Conclusie
[eiser 1]
[eiseres 2]eisers tot cassatie
adv.: mr. P.A. Fruytier
niet verschenen
1.Feiten en procesverloop
de strook grond). [4]
Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat uit een grensreconstructie van het Kadaster volgt dat de door [eiser 1] en [eiseres 2] in gebruik genomen strook grond haar in eigendom toebehoort.
(I) voor recht te verklaren dat hij eigenaar is van de strook grond, dan wel dat de tot ontruiming strekkende vordering van [verweerster] is verjaard, en
(II) [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade ad € 2.500,-.
Hij heeft aan vordering (II) ten grondslag gelegd dat [verweerster] de door [eiser 1] aangebrachte erfafscheiding en beplanting heeft verwijderd en vernield.
in conventie: tot afwijzing van de vorderingen van [verweerster] ;
in reconventie: tot veroordeling van [verweerster] tot:
- ontruiming van de strook grond ten oosten van de oorspronkelijke erfafscheiding waarvan het gebruik aan [eiser 1] door middel van verjaring toekomt;
- herstel van de erfafscheiding op de plaats waar deze feitelijk stond voordat [verweerster] deze heeft doen verwijderen;
- vergoeding van de door [eiser 1] geleden schade aan tuin en beplanting van de strook ten bedrage van het door de hovenier te factureren bedrag dan wel een ex aequo bedrag van € 2.500,-.
verweerals de
vorderingenvan [eiser 1] en [eiseres 2] (verjaringsverkrijging door een van hun rechtsvoorgangers op de voet van art. 3:99 BW Pro of art. 3:105 jo Pro. 3:306 BW) meebrengt dat als eis geldt een ‘
onafgebroken bezit door de rechtsvoorgangers van [eisers].’. Een beroep op bezit van [eiser 1] en [eiseres 2] zelf gaat niet op, omdat de sinds 2008 eventueel lopende verjaring in 2016 [11] door [verweerster] tijdig is gestuit (rov. 3.3). Met betrekking tot het begrip ‘bezit’ heeft het hof als volgt overwogen:
bezitin de zin van deze wettelijke bepalingen (3:108 BW in combinatie met artikel 3:113 BW Pro) worden hoge eisen gesteld: het moet
openbaaren
ondubbelzinnigzijn en moet erop wijzen dat de betrokkene zich als rechthebbende beschouwt (hier: als eigenaar). In de woorden van de rechtbank: het moet zodanig zijn dat die persoon naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Daarvoor zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende. De vraag of rechtsvoorgangers van [eisers] zich in die zin hebben gedragen, moet worden beantwoord aan de hand van alle feitelijke omstandigheden van het geval [12] . Het ligt op de weg van [eisers] om dit bezit – dat dus niet snel wordt aangenomen – te bewijzen [13] .”
niettoegankelijk is geweest. Het was immers de eigenaar van dat perceel die ervoor heeft gekozen een strook eigen grond vrij te laten bij de bouw van de fietsenstalling. Daardoor is weliswaar een feitelijke, bebouwde begrenzing ontstaan die niet overeenkwam met de kadastrale erfgrens, maar dat leidt nog niet tot bezit van de eigenaar van het aangrenzende erf. Dat is ook niet het geval als deze zijn tuin overeenkomstig die begrenzing, onbelemmerd door zijn buren, heeft ingericht, gebruikt en onderhouden. Dat is zelfs niet het geval als hij daarbij te goeder trouw heeft gehandeld.
in juridische zin.
niettoegankelijk was, en daarvan (al dan niet provisorisch) was afgescheiden. Die conclusie trekt het hof ook – maar, zoals gezegd, dat betekent niet dat rechtsvoorgangers van [eisers] alleen al om die reden als bezitter van de strook kunnen worden aangemerkt. Met die constatering ontvalt het belang aan de discussie over de vraag of er op enig moment
weleen doorgang is geweest (wat [eisers] bestrijden) [17] en overigens ook of zich op de strook een tegelpad bevond [18] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1) gericht tegen rov. 3.4-3.10 van het bestreden arrest en het daarin vervatte oordeel dat – kort gezegd – de rechtsvoorgangers van [eiser 1] en [eiseres 2] nooit bezitter zijn geweest van de strook grond. Tegen dit oordeel richt het middelonderdeel klachten in twaalf genummerde subonderdelen. [21]
res nulliusin bezit neemt, kan volstaan met een eenvoudige vorm van occupatie: een voor anderen zichtbare uitoefening van macht over de zaak waaruit de pretentie van eigendom blijkt. Wanneer de zaak reeds bij een ander in bezit is, zal daarnaast duidelijk moeten zijn dat de macht van de oorspronkelijke bezitter over de zaak is geëindigd. [35]
subonderdeel 1.4heeft het hof althans miskend dat voor de vraag of sprake is van inbezitneming niet relevant is of een uiterlijk feit – in dit geval: de ontoegankelijkheid van de grond en de aanwezigheid van een afscheiding – het gevolg is van de eigen keuze van de (toenmalige) eigenaar. Het gaat erom of dat uiterlijke feit naar objectieve maatstaven, althans op grond van de verkeersopvatting, de conclusie kan rechtvaardigen dat sprake is van (in)bezit(neming) of aan die conclusie kan bijdragen. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een uiterlijk feit dat het gevolg is van een keuze van de eigenaar nooit wijst op (in)bezit(neming) van een ander, heeft het hof volgens het subonderdeel eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook een uiterlijk feit dat een gevolg is van een eigen keuze van de eigenaar kan immers (onder omstandigheden) naar verkeersopvatting, althans naar objectieve maatstaven, wijzen op in(bezit)neming door een ander.
gedragingen van de beweerde bezitterblijkt dat hij pretendeert eigenaar te zijn. Een geobjectiveerde rechthebbende zou daaruit immers moeten begrijpen dat zijn recht werd bedreigd. Bij zijn eigen gedraging is dat niet aan de orde. Dit is in lijn met de ratio van het ondubbelzinnigheidsvereiste dat voor bezit geldt (zie hiervoor alinea 2.6). Dit brengt mee dat wel degelijk relevant is of een afscheiding is geplaatst door de eigenaar of door de beweerde bezitter, omdat het plaatsen van de afscheiding slechts in het tweede geval als gedraging van de beweerde bezitter kan worden aangemerkt, waaruit in bepaalde omstandigheden ondubbelzinnig bezit kan blijken. [38] Wie op enige afstand van de erfgrens een muur bouwt, bewerkstelligt
daarmeeimmers nog geen machtsuitoefening door de buren, laat staan inbezitneming. Ik wijs er in dit kader op dat bezit voortduurt, zolang niet een van de in art. 3:117 BW Pro aangegeven gronden van bezitsverlies – te weten kennelijke prijsgeving door de beziter of bezitsverkrijging door een ander – zich voordoet. [39] In het algemeen wordt aangenomen dat prijsgeving van bezit van onroerende zaken door de eigenaar niet mogelijk is. [40]
“ook niet (...) als deze zijn tuin overeenkomstig die begrenzing, onbelemmerd door zijn buren, heeft ingericht, gebruikt en onderhouden (...) zelfs niet (...) als hij daarbij te goeder trouw heeft gehandeld”(rov. 3.5, slot). Geklaagd wordt dat het hof miskent dat uit die laatstbedoelde omstandigheden, tezamen met de niet-toegankelijkheid en feitelijke begrenzing, op grond van de verkeersopvatting of de uiterlijke feiten naar objectieve maatstaven wel kan volgen dat sprake is van inbezitneming van de eigenaar van dat aangrenzend perceel. Die omstandigheden zijn immers bij uitstek bezitsdaden.
In ieder geval valt volgens het subonderdeel zonder nadere motivering niet in te zien waarom daarvan in het onderhavige geval geen sprake zou zijn, nu het hof in rov. 3.5 tot feitelijk uitgangspunt heeft genomen dat rechtsvoorgangers van [eiser 1] en [eiseres 2] de strook grond als eigen tuin hebben ingericht, gebruikt en onderhouden. [41]
subonderdeel 1.6valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom geen sprake zou zijn van inbezitneming van de strook grond door de rechtsvoorgangers van [eiser 1] en [eiseres 2] op grond van de omstandigheid dat (a) die grond als gevolg van de aanwezige afscheiding niet toegankelijk is vanaf het perceel van [verweerster] , (b) die grond wel toegankelijk is vanaf het aangrenzend perceel, (c) de grond door de afscheiding van het perceel van [verweerster] was afgescheiden – naar het hof in rov. 3.7 vaststelt – en (d) [eiser 1] en [eiseres 2] en hun rechtsvoorgangers de grond hebben ingericht, gebruikt en onderhouden – naar het hof in rov. 3.5 tot uitgangspunt neemt. Uit die omstandigheden volgt immers, althans kan volgen, dat naar objectieve maatstaven op grond van de verkeersopvatting en/of de uiterlijke feiten sprake is van bezit van [eiser 1] en [eiseres 2] . Zonder nadere, ontbrekende, motivering valt niet in te zien waarom het hof oordeelt dat die omstandigheden tezamen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van inbezitneming door de rechtsvoorgangers van [eiser 1] en [eiseres 2] , aldus de klacht.
subonderdeel 1.7miskent het hof dat voor beantwoording van de vraag of sprake is van inbezitneming van een stuk grond mede relevant is (a) dat die grond is afgescheiden van het perceel van de eigenaar en feitelijk deel uitmaakt van het aangrenzende, (b) dat de eigenaar van het aangrenzend perceel het ongestoorde genot en gebruik van die grond heeft en (c) dat de rechtsvoorganger van de eigenaar van het aangrenzend perceel de grond heeft doorverkocht als onderdeel van het aangrenzend perceel en daarvoor ook is betaald. Volgens het subonderdeel zijn dit steeds uiterlijke feiten, althans omstandigheden, die naar verkeersopvatting of objectieve maatstaven kunnen leiden tot of bijdragen aan het oordeel dat sprake is van inbezitneming.
Kasteel Oud-Wassenaarvan 7 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1268,
NJ2017/304, rov. 3.4.2):
subonderdelen 1.12 en 1.13zijn gericht tegen het oordeel (a) dat (aannemelijk is dat) het onderhoud werd gepleegd door de rechtsvoorganger van [verweerster] (rov. 3.8 van het bestreden arrest jo. rov. 2.11 van het eindvonnis; rov. 3.10, slot), en (b) dat de rechtsvoorgangers van [eiser 1] en [eiseres 2] bij de schooldirectie op onderhoud hebben aangedrongen (rov. 3.8 van het bestreden arrest jo. rov. 2.11 van het eindvonnis). Deze oordelen zouden volgens de subonderdelen onbegrijpelijk (gemotiveerd) zijn.
onderdeel 1falen.
subonderdeel 2.1gericht tegen rov. 2.4-2.5, waarin het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 2] in haar (ook door [eiser 1] ingestelde) gewijzigde vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat zij niet voor het eerst in hoger beroep een vordering kan instellen. De bedoelde vordering houdt in dat [verweerster] wordt veroordeeld tot ontruiming van de grond, herstel daarvan in de oude toestand en het betalen van schadevergoeding, een en ander onder druk van een dwangsom. [55] Dit oordeel wordt bestreden met de volgende klachten.
subonderdeel 2.2miskent het hof met dit oordeel dat een appellante wel voor het eerst in hoger beroep een vordering (in reconventie) kan instellen, indien jegens haar in eerste aanleg verstek is verleend en zij als gevolg van het verschijnen van een mede-gedaagde in eerste aanleg geen verzet heeft kunnen instellen tegen de uitspraak in eerste aanleg – in welk geval zij wel de mogelijkheid zou hebben gehad om een reconventionele vordering in te stellen – maar tegen die uitspraak vanwege het verschijnen van die mede-gedaagde enkel hoger beroep openstond. In die situatie mag die appellante volgens het subonderdeel wel een reconventionele vordering instellen. Dat geldt in ieder geval voor zover die vordering gelijk is aan de (gewijzigde) eis van de mede-appellant die in eerste aanleg wel is verschenen.