gelijktijdig door zowel de verdachte als [betrokkene 1] is ingezet. Reeds dan is er dus een aanvallende handeling van de kant van de verdachte. Dit wordt in cassatie niet (meer) bestreden. Deze omstandigheid heeft het hof vervolgens betrokken en ook kunnen betrekken bij het oordeel over de gedragingen die de verdachte daarop buiten de auto heeft verricht.
33. Daarnaast heeft het hof niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het pistool van [betrokkene 1] in de auto is afgegaan, maar dat het schot niet was gericht op de verdachte. Uit de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3) kan immers worden afgeleid dat beiden werden opgeschrikt en keken of zij waren geraakt. Dit bleek niet het geval. Dat het hof rept over “
zoals eerder overwogen” terwijl het hof er dan pas voor het eerst expliciet over spreekt, doet daaraan niet af. Tot slot heeft het hof vastgesteld dat de verdachte ook buiten de auto bleef deelnemen aan het gevecht, waarbij de verdachte en [betrokkene 1] gelijktijdig schoten. Dat laatste oordeel is niet in strijd met de gebezigde bewijsmiddelen waaruit, anders dan de steller van het middel meent, niet duidelijk valt af te leiden wie als eerste heeft geschoten.
34. De situatie in deze zaak verschilt daarom wezenlijk van bijvoorbeeld HR 15 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715, waarin, anders dan hier, uit de bewijsvoering naar voren kwam dat de verdachte als eerste werd beschoten maar het hof evenwel meende dat de gedragingen van de verdachte als aanvallend moesten worden aangemerkt. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. En anders dan in HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043, heeft het hof, ondanks de uiteenlopende verklaringen van de verschillende verdachten, een (meer) nauwkeurige feitenvaststelling gedaan over het tijdsverloop van de verschillende geweldshandelingen en de context waarin deze plaatsvonden.
35. Op al het voorgaande stuit het tweede middel af.

Slotsom

36. De middelen falen.
37. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
38. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530.
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
3.HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417,
4.Zie bijv. HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715.
5.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456; HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043.
6.Zie bijv. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016: 456 en HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715.
7.Ik wijs er andermaal op dat het middel, gelet op (slotzinnen in) de toelichting, alleen opkomt tegen de bewezenverklaring van feit 2. In de toelichting wordt weliswaar (tevens) gesteld dat het oordeel aangaande de ripdeal van belang is voor de beoordeling van het beroep op noodweer, maar tegelijkertijd wordt vermeld dat het tweede (en dus niet het eerste) middel over de verwerping van het beroep op noodweer gaat. De voorlaatste zin van de toelichting op middel 1 luidt: “