Conclusie
2. [verweerder 2]
3. [verweerster 3]
4. de gezamenlijke erven van [erflater]
5. [verweerder 5]
6. [verweerster 3] , in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater]
Inleiding en samenvatting
[verzoeker]) en verweerders sub 1 t/m 5 (hierna:
[verweerster 1]en
[verweerder 2] , [verweerster 3]en
(de erven) [erflater], respectievelijk
[verweerder 5], hierna tezamen:
[verweerders sub 1 t/m 5]) zijn elk rechthebbende van één van de vier appartementsrechten waarin een pand is gesplitst. In deze procedure hebben zij over en weer verschillende verzoeken gedaan ter verkrijging van vervangende machtigingen ex art. 5:121 BW Pro, onder meer voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden. [verweerders sub 1 t/m 5] hebben daarnaast verzocht om een vervangende machtiging voor wijziging van de splitsingsakte, inhoudende een wijziging van de in het splitsingsreglement neergelegde stemverhouding (art. 5:140 BW Pro). Het hof heeft de machtiging ex art. 5:140 BW Pro verleend. De op grond van art. 5:121 door Pro [verweerders sub 1 t/m 5] gevraagde machtigingen zijn door het hof afgewezen omdat – kort gezegd – het aan de VvE is hierom te verzoeken en niet aan de individuele eigenaars.
[verzoeker] richt zich in het principale cassatieberoep met diverse rechts- en motiveringsklachten tegen het verlenen van de machtiging ex art. 5:140 BW Pro. Onder andere wordt geklaagd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] zijn medewerking aan wijziging van de stemverhouding zonder redelijke grond heeft onthouden, dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [verzoeker] heeft gepasseerd.
In het incidentele cassatieberoep komen [verweerders sub 1 t/m 5] op tegen de afwijzing van hun verzoeken ex art. 5:121 BW Pro. Volgens hen heeft het hof miskend dat deze machtigingen in dit geval ook door hen als individuele eigenaars kunnen worden verzocht.
Naar mijn bevinding zijn het principale en het incidentele cassatieberoep niet ontvankelijk voor zover gericht tegen respectievelijk ingesteld door de gezamenlijke erven van [erflater] , en dienen deze voor het overige te worden verworpen.
2.Feiten
het pand) is gesplitst in vier appartementsrechten. Rechthebbenden van die appartementsrechten zijn [verzoeker] en [verweerders sub 1 t/m 5] Stemgerechtigden in de betreffende vereniging van eigenaars (hierna:
de VvE) zijn [verweerders sub 1 t/m 5] en [verzoeker] .
MJOP);
[betrokkene 1]) bij de oplevering van schilderwerk, werk van de aannemer en andere werkzaamheden;
3.Procesverloop
sub b: aan [verweerders sub 1 t/m 5] vervangende machtiging verleend ten aanzien van de vereiste medewerking althans toestemming die de VvE behoeft om de eindrekening vast te stellen op € 154.179,97, verminderd met de kosten voor het afzagen van de hijsbalk;
sub d: [verzoeker] veroordeeld tot betaling van € 13.425,-, verminderd met de kosten voor het afzagen van de hijsbalk;
sub e: [verweerders sub 1 t/m 5] vervangende machtiging verleend ten aanzien van de vereiste medewerking althans toestemming die de VvE behoeft teneinde de werkzaamheden aan de meterkast en lift te verrichten.
sub aex art. 5:140 BW Pro) zijn door de kantonrechter afgewezen.
sub b, den
ezijn toegewezen.
sub aen
czijn afgewezen. Voorts hebben zij hun inleidend verzoek gewijzigd en het hof verzocht:
sub b, den
everzochte is toegewezen en het meer of anders verzochte is afgewezen. Opnieuw rechtdoende heeft het hof aan [verweerders sub 1 t/m 5] vervangende machtiging tot wijziging van de splitsingsakte verleend, in die zin dat artikel M van het splitsingsreglement vervalt en dat in plaats daarvan besluiten conform artikel 37 van Pro het modelreglement kunnen worden genomen met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen, met afwijzing van het meer of anders verzochte.
3.6 Voor het functioneren van een vereniging van eigenaars is een goed functionerend bestuur onmisbaar, omdat zo'n vereniging haar taak en bevoegdheden uitoefent door middel van een bestuur. Met betrekking tot de taak en de bevoegdheden van de VvE overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 5:126 BW Pro voert (het bestuur van) de VvE het beheer over de gemeenschap, daaronder begrepen het aanbrengen van veranderingen en vernieuwingen. De VvE ziet voorts toe op de nakoming van verplichtingen die de appartementseigenaars bij of krachtens de wet of het reglement jegens elkaar hebben. Het bestuur beheert de middelen van de vereniging en geeft leiding aan de dagelijkse gang van zaken. Het bestuur heeft voorts tot taak om besluiten uit te voeren en daartoe uitvoerings- en beheershandelingen te (laten) verrichten. De bepaling in het reglement dat in afwijking van het bepaalde in artikel 37 leden Pro 1, 2 en 5 van het modelreglement alle besluiten worden genomen met instemming van alle eigenaars strekt zich in beginsel niet uit over het beheer door de VvE. Het is dus niet zo, dat voor iedere uitvoeringshandeling van een door de vergadering van appartementseigenaars genomen besluit steeds de toestemming nodig is van alle appartementseigenaars. Hoewel die vergadering het hoogste orgaan is in de vereniging, zijn beheer- en uitvoeringshandelingen niet steeds aan de toestemming van de vergadering onderworpen. De VvE is voorts bevoegd handelingen te verrichten die zien op onderhoud of behoud van gemeenschappelijke gedeelten of op werkzaamheden die geen uitstel kunnen dulden.
3.7 Met uitzondering van de verzochte machtiging sub a. zien alle verzochte machtigingen op toepassing van artikel 5:121 BW Pro. In dit artikel wordt, voor zover relevant, de bevoegdheid gegeven aan een individuele appartementseigenaar om van de kantonrechter een vervangende machtiging te verzoeken, die in de plaats komt van de medewerking of toestemming van een of meer andere appartementseigenaars, van de vereniging van eigenaars of een van haar organen (zoals de vergadering van eigenaars). Het gaat dan om medewerking of toestemming die nodig is voor het verrichten van een bepaalde handeling (rechtshandeling of feitelijke handeling) met betrekking tot gemeenschappelijke gedeelten. De bevoegdheid om een vervangende machtiging te verzoeken komt op gelijke wijze toe aan de vereniging van eigenaars of aan de vergadering van eigenaars (als orgaan van de vereniging) met betrekking tot de medewerking of toestemming van een of meer appartementseigenaars. De machtiging kan worden verleend indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd of degene die medewerking of toestemming moet geven, zich niet verklaart. In art. 5:121 lid 3 wordt Pro bepaald dat indien het verzoek het aanbrengen van een nieuw werk of installatie betreft, de kantonrechter desverzocht een regeling kan vaststellen met betrekking tot de verhouding waarin appartementseigenaars in de kosten moeten bijdragen.
3.8 Voor toepassing van art 5:121 BW Pro moet worden vastgesteld van welk(e) (rechts)persoon of orgaan van de vereniging medewerking of toestemming is vereist voor het verrichten van een bepaalde handeling met betrekking tot gemeenschappelijke gedeelten en door wie in dat geval vervangende machtiging kan worden verzocht. Als een vervangende machtiging wordt verzocht door of jegens een (rechts)persoon of orgaan van de vereniging op wie niet de bevoegdheid rust om toestemming of medewerking te verlenen of te verzoeken met betrekking tot de te verrichten handeling, zal het verzoek worden afgewezen.”
3.12 Bovenstaande overwegingen - naast 3.11 met name 3.5 tot en met 3.8 - leiden ertoe dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de aan [verweerders sub 1 t/m 5] verleende vervangende machtiging ten aanzien van de vereiste medewerking althans toestemming die de VvE behoeft teneinde de eindafrekening vast te stellen op € 154.179.97 (sub b) zal worden toegewezen. Het hof zal hieronder ingaan op de kosten van het afzagen van de hijsbalk, nu die kosten door de kantonrechter in het dictum in mindering zijn gebracht. Het verzoek van [verweerders sub 1 t/m 5] om hun alsnog een vervangende machtiging te verlenen tot het vaststellen van de verdeling van het bedrag van € 154.179,97 over de vier eigenaren conform de huidige verdeelsleutel (sub c), zal worden afgewezen. Deze verzoeken komen niet voor toewijzing in aanmerking en zullen alsnog worden afgewezen nu de VvE niet bij de procedure is betrokken.
3.13 Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de veroordeling van [verzoeker] tot betaling aan [verweerders sub 1 t/m 5] van € 13.425,- (ook hier: verminderd met de kosten voor het afzagen van de hijsbalk) (sub d) zal worden toegewezen. In plaats daarvan zal het hof het verzoek van [verweerders sub 1 t/m 5] afwijzen omdat zij dit verzoek niet kunnen doen buiten de VvE om en zij voorts in persoon geen aanspraak kunnen maken op een bijdrage aan de VvE. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen hierboven onder 3.5 is overwogen.
3.14 Ook het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de aan [verweerders sub 1 t/m 5] verleende vervangende machtiging ten aanzien van de vereiste medewerking althans toestemming die de VvE behoeft teneinde de werkzaamheden aan de meterkast en lift te verrichten (sub e) zal worden toegewezen. De uitvoering van deze werkzaamheden valt op grond van artikel 5:126 BW Pro onder het beheer van het bestuur van de VvE en de VvE zou die werkzaamheden ter hand kunnen nemen. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vergadering van appartementseigenaars (inclusief [verzoeker] ) akkoord is gegaan met een plan om een timmerman en een elektricien in te schakelen voor de desbetreffende werkzaamheden. Uit een verslag van een vergadering van 17 april 2018 valt zijn toestemming af te leiden en overigens heeft hij onvoldoende gesteld over mogelijke voorwaarden die hij aan de toestemming zou hebben verbonden. De grief van [verzoeker] tegen hetgeen de kantonrechter ter zake onder 23 van het vonnis heeft overwogen wordt verworpen omdat die grief onvoldoende is toegelicht. Het hof verwijst voorts naar hetgeen onder 3.4 en 3.5 is overwogen (de VvE is niet bij de procedure betrokken). Het vonnis zal op dit onderdeel daarom worden vernietigd en het verzoek tot vervangende machtiging zal alsnog worden afgewezen.
(…)
3.17 Het verzoek van [verweerders sub 1 t/m 5] om de aan [verzoeker] verleende machtiging ten aanzien van de werkzaamheden om de hijsbalk te vervangen te vernietigen (sub g) zal worden toegewezen. Een beslissing hierover moet door de VvE worden genomen. Op dit onderdeel zal het bestreden vonnis worden vernietigd en het verzoek van [verzoeker] op dit punt zal alsnog worden afgewezen. Hieruit volgt dat ook het verzoek van [verzoeker] (sub h) zal worden afgewezen en dat het verzoek sub f van [verweerders sub 1 t/m 5] om de hijsbalk af te zagen alsnog zal worden afgewezen omdat hiervoor betrokkenheid van de VvE is vereist.
3.18 Het gewijzigd verzoek om aan [verweerders sub 1 t/m 5] een machtiging te verlenen met het oog op herstel van de voordeurdrempel van de toegangsdeur naar het pand op basis van een nader genoemde offerte zal worden afgewezen omdat dit valt onder het beheer van de VvE. Het verzoek kan niet zonder de VvE daarin te betrekken, worde[n] toegewezen.
3.19 Het verzoek [verweerders sub 1 t/m 5] voorwaardelijk een machtiging te verlenen om het bedrag dat [verzoeker] op grond van de in hoger beroep vastgestelde kosten van verbouwing (inbegrepen zijn overige reguliere betalingsverplichting) in rechte te vorderen, leent zich evenmin voor toewijzing. Een vordering in rechte tot betaling van degelijke kosten dient door de VvE te worden ingesteld. Dit verzoek zal worden afgewezen.”
3.23 Het bestreden vonnis zal met betrekking tot de niet verleende machtiging sub a worden vernietigd en de machtiging zal alsnog worden verleend. Dit zal er toe leiden dat de vergadering van eigenaars een bestuur kan benoemen en dat de VvE zich in rechte kan laten vertegenwoordigen.”
primairtot niet-ontvankelijkheid en
subsidiairtot verwerping van het principaal cassatieberoep. Tevens hebben verweerders sub 1 t/m 6 incidenteel cassatieberoep ingesteld. [verzoeker] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring althans verwerping van het incidentele cassatieberoep. Na kennisgeving van de procesinleiding heeft verweerster sub 6 een nader verweerschrift ingediend. [13]
4.Principaal cassatieberoep - ontvankelijkheid verzoeker
q.q.) is toegevoegd als verweerder sub 6. Op 23 februari 2022 heeft de griffier aan [verweerster 3] in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] kennis gegeven van de indiening van de procesinleiding. Daarbij is meegedeeld dat een verweerschrift kan worden ingediend en incidenteel cassatieberoep kan worden ingesteld.
5.Principaal cassatieberoep - bespreking van de klachten
geen enkelbelang ten grondslag ligt; het gaat om een afweging van alle betrokken belangen. Dit geldt ook indien, zoals in dit geval, de beoogde wijziging van de splitsingsakte betrekking heeft op een wijziging van de stemverhouding (in casu: van consensus naar meerderheid). Die omstandigheid kan mede in de beoordeling worden betrokken. Uit rov. 3.22 volgt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het heeft alle omstandigheden in aanmerking genomen en is na een afweging van de wederzijdse belangen (kort gezegd: bevordering van de besluitvorming versus invloed op de besluitvorming) tot het oordeel gekomen dat [verzoeker] zijn medewerking aan de wijziging van de splitsingsakte niet kon weigeren. Subonderdeel 2.1-I faalt.
eersteplaats dat het hof in rov. 3.22 en 3.23 heeft miskend dat van een zonder redelijke grond weigeren van toestemming tot wijziging van de stemverhouding naar de aard geen sprake kan zijn in de omstandigheden dat:
- het een verhouding van drie tegen één betreft, zodat
- de wijziging per saldo inhoudt dat [verzoeker] elke vorm van zeggenschap verliest en
- hij dan elke beslissing moet gaan aanvechten bij de kantonrechter en
- die wijziging van de stemverhouding maakt dat [verweerders sub 1 t/m 5] niet langer in overleg moeten en zullen treden met [verzoeker] .
voortseen motiveringsklacht, die ik aldus begrijp dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het volgende:
(i) naar het (in appel niet voldoende bestreden) oordeel van de kantonrechter in eerste aanleg was er met regelmaat wel consensus (bestreden beschikking, rov. 3.21);
(ii) er wordt niet vastgesteld of het in rov. 3.22 weergegeven standpunt van [verweerders sub 1 t/m 5] juist is.
Wat betreft de onder (i) aangevoerde omstandigheid geldt dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat die regelmatige consensus niet opweegt tegen de vastgestelde – als zodanig in cassatie niet bestreden – omstandigheid dat door de vereiste unanimiteit toch keer op keer een impasse ontstaat, waardoor de noodzakelijke besluitvorming stagneert, over tal van kwesties wordt geprocedeerd en de onderhoudswerkzaamheden inmiddels stil liggen (rov. 3.22, eerste drie volzinnen). Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk.
Hetgeen is aangevoerd onder (ii) berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Het hof overweegt immers tijdens de mondelinge behandeling te hebben geconstateerd dat de stelling van [verweerders sub 1 t/m 5] – dat de besluitvorming stagneert en over tal van kwesties wordt geprocedeerd – juist is (rov. 3.22, eerste volzin).
de eerdere tussen partijen gevoerde procedures’ heeft betrokken. Voor het oordeel of [verzoeker] zonder redelijke grond zijn medewerking aan de wijziging van de splitsingsakte heeft geweigerd is immers van belang is wat uit die procedures blijkt aangaande: (1) de stemverhoudingen (drie tegen één [30] ), (2) het initiatief tot die procedures (te weten: [verweerders sub 1 t/m 5] ), (3) de (on)gegrondheid van de weigeringen van [verzoeker] in het kader van besluiten betreffende o.m. het onderhoud [31] , en (4) de mate waarin [verzoeker] aan andere projecten wel goedkeuring heeft gegeven en het verloop van die projecten. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij een onbegrijpelijk dan wel ongemotiveerd oordeel gegeven, aldus de klacht van
subonderdeel 2.1-III. Verder heeft [verzoeker] zich als verweerder in eerste aanleg en als geïntimeerde in incidenteel appel op het gezag van gewijsde van deze uitspraken beroepen [32] , zodat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend en essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten, aldus wordt geklaagd in de
subonderdelen 2.1-IV en 2.1-V.
op het moment van de betreffende uitspraaknog geen sprake was van structureel tegenstemmen zonder in redelijkheid verdedigbare argumenten – zodat op dát moment nog geen reden bestond om art. M in de akte te laten vervallen – maar dat zulks op termijn mogelijk anders zou kunnen komen te liggen. [34] In de onderhavige procedure heeft [verzoeker] in eerste aanleg een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van deze uitspraken. [35] De kantonrechter heeft dit verweer onderkend (beschikking van 30 augustus 2019, rov. 8), maar heeft het verworpen op de grond dat het onderhavige verzoek van [verweerders sub 1 t/m 5] ook op andere feiten is gebaseerd (rov. 26). In incidenteel appel heeft [verzoeker] zijn beroep op het gezag van gewijsde herhaald. [36] In de thans bestreden beschikking van het hof ligt besloten dat het hof het beroep op (het gezag van gewijsde van) de eerdere beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende oordelen heeft verworpen. Het hof is kennelijk, net de kantonrechter, van oordeel dat het onderhavige verzoek mede is gebaseerd op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan nadat de eerdere beschikkingen waren gegeven. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk. [37] Het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraken staat niet aan toewijzing van het op deze grondslag gebaseerde verzoek in de weg. [38] Mede gelet op die laatste gebeurtenissen is het hof van oordeel dat [verzoeker] in redelijkheid niet langer (“
inmiddelsliggen de bouwwerkzaamheden stil”) zijn medewerking aan wijziging van de splitsingsakte kan onthouden. Hierop stuiten alle klachten af.
voortsgericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.22 dat het ‘
de vrees van [verzoeker] dat aan zijn wensen voorbij zal worden gegaan en dat hij niet serieus zal worden genomen op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gegrond acht’.
eersteplaats onbegrijpelijk zijn omdat bepaald niet kan worden gezegd [verzoeker] ‘steeds zijn zin’ wil of moet hebben.
Deze klacht faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het hof heeft niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat [verzoeker] ‘steeds zijn zin’ wil hebben. Het hof overweegt in rov. 3.22 slechts in het algemeen dat in de besluitvorming binnen de VvE niet iedere appartementseigenaar steeds zijn zin kan krijgen.
tweedewordt aangevoerd dat het hof niet heeft gemotiveerd waarop het doelt met ‘de stukken en het verhandelde ter zitting’.
Deze klacht faalt. [verweerders sub 1 t/m 5] hebben in de gedingstukken uitvoerig en bij herhaling uiteengezet wanneer en op welke wijze [verzoeker] in de besluitvorming aangaande het onderhoud en de uitvoering daarvan is betrokken. [39] Het hof hoefde dat niet nader te specificeren.
derdewordt aangevoerd dat uit het feit dat de keren dat [verzoeker] niet akkoord is gegaan hij dat niet zonder redelijke grond heeft gedaan, juist volgt dat wanneer zijn instemming niet langer noodzakelijk is, er met hem inderdaad geen rekening zal worden gehouden. Dit punt zal worden meegenomen bij de bespreking van subonderdeel 2.1-VI.
voortsdat het hof art. 149 Rv Pro heeft miskend. Volgens de klacht kan op grond van ‘deze betwisting’ (lees: het beroep van [verzoeker] op de twee eerdere uitspraken inzake verzoeken ex art. 5:140 BW Pro) niet als vaststaand worden aangenomen dat [verzoeker] zonder redelijke grond zijn medewerking aan de wijziging onthoudt.
Bovendien is de tweede bestreden overweging (rov. 3.23) niet dragend voor het (in rov. 3.22 reeds bereikte) oordeel dat de weigering van [verzoeker] een redelijke grond ontbeert. Het gaat slechts om een overweging ten overvloede, waarin een mogelijk gevolg van de wijziging van de splitsingsakte wordt genoemd.
principaalappel van [verzoeker] gedane bewijsaanbod niettemin terzake dienend is in zijn verweer tegen (het tegen de afwijzing van het verzoek ex art. 5:140 BW Pro gerichte)
incidenteelappel van [verweerders sub 1 t/m 5]
6.Incidenteel cassatieberoep - ontvankelijkheid verzoekers
7.Incidenteel cassatieberoep - bespreking van de klachten
(i)
sub btot verlening van vervangende machtiging ex art. 5:121 BW Pro ten aanzien van de vereiste medewerking die de VvE behoeft teneinde de eindafrekening vast te stellen op € 154.179,97 (
rov. 3.12);
(ii)
sub dtot veroordeling van [verzoeker] tot betaling van € 13.425,- (
rov. 3.13);
(iii)
sub etot verlening van vervangende machtiging ex art. 5:121 BW Pro ten aanzien van de vereiste medewerking die de VvE behoeft teneinde de werkzaamheden aan de meterkast en de lift te verrichten (
rov. 3.14);
(iv)
sub ftot verlening van vervangende machtiging ex art. 5:121 BW Pro voor het afzagen van de hijsbalk (
rov. 3.17);
(v) tot verlening van machtiging ex art. 5:121 BW Pro met het oog op herstel van de voordeurdrempel (
rov. 3.18), en
(vi) tot voorwaardelijke verlening van een machtiging ex art. 5:121 BW Pro om het bedrag dat [verzoeker] op grond van de in hoger beroep vastgestelde kosten van verbouwing (inbegrepen zijn overige reguliere betalingsverplichting) verschuldigd is in rechte te vorderen (
rov. 3.19),
alsmede de overwegingen die daaraan in
rov. 3.5 t/m 3.8 en 3.11ten grondslag zijn gelegd.
het bestuur c.q. (een orgaan van) de VvE bij uitsluiting bevoegdis. Dit is, volgens [verweerders sub 1 t/m 5] , onder meer het geval als de VvE, zoals in deze zaak, wegens een impasse in de vergadering van eigenaars (kennelijk) niet van de betreffende bevoegdheid gebruik kan of zal maken en wegens een impasse in de vergadering geen (formeel) bestuur kan worden benoemd. Wanneer, zoals in dit geval, de VvE slechts uit vier leden/appartementseigenaars bestaat en er geen formeel bestuur is benoemd, kan in zo’n geval voornoemde machtiging ook worden verleend indien alle appartementseigenaars in de gerechtelijke procedure zijn betrokken. Het hof heeft miskend dat de betrokkenheid van de VvE en/of het bestuur daarvan in de gerechtelijke procedure niet vereist is en de VvE en/of het bestuur dus niet als belanghebbende(n) hoeft te worden opgeroepen.
onder het beheer van het bestuur van de VvE. Het hof heeft miskend dat de werkzaamheden aan de lift en de meterkast (rov. 3.14) en het herstel van de voordeurdrempel (rov. 3.18) niet kunnen worden uitgevoerd nu wegens een impasse in de vergadering van eigenaars geen (formeel) bestuur kan worden benoemd en daarmee ook geen uitvoerings- en beheershandelingen kunnen worden verricht door het bestuur van de VvE. Onder deze omstandigheden kunnen wel degelijk vervangende machtigingen worden verleend, zodat deze werkzaamheden alsnog kunnen worden uitgevoerd en daarmee niet de benoeming van een formeel bestuur hoeft te worden afgewacht, aldus het onderdeel.
door wievervangende machtiging kan worden verzocht. Wat betreft vraag (b) is van belang dat slechts een vervangende machtiging kan worden gegeven aan een individuele eigenaar, de VvE of een orgaan daarvan in de gevallen waarin deze medewerking of toestemming behoeft
voor het verrichten van een handeling. Dit betekent dat niet een vervangende machtiging kan worden verzocht door degene die zelf niet
bevoegdis tot het verrichten van de betreffende handeling. Zo kan een individuele eigenaar niet een vervangende machtiging vragen voor een handeling waartoe slechts de VvE bevoegd is, zoals een handeling in het kader van beheer.
nog daargelaten dat zo’n vordering niet past in de onderhavige verzoekschriftprocedure.”
Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk omdat [verweerders sub 1 t/m 5] geen verzoek hebben gedaan namens de individuele eigenaars in persoon ( [verweerders sub 1 t/m 5] ), maar tot betaling aan de (bankrekening van de) VvE. Hierbij verwijzen [verweerders sub 1 t/m 5] naar hun verzoek in eerste aanleg [57] en het verweerschrift hoger beroep tevens incidenteel appel. [58]
sub dheeft het hof vastgesteld dat [verweerders sub 1 t/m 5] hebben verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling door overmaking van het bedrag ad € 13.425,- op de bankrekening van de VvE (rov. 3.1
sub d). Te dien aanzien heeft het hof in rov. 3.5 overwogen dat een veroordeling tot betaling ten behoeve van de VvE niet buiten betrokkenheid van de VvE door de individuele appartementseigenaars ten gunste van zichzelf kan worden gevorderd. Het hof heeft dit verzoek afgewezen omdat [verweerders sub 1 t/m 5] dit niet kunnen doen buiten de VvE om en zij voorts in persoon geen aanspraak kunnen maken op een bijdrage aan de VvE (rov. 3.13). In de bestreden overweging gaat het hof er dus niet vanuit dat [verweerders sub 1 t/m 5] betaling aan zichzelf hebben gevorderd.
Aangevoerd wordt dat de VvE inderdaad toeziet op de nakoming van de verplichtingen die voor de eigenaars op grond van de wet of het splitsingsreglement jegens elkaar gelden en in dat kader in rechte tegen hen kan optreden (art. 5:126 lid 6 BW Pro), maar dat dit nog niet betekent dat de individuele eigenaars 1) zelf niet meer een vervangende machtiging kunnen verzoeken tot vaststelling van de eindafrekening, 2) zelf niet meer vaststelling van de verdeling van het bedrag conform verdeelsleutel kunnen vorderen en 3) zelf niet meer bevoegd zijn om in rechte nakoming te vorderen van de betaling van de onderhoudsbijdrage en/of andere kosten ten behoeve van de VvE.
jegens elkaarhebben. De VvE kan nakoming van die verplichtingen afdwingen. [59] Als de VvE niet optreedt, kunnen ook de eigenaars zelf nakoming vorderen. [60] Voor zover bedoeld wordt te klagen dat [verweerders sub 1 t/m 5] op grond deze bepaling toch om een vervangende machtiging tot vaststelling van de eindafrekening en de verschuldigde bijdragen kunnen verzoeken, stuit deze klacht af op het feit dat het hier gaat om taken van de VvE en niet om een verplichting van de eigenaars jegens elkaar.
die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. [65] De rechter heeft daarbij de beleidsvrijheid om per zaak te beslissen welke procedurele stappen noodzakelijk zijn voor een goed verloop daarvan. In dat kader is het aan de rechter om (onder andere) aspecten als de individuele belangen van partijen, waarheidsvinding, doelmatigheid en proceseconomische overwegingen tegen elkaar af te wegen. In die afweging kan ook van belang zijn of en in hoeverre door partijen is aangestuurd op een bepaalde proceshandeling. [66] In het onderhavige geval is door geen van partijen aangestuurd op een tussenbeschikking zoals door [verweerders sub 1 t/m 5] in cassatie voorgestaan. Het hof is door [verweerders sub 1 t/m 5] (dus) ook niet gewezen op de mogelijke ‘fatale gevolgen’ van de door het hof gevolgde koers voor [verweerders sub 1 t/m 5] zou hebben en hoefde dit dus ook niet in zijn oordeel te betrekken. De verplichting van het hof om te zorgen voor een goed verloop van de zaak gaat in dit geval immers niet zo ver dat het in zijn afweging rekening moet houden met scenario’s waarvoor de aanleiding in de procedure niet naar voren is gekomen. Dat een bepaalde koers voor (met name) [verweerders sub 1 t/m 5] tot een snellere eindoplossing zou leiden, is slechts een van de aspecten die het hof bij zijn taak als procesregisseur in ogenschouw dient te nemen. Ten slotte mag niet onvermeld blijven dat de procedure op intiatatief van het hof al voor een periode van zes maanden aangehouden is geweest ten behoeve van de benoeming van een interim-bestuurder (rov. 1). Gelet hierop is er geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van schending van art. 19 lid 2 Rv Pro.
8.Conclusie
- tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn beroep jegens de gezamenlijke erven van [erflater]
- overigens tot verwerping
- tot niet-ontvankelijkverklaring van de gezamenlijke erven van [erflater] in hun beroep
- overigens tot verwerping.