Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
B/Dexia [1] is in effectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder Dexia 100% van de schade van de afnemer van een effectenleaseproduct dient te vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in dat (i) een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd om de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten.
Dexia/Y [2] voldoende heeft gesteld voor het oordeel dat hij is geadviseerd door een medewerker van een cliëntenremisier.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1) en dat Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn (
onderdeel 2). De
(sub)onderdelen 2.1, 3.1 en 4bevatten louter voortbouwende klachten. Dexia heeft de klacht in
nr. 10 van subonderdeel 1.1en
subonderdeel 3.2ingetrokken. [4]
Dexia/Yvolgt het kader om te beoordelen of in een concreet geval sprake is van de hiervoor bedoelde advisering. Bepalend is of sprake is van door een tussenpersoon verboden advisering in de zin van het financiële toezichtrecht. De Hoge Raad overwoog daaromtrent onder meer:
specifieke effectenleaseovereenkomstof ander specifiek financieel product aanbeveelt;
geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
gepersonaliseerde aanbevelingvan een specifieke effectenleaseovereenkomst is volgens de uitspraak in
Dexia/Ydus sprake als deze:
- hetzij is voorgesteld als
geschiktvoor deze afnemer;
-hetzij berust op een
afweging van de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer.
Voor de beoordeling van dit laatste – een afweging van de persoonlijke omstandigheden − kan van belang zijn of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product en (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd. (rov. 2.10.16)
Dexia/Yniet van belang:
- de inhoud van het advies;
- het eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product;
- dat de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen;
- dat de tussenpersoon zich presenteert als deskundige op het gebied van financiële advisering;
- dat de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer eigener beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon;
- dat er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, bijvoorbeeld in verband met hulp bij belastingaangiften of bemiddeling of advies met betrekking tot verzekeringen of financieringen;
- dat de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad;
- de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een ‘persoonlijk financieel plan’ of tijdens het adviesgesprek gemaakte schriftelijke aantekeningen, dan wel uitsluitend mondeling bij overhandiging van een brochure. (rov. 2.10.19)
Dexia/Yblijkt dat het bij de toepassing van de schadeverdelingsregel van het arrest
B/Dexiagaat om een op het financiële toezichtrecht afgestemd toetsingskader om te beoordelen of sprake is van advisering. Daarmee verwierp de Hoge Raad de zogenaamde privaatrechtelijke benadering, waarin de afbakening van het toepassingsbereik van de schadeverdelingsregel van het arrest
B/Dexiamoet worden bepaald aan de hand van het bestaan van een adviesrelatie in privaatrechtelijke zin. [8] Ik meen dat hier sprake is van een precisering of althans verduidelijking van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. Dit moet worden bedacht bij het kennisnemen van oudere rechtspraak.
Dexia/Yhebben het hof Arnhem-Leeuwarden en het hof ’s-Hertogenbosch in vergelijkbare zaken arresten gewezen en gepubliceerd, waarin het door de Hoge Raad gegeven beoordelingskader wordt toegepast. [9]
subonderdelen 1.1-1.2over het oordeel in rov. 3.9-3.12 en 3.16-3.17 [10] dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de Afnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door Spaar Select is geadviseerd.
nrs. 8-9), onder verwijzing naar mijn conclusie in de zaak
Dexia/Y, voorop dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘advies’ zoals bedoeld in het arrest
B/Dexiamoet worden beoordeeld of de tussenpersoon jegens de particuliere belegger de zorgplicht van een adviseur had en of die belegger redelijkerwijs mocht verwachten dat de tussenpersoon als dienstverlener zou handelen in zijn belang. De vraag of een dergelijke adviesrelatie tot stand is gekomen, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, van belang zijn. De ingetrokken klacht van
nr. 10van
subonderdeel 1.1bouwt hierop voort.
Dexia/Yvolgt echter dat bepalend is of sprake is van door een tussenpersoon verboden advisering in de zin van het financiële toezichtrecht (zie hiervoor in 3.3.1).
nr. 11) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, die het hof uit een aantal in rov. 3.13 aangehaalde producties heeft afgeleid, niets zegt over de vraag of in het geval van de Afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest
B/Dexia. De in die producties gebruikte termen ’advies‘, ’persoonlijk advies‘, ’beleggingsadvies‘ en ’adviseren‘ bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, omdat deze termen (ook in de effectenleaserechtspraak) op allerlei manieren worden gebruikt die niet binnen het bereik van advisering in de zin van het arrest
B/Dexiavallen. Vanwege de onbepaaldheid van de term ’adviseren‘ en genoemde varianten daarop, volstaat de verwijzing van het hof naar de gebruikelijke werkwijze in rov. 3.12-3.16 van het bestreden arrest niet als grondslag voor het oordeel dat sprake is geweest van een advies als bedoeld in het arrest
B/Dexiavan Spaar Select aan de Afnemer, waardoor de vergoedingsplicht van Dexia volledig in stand moet blijven. Hierom is het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de klacht.
nrs. 8-10van
subonderdeel 1.1, faalt zij om de hiervoor gegeven redenen. Voor het overige faalt zij op grond van het volgende.
Dexia/Ymoet worden begrepen. Onder dit begrip valt onder meer het geval dat de aanbieder, kort gezegd, een specifieke effectenleaseovereenkomst als geschikt voor deze afnemer heeft voorgesteld (zie hiervoor in 3.3.1). Het hof heeft voorts de algemene betwisting door Dexia dat sprake is geweest van een vergunningplichtig advies verworpen (in rov. 3.12, eerste en tweede alinea). Ook dit strookt met de prejudiciële beslissing in
Dexia/Y(zie hiervoor in 3.3.3). Over een en ander klaagt het middel terecht niet, respectievelijk niet meer na het intrekken van de klacht in
nr. 10van
subonderdeel 1.1.
B/Dexia, zoals dat in het licht van de prejudiciële beslissing in
Dexia/Ymoet worden begrepen. Meer behoefde het hof niet te doen. In het bijzonder behoefde het hof niet nader te onderzoeken in welke zin het begrip advisering werd gebruik in de door het hof in rov. 3.13 onder a-g bedoelde teksten. Het middel wijst er op zichzelf terecht op dat het begrip ‘advisering’ verschillende situaties kan dekken. Dit wordt bevestigd door de prejudiciële beslissing in de
Dexia/Y, waaruit volgt dat verschillende situaties kunnen worden aangemerkt als door het financiële toezichtrecht verboden vormen van advisering door een tussenpersoon (cliëntenremisier). Het door de klacht bestreden oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering.
nr. 13) over het oordeel in rov. 3.12 (herhaald in rov. 3.17) dat Dexia de concrete stellingen van de Afnemer dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een op zijn persoonlijke situatie toegesneden advies heeft kregen van Spaar Select onvoldoende heeft betwist, hetgeen het hof heeft gebaseerd op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, de betrokkenheid van Dexia daarbij en de omstandigheid dat de concrete stellingen van de Afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select.
Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat de vaststelling dat de Afnemers stellingen aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat geldt temeer, aldus de klacht, omdat (a) de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select blijkens rov. 3.14 niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de Afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning, althans deze niet overgelegd zijn, en (c) sprake is van blote stellingen die de Afnemer pasna 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht en in het geheel niet heeft onderbouwd met enige vorm van bewijs, omdat de door de Afnemer overgelegde stukken (een visitekaartje en de notarisrekening) diens stellingen niet onderbouwen.
Het was aan de Afnemer om te onderbouwen wat Spaar Select daadwerkelijk heeft gedaan, omdat hij daarbij betrokken was. Dexia was niet aanwezig bij hetgeen tussen de Afnemer en Spaar Select is besproken en door het tijdsverloop van zestien jaren is het voor Dexia niet meer mogelijk om de stellingen van de Afnemer concreter te betwisten dan zij heeft gedaan, aldus de klacht.
geen stukkenheeft overgelegd ter staving van zijn stelling dat hij door de medewerker van Spaar Select is geadviseerd. De Afnemer heeft gesteld dat hij door de medewerker van Spaar Select
mondelingis geadviseerd. [13] Het hof heeft de stellingen van de Afnemer concreet en specifiek genoemd. In zoverre is, anders dan het subonderdeel
onder (c)aanvoert, geen sprake van ‘blote’ stellingen van de Afnemer. [14] Dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf, is door de Afnemer onderbouwd aan de hand van (de in rov. 3.13 onder a-g bedoelde) stukken. Ook in zoverre is geen sprake van ‘blote’ stellingen van de Afnemer.
onder (a), dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select
niet altijdis gevolgd. In de eerste plaats sluit dit argument niet uit dat Spaar Select ook in het geval van de Afnemer heeft geadviseerd. In de tweede plaats overwoog het hof over de mate waarin Spaar Select heeft geadviseerd, dat dit standaard, althans op grote schaal gebeurde. Het subonderdeel voert niet aan dat dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is het licht van het partijdebat.
onder (b), dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select in het geval van de Afnemer niet is gevolgd, omdat bij hem geen sprake is van een
Persoon Financieel Planen planning, althans deze niet overgelegd zijn. De door het hof vastgestelde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select bestaat uit verschillende elementen, waaronder een vorm waarin beleggingsadvies werd gegeven. In zijn beoordeling heeft het hof kennelijk van minder belang geacht dat de gestelde vorm van het advies in deze zaak afweek van de gebruikelijke vorm, en meer gewicht toegekend aan het feit dat de gestelde gang van zaken voor het overige overeenstemt met de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select. Ik acht dit op zichzelf niet onbegrijpelijk. Het hof heeft niet overwogen dat de door de Afnemer gestelde gang van zaken geheel overeenstemt met de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, maar (slechts) dat diens stellingen daarbij aansluiten.
In de processtukken waarnaar het subonderdeel verwijst heeft Dexia aangevoerd dat de stellingen van de Afnemer gezien het tijdsverloop ongeloofwaardig zijn. [15] Het hof heeft op dit punt blijkens rov. 3.12 anders geoordeeld.
Voor het overige heeft Dexia erop gewezen dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd waaruit volgt dat in het geval van de Afnemer door Spaar Select is geadviseerd. [16] Dit punt is hiervoor reeds besproken.
Ten slotte voert het subonderdeel niet aan dat Dexia (gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij) door het tijdsverloop niet meer de mogelijkheid had om de stellingen van de Afnemer concreter te betwisten dan zij heeft gedaan.
B/Dexiaheeft verstrekt, voor rekening en risico van Dexia. [18]
subonderdelen 2.1-2.3over het oordeel in rov. 3.13-3.17, kort gezegd, dat Dexia ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat Spaar Select aan de Afnemer een op zijn specifieke situatie toegesneden beleggingsadvies had gegeven.
subonderdelen 1.1 en 1.2voortbouwende klacht en faalt in het verlengde daarvan.
subonderdeel 1.1in
nr. 11en stuit af op hetgeen bij de behandeling van dat subonderdeel is opgemerkt
Bij het ontbreken van een dergelijk (concreet) aanknopingspunt over wat is voorgevallen in de desbetreffende relatie bestaat er onvoldoende onderbouwing voor de conclusie van het hof in rov. 3.17 dat Dexia (geobjectiveerde) wetenschap had dat Spaar Select aan de Afnemer een beleggingsadvies in de zin van het arrest
B/Dexiaheeft gegeven. De enkele omstandigheid dat sprake zou zijn van een gebruikelijke werkwijze en nauwe samenwerking met Spaar Select volstaat niet voor dat oordeel. Bekendheid met het bestaan van een gebruikelijk werkwijze en een nauwe samenwerking zegt niets over wat is voorgevallen tussen Spaar Select en de Afnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
Bovendien heeft het hof in rov. 3.14 overwogen dat de door het hof aangenomen gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet in alle gevallen steeds is gevolgd en heeft Dexia erop gewezen dat de beweerde gebruikelijke werkwijze in het geval van de Afnemer niet is gevolgd. Dit volgt uit het feit dat in de in rov. 3.13 onder a genoemde productie wordt beschreven dat deze gebruikelijke werkwijze van Spaar Select een Persoonlijk Financieel Plan en planning van Spaar Select zou omvatten, maar de Afnemer heeft niet een dergelijk plan of planning in de procedure overgelegd. Dit alles onderstreept dat de werkwijze van Spaar Select niet als basis kan dienen om aan te nemen dat Dexia wist of behoorde te weten dat in het geval van Spaar Select en de Afnemer een specifiek op de situatie van de Afnemer toegesneden beleggingsadvies is gegeven, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 1.2(zie hiervoor in 3.14 e.v.) stelt ook
subonderdeel 2.3aan de orde of het verantwoord is om in deze zaak de stap van het algemene naar het bijzondere te maken. Het hof heeft overwogen dat Dexia ermee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Vervolgens heeft het hof de stap gezet naar het concrete geval en geoordeeld dat Dexia in het licht van de concrete onderbouwing door de Afnemer, onvoldoende heeft betwist dat zij ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat Spaar Select aan de Afnemer een op zijn specifieke situatie toegesneden beleggingsadvies had gegeven.
B/Dexiaheeft verstrekt, als dit door de Afnemer is onderbouwd met (concrete) aanknopingspunten ten aanzien van de specifieke relatie tussen Spaar Select en de Afnemer. Ik denk dat hiermee te hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht van de Afnemer.
in zijn specifieke gevaleen advies als bedoeld in het arrest
B/Dexiaheeft verstrekt. Voor Dexia kan het ook moeilijk zijn om meer onderbouwd te betwisten dat zij die bekendheid in een individueel had, maar de nood aan haar kant zal in het algemeen niet groter zijn dan die aan de kant van een afnemer.
B/Dexiatot een lege huls zal worden als van de afnemer wordt geëist dat hij (meer) concreet aantoont dat Dexia bekend was met het feit dat Spaar Select in zijn specifieke geval een beleggingsadvies heeft verstrekt.
B/Dexiais daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering door Spaar Select niet vereist. Uit de bewoordingen “behoorde te weten” volgt immers dat in ieder geval tot op zekere hoogte kan worden geabstraheerd van de daadwerkelijke (subjectieve) bij Dexia aanwezige kennis en dat van geobjectiveerde kennis mag worden uitgegaan. [19]
subonderdeel 1.2(zie hiervoor in 3.17.2-3.17.3).
onderdeel 4bevatten louter voortbouwende klachten. Zij delen het lot van de voorgaande onderdelen van het cassatiemiddel.