Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
verklaring van aangever [aangever]:
verklaring van getuige [betrokkene 1], afgelegd op 17 augustus 2016:
het hof begrijpt gelet op de vordering verstrekking historische gegevens op pg. 27: van [A] [plaats]) (…), voor zover inhoudende als
relaas verbalisant [verbalisant 1]:
relaas verbalisant [verbalisant 2]:
relaas verbalisant [verbalisant 3]:
weergave van het verhoor van verdachte [verdachte], afgelegd op 10 april 2018:
het hof begrijpt: [A]) in [plaats] afgesproken om daar de overdracht doen.
tweedemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden aangezien de stukken van het geding pas op 25 mei 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen.
the Supreme Court did not change the essential characterization of the offence but merely reflected the Supreme Court’s assessment that the seriousness of the circumstances of the offence merited a higher penalty. Thus there is no basis for a finding of violation in this case of article 14, paragraph 5, of the Covenant’(ov. 9.2). Bleichrodt ziet (mede) in het licht van deze zienswijze geen aanknopingspunt te concluderen dat in dit soort gevallen toepassing van art. 80a RO en art. 81 RO Pro niet meer in aanmerking zouden komen (randnummer 46).
had miscalculated the number of years of imprisonment applicable to an offence committed with aggravating circumstances, including membership in a criminal organization’ en de straf had verhoogd tot vier jaren en zeven maanden gevangenisstraf (ov. 2.5 en 2.6). [8] In deze zaak overwoog het Comité dat de Spaanse Hoge Raad
‘increased the sentence because of a miscalculation by the High Court and it did not change the essential characterization of the offence but merely reflected the Supreme Court’s assessment that the seriousness of the circumstances of the offence merited a higher penalty’ (ov. 8.5). Pesselse leidt uit deze zienswijzen af dat het Comité ‘relevant acht’ of de beroepsrechter ‘ten opzichte van het oordeel in de eerdere instantie de essentiële karakterisering van het delict verandert’ en meent dat ‘de toekomst (moet) leren’ of het Comité ‘dit tamelijk smalle criterium zal toepassen óf zoals in de Filipijnse zaak iets ruimer naar een combinatie van verzwaarde bewezenverklaring, kwalificatie en straf zal kijken’. In die zaak, Larrañaga/De Filipijnen, had de beroepsrechter een veroordeling wegens vrijheidsberoving aangevuld met een veroordeling wegens onder meer doodslag en de straf verhoogd van levenslange gevangenisstraf tot de doodstraf. [9]
‘as a single offence and thus time-barred’. De Spaanse Hoge Raad zag dit als ‘
a continuing offence and therefore not time-barred’en veroordeelde de verdachte deswege tot zes jaar gevangenisstraf en schadevergoeding. Een ander feit, waarvan de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken, leverde volgens de Spaanse Hoge Raad valsheid in geschrifte op; de verdachte werd deswege tot vier jaar gevangenisstraf en een boete veroordeeld. Het Comité nam een schending van art. 14, vijfde lid, IVBPR aan en overweegt
‘that the absence of any right of review in a higher court of a sentence handed down by an appeal court, where the person was found not guilty by a lower court, is a violation of article 14, paragraph 5, of the Covenant’(ov. 7.2). Naar die overweging wordt verwezen in Jaddoe/Nederland. [11]
essential characterization of the offence’ invult, wordt uit de paar zienswijzen waarin dit begrip is gebruikt niet helemaal duidelijk. [12] Het is niet uitgesloten dat het inwisselen van de ene kwalificatie als vermogensmisdrijf voor de andere nog niet als een verandering van die ‘
essential characterization’wordt gezien. Daar komt bij dat het Comité de omstandigheid dat de ‘
essential characterization’niet was veranderd – zo blijkt - enkele malen ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat (kort gezegd) geen
‘review’noodzakelijk was. Daaruit volgt nog niet dat een ‘
review’ per definitie wel noodzakelijk is als die
‘essential characterization’is aangepast. Uit de omstandigheid dat de kwalificatie is veranderd behoeft niet noodzakelijkerwijs te volgen dat sprake is van ‘
a sentence handed down by an appeal court, where the person was found not guilty by a lower court’.