De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het besturen van een snorfiets onder invloed van alcohol met een bloedalcoholgehalte van 1,31 mg/ml. De verdediging stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was omdat het bloedmonster pas acht dagen na afname bij het laboratorium werd ontvangen, zonder concrete vaststellingen over de bewaring en het transport.
Het hof had geoordeeld dat het bloedmonster onder geconditioneerde omstandigheden bij ongeveer -20°C was bewaard en vervoerd, en dat acht dagen binnen de norm van 'zo spoedig mogelijk' viel. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat een termijn tot acht dagen nog acceptabel is, zeker bij geconditioneerd transport en zonder tegenbewijs.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatiemiddel faalt omdat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De waarborgen voor een betrouwbaar bloedonderzoek zijn nageleefd, zodat het bewijs toereikend is. De verweren tot vrijspraak worden verworpen en de veroordeling blijft in stand.