Conclusie
1.Aanduiding partijen en korte inhoud cassatieberoep
Verweersters in cassatie onder 1 en 2 zijn de dochters en erfgenamen van [de ene zoon van de moeder] (een zoon van de moeder).
Verweerder in cassatie onder 3, [verweerder 3] , is de andere zoon van de moeder. Verweerders in cassatie worden hierna tezamen aangeduid als [verweerders]
De hoedanigheid van partijen komt in hoofdstuk 3 van deze conclusie aan bod.
In cassatie wordt uitsluitend opgekomen tegen het oordeel van het hof in het eindarrest dat het gevorderde ten aanzien van beide percelen alsnog moet worden afgewezen. Het cassatiemiddel voert daartoe aan dat het hof in een tussenarrest had geoordeeld dat in hoger beroep niet is gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van één van de twee percelen.
2.Feiten en procesverloop
- een perceel met de kadastrale aanduiding [plaats] [sectie] nummer [001] , groot 1.550 m2 (hierna: [perceel 1] ) voor ƒ 65.875,-- en
- een perceel met de kadastrale aanduiding [plaats] [sectie] nummer [002] , groot 2.740 m2 (hierna: [perceel 2] ) voor ƒ 364.420,--.
Bij notariële akte van 4 oktober 2000 zijn de percelen aan de zonen geleverd.
Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Er is proces-verbaal opgemaakt.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
3.Opmerkingen vooraf en twee ontvankelijkheidskwesties
De schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen van de nalatenschap verhalen (art. 4:184 lid 1 BW Pro). [7]
schuldeiserzijn geworden van de gezamenlijke erfgenamen van [de ene zoon van de moeder] enerzijds en van de andere zoon, [verweerder 3] anderzijds. Zij zijn dus
schuldenaar. Met betrekking tot [de ene zoon van de moeder] brengt dit mee dat diens schuld aan de moeder uit onrechtmatige daad door de erfgenamen van de moeder kan worden verhaald op de goederen van zijn nalatenschap.
Beide procesbevoegdheden worden de eerste ontvankelijkheidskwestie genoemd.
De rolraadsheer van de Hoge Raad heeft in dit verband, kort samengevat, laten weten vooralsnog van oordeel te zijn dat oproeping van [de derde dochter] niet nodig is. [11]
Voor de beantwoording van deze – eveneens ambtshalve te stellen – vraag is een beoordeling van de in het middel geformuleerde klachten van belang. Daarom bespreek ik de tweede ontvankelijkheidskwestie bij de behandeling van het cassatiemiddel onder 4.
Een veroordelend vonnis kan op goederen van de nalatenschap ten uitvoer worden gelegd evenals dat het geval zou zijn geweest met een tegen de erflater verkregen vonnis. Dat geldt ook indien de erfgenaam/erfgenamen geen gebruik maakt/maken van de mogelijkheid van schorsing en het vonnis tegen de inmiddels overleden erflater wordt gewezen. [16]
Art. 4:144 lid 1 BW Pro bepaalt vervolgens dat de executeur, onverminderd de testamentaire lasten die de erflater aan deze mocht hebben opgelegd, en voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, tot taak heeft de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
Art. 4:195 lid 1 BW Pro bepaalt dat indien een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard en zij uit dien hoofde overeenkomstig afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW moet worden vereffend, alle erfgenamen vereffenaar zijn. [21] In dat geval oefenen de erfgenamen in beginsel [22] , hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uit (art. 4:198 BW Pro). [23] Dit betekent dat alle vereffenaars partij moeten zijn in een procedure. [24]
in persoonin een procedure betrokken zijn. In 2014 verwierp de Hoge Raad een beroep van verweerders op niet-ontvankelijkheid van de erfgenamen in hun cassatieberoep omdat zij door het hof
in persoonwaren veroordeeld te betalen en daarom recht en belang hadden daartegen in
eigen naamin cassatie op te komen. [25]
ERFSTELLINGI. a. Ik sluit mijn beide zoons, [de ene zoon van de moeder] en [verweerder 3] , alsook hun kinderen uit als erfgenamen van mijn nalatenschap. Ik benoem mijn dochters tot mijn enige erfgenamen, zo tezamen en voor gelijke delen, zulks evenwel met toepassing van de wettelijke regels van plaatsvervulling, welke plaatsvervulling voor de aanwas gaat.
De executeurs zullen geen loon genieten voor hun werkzaamheden.”
VI. Erfopvolging en beneficiaire aanvaardingBij gemeld testament heeft erflaatster tot haar erfgenamen benoemd, tezamen en voor gelijke delen: haar dochters voornoemd.
Erflaatsters genoemde dochters hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. Van deze beneficiaire aanvaardingen blijkt uit een aan deze akte gehechte akte van de Rechtbank Oost-Brabant met akte registratienummer 812/2013.”
VII. Executeurs, afwikkelingsbewindvoerders en volmacht
(…)
Blijkens twee aan deze akte te hechten stukken hebben [eiseres 1] voornoemd en [eiseres 2] voornoemd [ ] hun benoeming tot bewindvoerder en executeur aanvaard.
Blijkens een aan deze akte te hechten stuk heeft [de derde dochter] voornoemd voorts onherroepelijke volmacht verleend aan [eiseres 1] voornoemd en [eiseres 2] voornoemd om mede namens haar te beschikken over alle goederen welke tot de nalatenschap van erflaatster behoren en voorts de bevoegdheid om de nalatenschap te verdelen op de wijze zoals [eiseres 1] voornoemd en [eiseres 2] voornoemd dat onderling zullen vaststellen.
Nu aan de executeurs niet het recht van inbezitneming der nalatenschapsgoederen is toegekend is artikel 133 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek niet van toepassing en is afdeling 5.6 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op de benoeming van de executeurs. De executeurs zijn derhalve niet bevoegd tot voldoening van de opeisbare schulden en kunnen derhalve niet voorkomen dat de nalatenschap dient te worden vereffend overeenkomstig de bepalingen in afdeling 3 van titel 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Op grond van het bepaalde in artikel 4:149 lid 1 sub d van Pro het Burgerlijk Wetboek eindigt de taak van een executeur wanneer de nalatenschap overeenkomstig de derde afdeling van de zesde titel van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek moet worden vereffend. Op grond van het bepaalde in artikel 4:195 lid 1 juncto Pro 4:202 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle erfgenamen vereffenaar.
(i) de drie dochters erfgenamen tevens vereffenaars zijn;
(ii) de twee dochters tevens gevolmachtigde zijn van de derde dochter;
(iii) de twee dochters optreden als afwikkelingsbewindvoerder en (iv) in de genoemde hoedanigheden tezamen zelfstandig bevoegd zijn om te beschikken over de goederen behorende tot de nalatenschap van de moeder.
Dit brengt m.i. mee dat de twee dochters als vereffenaars en tevens gevolmachtigde van de derde dochter bevoegd zijn om als zodanig voor de nalatenschap van de moeder op te treden.
Eenzelfde vermelding is achtereenvolgens opgenomen in de memorie van antwoord, de akte van de zijde van [verweerders] van 11 februari 2020, de antwoordakte van de drie dochters van 10 maart 2020, en de antwoordmemorie na enquête van 11 januari 2022 van [verweerders]
M.i. is deze aanduiding in drie opzichten onjuist.
Een nadere toelichting op dit punt ontbreekt evenwel in de procesinleiding.
Daarbij kan ik slechts putten uit de stukken die zich in het overgelegde procesdossier bevinden.
ERFGENAMEN
[verweerster 1], voornoemd voor een/vierde
[verweerster 2], voornoemd voor drie/vierde gedeelte.
6.De nalatenschap van erflater is door [verweerster 1]
[verweerster 2]voornoemd aanvaard
BESCHIKKINGSBEVOEGDHEID EXECUTEUR
9.[verweerster 2] voo[r]noemd is in haar hoedanigheid van executeur
[verweerster 2] (verweerster in cassatie onder 2) is echter blijkens de verklaring van erfrecht, die zich in het procesdossier van de twee dochters bevindt, de executeur en als zodanig privatief bevoegd om de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Nu [verweerster 1] in de voorgaande instanties niet in persoon in eigen naam heeft geprocedeerd, dient het cassatieberoep voor zover gericht tegen haar, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
In genoemde rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt geoordeeld:
Bij de beantwoording stel ik het volgende voorop.
Dan resteert de vraag of in dit geval sprake is van cassatieklachten die langs de weg van art. 31 Rv Pro bij de feitenrechter aan de orde kunnen worden gesteld.
[perceel 1]3.8 Over dit perceel heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.3.2 van het eindvonnis van 20 februari 2019 onder meer geoordeeld dat het doorverkopen van het perceel op 31 maart 2000 voor een bedrag van ƒ 225.000,= aan een derde aan wie de gemeente het perceel al eerder had toegezegd erop wijst dat het bedrag van ƒ 65.875,= dat de zonen aan moeder voor dat perceel hebben betaald geen marktconforme prijs betrof en verschillende verweren van de zonen op dit punt verworpen. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat de zonen moeder niet juist en volledig hebben geïnformeerd over de waarde van [perceel 1] en aan haar geen marktconforme prijs hebben betaald, dat zij moeten worden geacht daarmee tegenover moeder onrechtmatig te hebben gehandeld en gehouden zijn de schade die hiervan het gevolg is te vergoeden.
Tegen deze rechtsoverweging hebben appellanten geen grieven aangevoerd, zodat deze het hof tot uitgangspunt strekt. Aard en omvang van de daardoor voor moeder ontstane schade komen later aan de orde.”
Het hof is van oordeel dat het mogelijk moet zijn zo nodig in een vervolgfase de eventuele schade in de onderhavige procedure vast te stellen, nu de gebeurtenissen waar de schadevordering betrekking op heeft inmiddels al 20 jaar geleden zijn voorgevallen.Wat betreft [perceel 2] wenst het hof de hiervoor omschreven vragen te bespreken, in samenhang met de eventuele schade die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen (indien sprake zou zijn van onrechtmatig handelen).
Wat betreft [perceel 1] gaat het alleen om de eventuele schade.De vraag naar een eventuele begroting van die schade in de onderhavige procedure kan aan de orde komen tijdens de mondelinge behandeling en zo nodig in een vervolgfase van dit geding.”
Al met al is m.i. daarom geen sprake van een niet-ontvankelijkheid van de twee dochters in hun cassatieberoep als gevolg van art. 399 Rv Pro.
5.Conclusie
- vernietiging van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 maart 2022 en tot verwijzing.