ECLI:NL:PHR:2023:174

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
21/04561
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 WVW 1994Art. 13 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid bloedonderzoek ondanks acht dagen transport na bloedafname

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het besturen van een snorfiets onder invloed van alcohol met een bloedalcoholgehalte van 1,31 mg/ml. De verdediging stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was omdat het bloedmonster pas acht dagen na afname bij het laboratorium werd ontvangen, zonder concrete vaststellingen over de bewaring en het transport.

Het hof had geoordeeld dat het bloedmonster onder geconditioneerde omstandigheden bij ongeveer -20°C was bewaard en vervoerd, en dat acht dagen binnen de norm van 'zo spoedig mogelijk' viel. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat een termijn tot acht dagen nog acceptabel is, zeker bij geconditioneerd transport en zonder tegenbewijs.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatiemiddel faalt omdat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De waarborgen voor een betrouwbaar bloedonderzoek zijn nageleefd, zodat het bewijs toereikend is. De verweren tot vrijspraak worden verworpen en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt de veroordeling wegens rijden onder invloed met een bloedalcoholgehalte van 1,31 mg/ml.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04561

Zitting14 maart 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (1,31 milligram)” veroordeeld tot een geldboete van € 220,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat – welwillend gelezen – de klacht dat de bewezenverklaarde overtreding van art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW 1994) niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, nu het bloedblok pas 8 dagen na bloedafname door het laboratorium is ontvangen, terwijl het hof niets concreets heeft vastgesteld over de manier waarop het bloedblok in deze periode is bewaard en vervoerd, zodat niet is voldaan aan de strikte waarborg van zo spoedig mogelijke verzending en aldus geen sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 2 WVW Pro 1994.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 april 2019 te Landsmeer , als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,31 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.”
5. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal rijden onder invloed met nummer PL1100-2019080235-2 van 12 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 3-7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten (of één hunner):
Op 28 april 2019 om 00:58 uur kregen wij kennis van een verkeersongeval op de [a-straat] in Landsmeer . Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften werd een onderzoek ingesteld. Daaruit bleek, dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig snorfiets bij dat verkeersongeval betrokken was. Wij zagen dat de verdachte onder zijn snorfiets lag. Ik voelde dat de uitlaat van de snorfiets warm was.

Medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht

Met medewerking van de bestuurder heb ik hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat.
Dit voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht leidde niet tot een uitslag. Dit was gelegen in het navolgende feit:
Wegens medische redenen lukte het de verdachte niet om te blazen.

Waarneming alcohol

- Ik rook dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte.
- Ik zag dat de bestuurder bloeddoorlopen ogen had.

Identiteitsgegevens van de verdachte

Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]

Toestemming bloedonderzoek

Ik heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , stond bij collega [verbalisant 2] en hoorde de verdachte tot twee keer toe toestemming geven voor het afnemen van het bloed.

Medewerking bloedonderzoek

Op 28 april 2019 heeft de arts de verdachte bloed afgenomen conform het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Verpakken monster

Ik, [verbalisant 2] , heb de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” en SIN-sticker “Tegen Onderzoek”.
Ik, [verbalisant 2] , heb mij ervan vergewist, dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden zijn naar het Labor Mönchengladbach te Mönchengladbach.
2. Een proces-verbaal van 3 december 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (hoofdinspecteur van politie) [verbalisant 3] (los opgenomen).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:
Een bloedblok bevat door een arts of verpleegkundige afgenomen bloed van de betreffende verdachte dat onderzocht wordt door overeenkomstig het Besluit alcohol drugs en geneesmiddelen geaccrediteerde en bij aanbesteding door het NFI geselecteerde laboratoria op rijvaardigheid beïnvloedende stoffen, strafbaar gesteld ingevolge art. 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De wijze van bloedafname, de verwerking en verzegeling door de verbalisant zijn gerelateerd in het artikel 8 WVW94 proces-verbaal.
In aanvulling op hetgeen daarover in dat proces-verbaal omtrent die verwerking is vermeld, geef ik hierbij proces beschrijvend aan dat na de bloedafname het verzegelde bloedblok direct door de verbalisant, of een door hem aangewezen bij de politie werkzame functionaris, in de daarvoor bestemde vriezer bij een temperatuur van ongeveer - 20 °C, in het politiebureau wordt opgeslagen.
Met ingang van 1 januari 2019 is een contract afgesloten tussen de politie en transporteur [A] om deze bloedblokken vanuit het politiebureau geconditioneerd te transporteren naar het laboratorium.
De transporteur firma [A] haalt het bloed blok binnen 2 werkdagen na de door de politie in Planon gedane opdracht op vanaf het betreffende politiebureau en vervoert dit onder geconditioneerde omstandigheden van ongeveer - 20 °C naar een door de verbalisant aangegeven laboratorium.
(…)
Zo is er de waarborg dat vanaf het invriezen door de verbalisant tot het afleveren aan het laboratorium het bloedblok diep bevroren wordt vervoerd, opgeslagen en afgeleverd.
3. Een rapport alcohol in het verkeer van Labor Mönchengladbach van 5 juni 2019, opgemaakt door drs. P.G.M. Zweipfenning (doorgenummerde pagina’s 9-11).
Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Rapport datum: 05-06-2019
Datum aanvraag: 28-04-2019
Bloedgever: [verdachte]

Onderzoeksmateriaal

Wijze van ontvangst: koerier
Mönchengladbach de: 06-05-2019
Sin nummer
omschrijving
TAAX8269NL
Bloed van [verdachte]
Het bloed wordt voor en na de analyse bewaard bij -20 °C.
Tabel: Resultaten
Aangewezen stof
Meetbare stof
Grenswaarde bij enkelvoudig gebruik
Grenswaarde bij combinatie gebruik
Eindresultaat in bloed (*2) (TAAX8269NL)
Rapportage eenheid
alcohol
ethanol
0,2 / 0,5 (*1)
0,2
1,31
milligram per milliliter
* 1) 0,20 voor een beginnende bestuurder. 0,50 voor de overige bestuurders
* 2) <0,1 onder Einderesultaat in bloed betekent dat er geen, althans minder dan 0,1 mg/mL alcohol gemeten werd.
4. Een geschrift, zijnde een e-mail van 19 januari 2021 van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] (CVOM) met als onderwerp ‘aanvullende vragen bloedonderzoek’ (los opgenomen).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de volgende mededeling:
TAAX8269NL: Bloed van [verdachte]
De alcoholbepaling hierin vond plaats op 7 en 8 mei 2019. Dus ruim binnen 14 dagen na ontvangstdatum.”
6. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel:
“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat:
[…]
(ii) de buisjes met bloed niet ‘zo spoedig mogelijk’ bij het laboratorium zijn bezorgd, zodat niet is voldaan aan de waarborg van artikel 13 eerste Pro lid, aanhef onder d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (verder: het Besluit). Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW) zodat vrijspraak dient te volgen.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
[…]
Nadat de verdachte daarvoor toestemming had gegeven, is bij de verdachte op 28 april 2019 bloed afgenomen om te kunnen onderzoeken of de verdachte had gereden onder invloed. [verbalisant 2] heeft de bloedmonsters vervolgens overeenkomstig het bepaalde in het Besluit gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” en een SIN-sticker “Tegen Onderzoek”. Tot slot heeft [verbalisant 2] zich ervan vergewist dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit verzonden zijn naar het Labor Mönchengladbach te Mönchengladbach.
In het proces-verbaal van [verbalisant 3] , hoofdinspecteur van politie, van 3 december 2020 staat beschreven dat na de bloedafname het verzegelde bloedblok direct door de politieambtenaar in de daarvoor bestemde vriezer bij een temperatuur van ongeveer -20°C in het politiebureau wordt opgeslagen. Het bloedblok wordt vervolgens opgehaald en vanaf het betreffende politiebureau vervoerd, onder geconditioneerde omstandigheden van ongeveer -20°C, naar het door de politieambtenaar aangegeven laboratorium. Op basis van dit proces is gewaarborgd dat vanaf het invriezen door de politieambtenaar tot het afleveren aan het laboratorium het bloedblok diep bevroren wordt vervoerd, opgeslagen en afgeleverd. De bloedmonsters zijn op 6 mei 2019 afgeleverd aan het laboratorium in Mönchengladbach (Duitsland). Daar heeft de analyse van het bloed en de alcoholbepaling op 7 en 8 mei 2019 plaatsgevonden. Het rapport Alcohol in het verkeer is gedateerd 5 juni 2019. Het bloed is voor en na de analyse bewaard bij -20°C.
Beoordeling door het hof
Op grond van het voorgaande overweegt het hof ten aanzien van de gevoerde verweren als volgt:
[…]
ad (ii)
Ten aanzien van artikel 13, eerste lid, aanhef onder d, van het Besluit
Artikel 13, eerste lid, aanhef onder d, van het Besluit luidt, voor zover hier van belang:
‘Bij de bloedafname is een opsporingsambtenaar aanwezig, die ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid’.
Vooropgesteld moet worden dat van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, WVW sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d van het Besluit, dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek.
Het hof constateert dat tussen de datum van bloedafname en de bezorging van het bloed bij het laboratorium acht dagen zijn verstreken. Mede gelet op de omstandigheden waaronder het bloed na afname - conform het in het proces-verbaal van 3 december 2020 beschreven Afhandelproces verwerking bloedblokken van de Politie - is bewaard en vervoerd, in het bijzonder de bewaartemperatuur van ongeveer -20°C die in acht is genomen, is het hof van oordeel dat hiermee is voldaan aan het hiervoor genoemde vereiste dat de buisjes met bloed ‘zo spoedig mogelijk’ bij het laboratorium zijn bezorgd. Van een schending van het bepaalde in artikel 13 , eerste lid, aanhef onder d, van het Besluit is dus geen sprake.
Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigd bewezen is dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.”
7. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- artikel 8 lid 2 WVW Pro 1994:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.”
- artikel 13 lid Pro 1 (oud) Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit):
“Bij de bloedafname […] is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
[…]
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.” [1]
8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid Pro 2, aanhef en onder b, WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen. [2] De waarborg is direct van invloed op de betrouwbaarheid van het onderzoek. Daarom mag het verrichte onderzoek niet voor het bewijs worden gebezigd indien de rechter van oordeel is dat een strikte waarborg niet is nageleefd. [3]
9. Het voorschrift van art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit behoort tot de strikte waarborgen. [4] Deze waarborg strekt ertoe dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname wordt geminimaliseerd. [5] Het is aan de feitenrechter om te oordelen of de bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ zijn bezorgd. Dit oordeel kan in cassatie wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard slechts in beperkte mate worden getoetst. [6] Recentelijk heeft mijn ambtgenoot Spronken aan de hand van een analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad uiteengezet wanneer een bloedmonster zonder nadere motivering als ‘zo spoedig mogelijk’ verzonden mag worden beschouwd: [7]
“Uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad leid ik af dat een ontvangst tot acht dagen na afname van het bloed nog door de beugel lijkt te kunnen, zeker als er feestdagen tussen verzending en ontvangst zaten en/of als op dat punt in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd. Anders ligt het kennelijk bij een verloop van negen dagen en een wel daaromtrent gevoerd verweer. Elf dagen vindt de Hoge Raad zonder nadere motivering te bont.” [8]
10. De wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het vervoer wordt bewaard, is een relevante omstandigheid bij de beantwoording van de vraag of de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. Als de rechter – aan de hand van de inhoud van het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting – vaststelt dat het risico op afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname zo goed als afwezig is gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. [9] Alleen als de rechter de wijze van bewaren van het bloed na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium betrekt bij het oordeel of sprake is van het ‘zo spoedig mogelijk’ bezorgen, moet hij daarover concrete vaststellingen doen. [10] Als hij dit betrekt bij zijn oordeel, mag hij zijn vaststellingen niet baseren op algemene informatie in een generiek proces-verbaal. [11]
11. Het hof heeft vastgesteld dat de bloedmonsters op 28 april 2019 bij de verdachte zijn afgenomen en 8 dagen na de bloedafname, op 6 mei 2019 zijn afgeleverd aan het laboratorium in Mönchengladbach (Duitsland). Het hof heeft vervolgens (samengevat) geoordeeld dat sprake is van een ‘zo spoedig mogelijke’ bezorging bij het laboratorium, mede gelet op de omstandigheden waaronder het bloed na afname is bewaard en vervoerd, in het bijzonder de bewaartemperatuur van ongeveer -20°C die in acht is genomen. Dat het bloed is bewaard en vervoerd bij een temperatuur van ongeveer -20°C heeft het hof aangenomen op basis van “het in het proces-verbaal van 3 december 2020 beschreven Afhandelproces verwerking bloedblokken van de Politie”. Dit betreft een generiek proces-verbaal waarin een algemene werkwijze wordt beschreven.
12. In de bewijsoverweging ligt besloten dat het hof aan zijn oordeel dat sprake is van een ‘zo spoedig mogelijke’ bezorging bij het laboratorium niet alleen ten grondslag heeft gelegd dat de bloedblokken na afname bij een bewaartemperatuur van ongeveer -20°C zijn bewaard en vervoerd, maar ook dat de bloedmonsters 8 dagen na de bloedafname zijn afgeleverd aan het laboratorium. [12]
13. Ook zonder concrete vaststellingen over de wijze van bewaring en transport in dit specifieke geval is het oordeel dat de bezorging van de bloedmonsters acht dagen na afname van het bloed ‘zo spoedig mogelijk’ was, naar mijn oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bloed in de onderhavige zaak is getransporteerd van Noord-Holland naar Duitsland en de onder 9 weergegeven grens van 9 dagen niet is bereikt.
14. Het middel faalt.

Slotsom

15. Het middel faalt.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Sinds 1 juli 2022 luidt deze bepaling: “Bij de bloedafname […] is een opsporingsambtenaar aanwezig, die: […] d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed binnen vier weken in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0038936/2022-07-01/0).” (Stb. 2022, 142) (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2022-142.html).
2.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, r.o. 2.4.1; HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, r.o. 2.4.1; HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567,
3.HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3043, r.o. 2.3.3.
4.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, r.o. 2.4.2; HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, r.o. 2.4.2;HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567,
5.HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567,
6.Vgl. HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3043, r.o. 2.3.2.
7.Met weglating van voetnoten.
8.ECLI:NL:PHR:2022:938, onder 2.7.
9.HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567,
10.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, r.o. 2.6.
11.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, r.o. 2.5.2.
12.Anders dan in de zaken die ten grondslag lagen aan de arresten van 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:185 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)3 en 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/). In deze zaken was het hof van oordeel dat de termijn niet in acht genomen was, maar dat dit vanwege de wijze waarop het bloed was bewaard en vervoerd, niet in de weg stond aan het oordeel dat sprake was van een ‘zo spoedig mogelijke’ verzending.