ECLI:NL:PHR:2023:42

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
21/00787
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep op noodweerexces bij beschadiging auto na verkeersruzie

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot een taakstraf wegens het opzettelijk beschadigen van de auto van de benadeelde na een verkeersruzie op 17 juli 2017. De ruzie ontstond door bumperkleven en agressief rijgedrag op de snelweg, waarna de benadeelde de achterruit van de auto van de verdachte insloeg terwijl diens minderjarige dochter in de auto zat. De verdachte zette hierop een achtervolging in en reed meerdere keren tegen de auto van de benadeelde aan, wat leidde tot schade.

De verdediging voerde aan dat sprake was van noodweerexces, omdat de verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de vernieling van zijn autoruit. Het hof verwierp dit beroep, stellende dat de verdachte veel te ver is gegaan en dat er een reëel alternatief was, namelijk het noteren van het kenteken en het inschakelen van de politie. De Hoge Raad toetste uitsluitend de motivering van de verwerping van het beroep op noodweerexces.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op noodweerexces niet slaagt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de hevige gemoedsbeweging niet langer aanwezig was op het moment van de gedragingen van de verdachte en dat de reactie disproportioneel was. Ook het subsidiariteitsvereiste is door het hof betrokken. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het beschadigen van een auto en verwerpt het beroep op noodweerexces.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00787
Zitting10 januari 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2021 door het gerechtshof Amsterdam voor het beschadigen van een auto veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, in dat verband de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf gelast.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Kuipers, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. [1]
1.3.
In het middel wordt geklaagd over de motivering van de verwerping van het beroep op noodweerexces.

2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de in hoger beroep gevoerde verweren

2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij, op 17 juli 2017 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, merk Ford, die aan
[betrokkene 1] toebehoorde, heeft beschadigd.”
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt blijkens de aanvulling op het arrest op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal aangifte (…), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juli 2017
tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
Ik was op maandag 17 Juli 2017 omstreeks 16:45 uur onderweg vanuit Amsterdam naar mijn huis in [plaats] . Ik was samen met een vriend van me genaamd [betrokkene 2] .
Ik reed op de linker rijbaan. Ik zag in mijn achteruitkijkspiegel dat er iemand hard aan kwam rijden, hij naderde mij snel. (....) Ik zag dat hij aan het bumperkleven was, ik voelde mij hierdoor opgejaagd.
Enige momenten daarna, ik denk ongeveer vier of vijf seconden daarna, voelde ik aan mijn voertuig dat ik van achteren geraakt werd. Ik schrok hier enorm van. Ik keek weer in mijn achteruitkijkspiegel en zag dat de man die net aan het bumperkleven was, nu daadwerkelijk tegen de achterkant van mijn auto reed.
(...)
Ik ben vervolgens om zijn auto heen gereden door het gras van de berm en reed de provinciale weg N8 op richting Uitgeest. Ik zag dat de bestuurder nu weer hard achter mij aan kwam. (...) ik voelde dat mijn auto hard werd geraakt aan de achterkant door zijn auto. (...) Ik zag in mijn linkerzij spiegel dat hij nu aan de zijkant reed, links naast mij. Ik voelde aan mijn voertuig dat hij mij daar nog een keer raakte. (...) Daarna is dit nog een keer gebeurd. (...).
2. Een proces-verbaal van getuige (…), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 juli 2017
tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
Vandaag, maandag 17 juli 2017, rond 15:15 uur werd ik opgehaald in Amsterdam Noord door een
vriend van me, genaamd [betrokkene 1] .
[betrokkene 1] reed in een personenauto van het merk Ford, kleur blauw. We stonden op een snelweg in de file. Ik weet niet welke snelweg dat is. Vijf minuten later, toen we gewoon weer op normale snelheid reden, 110 of 120 kilometer per uur denk ik, reden wij op de linkerrijstrook. Achter ons zagen wij een personenauto, merk Renault denk ik, kleur weet ik niet eens.
Deze auto begon te bumperkleven, hij ging heel dicht achter onze auto rijden. Ik denk dat de bestuurder wilde dat wij aan de kant gingen. Maar wij konden niet direct naar rechts en [betrokkene 1] wilde denk ik gewoon ook even verder rijden. Dus [betrokkene 1] ging niet meteen aan de kant. [betrokkene 1] werd een beetje boos door het rijgedrag van de bestuurder achter ons. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat hij het niet normaal vond dat hij zo dicht achter ons reed, dat het gevaarlijk was wat hij deed. [betrokkene 1] wilde vervolgens wisselen van rijstrook. Hij wilde dus een rijstrook naar rechts verplaatsen en [betrokkene 1] gebruikte hierbij zijn richtingaanwijzer voor rechts. De bestuurder achter ons volgde [betrokkene 1] echter. [betrokkene 1] nam de afrit, een lus naar een andere weg toe. De bestuurder van de Renault volgde ons. Daar in de bocht, kwam de bestuurder rechts langs ons over de vluchtstrook inhalen en afsnijden. Ik denk dat de rechterzijde van [betrokkene 1] zijn auto licht werd geschampt. Beide bestuurders hoorde ik toeteren. Ik zei tegen [betrokkene 1], rij door, laat zitten. [betrokkene 1] reed best met behoorlijke snelheid, ik denk 60/70 kilometer per uur door de bocht heen terwijl dit gebeurde. Wij moesten snelheid minderen en stoppen. In de bocht stopten ze alle twee. [betrokkene 1] reed er vervolgens omheen en reed dus door. Dit gebeurde zo twee keer.
Toen we bij een stoplicht kwamen toen stopten ze alle twee. De Renault stopte links naast [betrokkene 1] zijn auto. [betrokkene 1] had zijn raampje open, tijdens het rijden al trouwens want het was warm. Er werd gefoeterd en gescholden en de andere man maakte aanstalten om uit te stappen uit zijn auto. Toen pakte [betrokkene 1] plotseling de lifehammer in zijn auto vast, maar bleef in zijn auto zitten. Terwijl hij achter het stuur bleef zitten tikte hij door zijn open portierraam heen met de lifehammer op de rechterachterruit van de Renault. Hierdoor ging de ruit van de Renault stuk. Ik zei meteen tegen [betrokkene 1], wat doe je nou. Ik vond het niet normaal, ik had gezien dat er een kind achter in de auto zat, maar ik denk dat [betrokkene 1] dat helemaal niet gezien heeft.
[betrokkene 1] gaf gas, we waren bang dat het verder zou escaleren, dus hij reed wel hard weg. Vervolgens kwam die man weer achter ons aan. We reden weer op een verkeerslicht af, dus [betrokkene 1] remde af. Toen voelden we in een keer bam, hard achter op onze auto. Wij reden misschien nog 30 kilometer per uur of zo. De klap was echt hard. Ik heb er last van mijn nek van. Ik heb de klap ook niet aan zien komen. Op datzelfde punt heeft hij vervolgens nog wel drie, vier keer tegen ons aangereden, hij probeerde ons letterlijk van de weg af te duwen. Door zijn pogingen werden wij wel twee rijstroken naar links en rechts verplaatst. Hij reed echt tegen de kont van onze auto aan waardoor de auto van [betrokkene 1] opzij werd geduwd. De snelheid waarmee dat ging dat weet ik niet, als ik moet schatten, dan denk ik 30/40 kilometer per uur.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte (…), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 juli 2017
tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
verdachte:
Er reed een auto voor mij, dit was een Ford Focus, zwart van kleur. lk ben in het midden van de tweebaansweg gaan rijden, ik heb toen mijn rechterkant van mijn auto tegen die Ford Focus aangereden om hem te laten stoppen. Die Ford Focus wilde weer naar de linkerbaan om weg te komen. Hierop heb ik weer geprobeerd hem te raken zodat hij gedwongen moest stoppen. Ik heb toen met de rechtervoorkant geraakt aan zijn zijkant.
4. Een proces-verbaal van bevindingen (…), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 4] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van
verbalisanten (of één van hen):
Schade voertuig [betrokkene 1]
Van de schade van het voertuig van [betrokkene 1] ; van de blauwe Ford Focus, voorzien van kenteken
[kenteken], zijn door mij, verbalisant [verbalisant 4], foto’s gemaakt. Ik heb deze foto’s in een fotobijlage geplaatst en bij dit proces-verbaal gevoegd.”
2.3.
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte verweer heeft gevoerd aan de hand van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Hierin staat:
“1. Cliënt heeft zich niet netjes gedragen in het verkeer. Dat kan genoegzaam worden vastgesteld. Hufterig gedrag van beide kanten.
(…)
4. De directe aanleiding is uiteindelijk het inslaan van de ruit. De ruit in de nabijheid waar de dochter van cliënt zit in de auto. Autoruit wordt vernield en ook zijn dochter wordt bedreigd, een wederrechtelijke aanranding. Nog los van de vraag of aangever dit wel of niet heeft gezien; het is gegeven deze omstandigheden voorstelbaar dat cliënt de achtervolging inzet terwijl hij contact opneemt met de politie. Client wil voorkomen dat aangever ontkomt. Bij die achtervolging probeert cliënt aangever van de weg te duwen zodat hij niet kan ontkomen. Een burgerarrest zou je kunnen zeggen.
(…)
6. Subsidiair constateert de verdediging dat cliënt heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging. Client was door het dolle heen doordat zijn dochter (en auto) in zijn ogen was aangevallen. In deze reactie is hij wellicht te ver doorgeschoten. Onder deze omstandigheden komt hem een geslaagd beroep toe op noodweerexces. Ik verzoek uw Gerechtshof [toevoeging AG: cliënt] subsidiair te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
2.4.
Het arrest van het hof houdt in:
“Bespreking van een gevoerd verweer
De raadsman heeft in hoger beroep, aan de hand van zijn pleitnotities, aangevoerd dat het handelen van de verdachte, het met zijn auto tegen de auto van aangever duwen en/of botsen, opgevat kan worden als een – in reactie op het inslaan van zijn autoruit uit te voeren – “burgerarrest”, dat door de verdachte binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit is uitgevoerd. Door op deze wijze te handelen, ontbreekt de wederrechtelijkheid van de vernieling en dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.
Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte en de aangever ten tijde van de confrontatie beiden een auto bestuurden en over hun onderlinge rijgedrag tijdens het rijden ruzie kregen. Vervolgens heeft de aangever, toen hij en de verdachte stilstonden voor het stoplicht, een achterruit van de auto van de verdachte ingeslagen ter hoogte van de zitplaats van de minderjarige dochter van de verdachte. De verdachte is vervolgens achter het slachtoffer aangereden en heeft met zijn auto toen verschillende keren tijdens het rijden tegen de auto van het slachtoffer aangereden, waardoor die auto is beschadigd.
Het is een burger toegestaan om tot aanhouding van een verdachte over te gaan, mits sprake is van een geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit, met als doel de verdachte over te dragen aan een opsporingsambtenaar. De mate van geweld die daarbij toelaatbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het misdrijf en de mate van verzet door de verdachte.
Nog daargelaten of het motief van de verdachte daadwerkelijk was gelegen in de staande- of aanhouding van de aangever, is het besluit van verdachte om aangever’s auto met zijn auto aan te rijden, terwijl zowel hijzelf als verdachte op een autoweg een auto bestuurde, geen proportionele reactie, gelet op de voorzienbare risico's op het veroorzaken van een ongeluk op de openbare weg en het daardoor ontstaan van lichamelijk letsel die een dergelijke wijze van aanhouden met zich brengt. Die risico's staan naar het oordeel van het hof niet in verhouding tot de ernst van het feit ten aanzien waarvan verdenking was gerezen. De verdachte had bovendien een goed alternatief, namelijk het noteren van het kenteken van aangever en het melden van het gebeurde bij de politie, zodat evenmin aan de eisen van subsidiariteit is voldaan.
Om die reden is naar het oordeel van het hof geen sprake van een (poging tot een) rechtmatige aanhouding en is de handelwijze van verdachte in dat opzicht wederrechtelijk.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle
rechtsvervolging, nu het hof – na vaststelling dat de verdachte de vernieling heeft gepleegd, en dit een strafbaar feit is – moet komen tot de beslissing dat de verdachte geen strafbare dader is, omdat sprake was van noodweerexces, aangezien de verdachte als gevolg van het inslaan van de autoruit heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging.
Het hof overweegt naar aanleiding van het bovenstaande en het gevoerde verweer als volgt.
Het hof stelt – met verwijzing naar hiervoor reeds vastgestelde feiten en overwegingen – vast dat er voor de verdachte op enig moment sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van zijn goed, nu de aangever het raam van zijn auto heeft ingeslagen. Het beroep op noodweerexces slaagt naar het oordeel van het hof echter niet, omdat de verdachte in zijn reactie veel te ver is gegaan en er voor hem bovendien een reëel alternatief was. De verdachte heeft verklaard eerst het glas van zijn vernielde ruit te hebben opgeruimd en zijn dochter op een andere zitplaats in zijn auto te hebben gezet alvorens de achtervolging in te zetten. Uit dit tijdverloop, in samenhang met de verklaringen van de verdachte over de aard van zijn emoties (boosheid en de wil de aangever te doen stoppen) leidt het hof af dat geen sprake (meer) was van een hevige gemoedstoestand of -beweging louter ten gevolge van de vernieling van de autoruit.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.”

3.Korte schets van het beoordelingskader

3.1.
Art. 41 luidt Pro:
"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt."
3.2.
Voor de beoordeling van het middel, dat enkel is gericht tegen de motivering van de verwerping van het beroep op noodweerexces en niet tegen de motivering van de verwerping van het beroep op het uitvoeren van een (poging tot een) rechtmatige aanhouding, zijn de volgende – aan HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
NJ2016/316, m.nt. N. Rozemond ontleende – uitgangpunten relevant:
i. Een beroep op noodweerexces kan alleen worden aanvaard als de gedraging van de verdachte als verdedigend kan worden aangemerkt. Dat is niet het geval als de verdachte uit is op een confrontatie (rov. 3.6.1. jo rov. 3.3). [2]
ii. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de verdediging is gericht tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding” (rov. 3.6.1. jo rov. 3.4).
iii. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moet hebben geleid tot een hevige gemoedsbeweging en die hevige gemoedsbeweging moet vervolgens hebben geleid tot een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging (
de dubbele causaliteitseis) (rov. 3.6.2). [3]
iv. Voor noodweerexces geldt niet het proportionaliteitsvereiste. Er hoeft dus geen redelijke verhouding te bestaan tussen de gekozen wijze van verdediging en de ernst van de aanranding (rov. 3.6.1). Daarmee is echter niet gezegd dat elke disproportionele reactie is toegestaan en kan worden verontschuldigd. [4]
v. Voor noodweerexces geldt wel het subsidiariteitsvereiste: er moet een noodzaak tot verdediging zijn of zijn geweest (rov. 3.6.1). [5]
vi. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan enkel sprake zijn indien de verdachte de hem verweten disproportionele gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak tot verdediging bestond (
het intensieve exces), dan wel die situatie was beëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestond, maar de gedraging nog steeds wel het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (
het extensieve of tardieve exces) (rov. 3.6.2). [6]
vii. Aannemelijk moet zijn dat de door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer. [7] “Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijke gevolg” kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en verdedigingshandeling van belang zijn.” (Rov. 3.6.3).

4.Bespreking van het middel

De feiten

4.1.
Voor de beoordeling van het middel is het van belang te vermelden wat het hof over de feitelijke toedracht van de gebeurtenissen heeft vastgesteld. Uit de hiervoor onder randnr. 2.4. geciteerde passages blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de aangever als verkeersdeelnemers ruzie hebben gekregen over hun onderlinge rijgedrag. Toen beide voertuigen voor een stoplicht naast elkaar stonden, heeft de aangever de achterruit van de auto van de verdachte ingeslagen. Op de zitplaats achter de ingeslagen ruit zat de minderjarige dochter van de verdachte. Nadat de verdachte het glas van de ruit heeft opgeruimd en zijn dochter op een andere zitplaats in zijn auto heeft gezet, heeft hij de achtervolging ingezet en is hij met zijn auto verschillende keren tegen de auto van de aangever aangereden, waardoor diens auto is beschadigd.
4.2.
Uit de door het hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen 1 en 2 (zie randnr. 2.2.) is daarnaast af te leiden dat de oorsprong van de ruzie is gelegen in een “treffen” op de linkerrijstrook van de snelweg, waarover zowel de verdachte als de aangever met hun auto (een Renault en een Ford) rijden. De verdachte is met hoge snelheid ingelopen op het voertuig van de aangever, is gaan bumperkleven en heeft op enig moment de Ford van de aangever van achteren geraakt. Nadat de aangever de snelweg heeft verlaten, is de verdachte hem gevolgd. Toen de verdachte en de aangever bij een stoplicht naast elkaar stilstonden, heeft de aangever met een ‘lifehammer’ een ruit van de Renault van de verdachte ingeslagen en is weggereden. Bij een volgend verkeerslicht is de verdachte met zijn auto hard achterop de auto van de aangever gereden. Al rijdend is hij daarna nog verschillende keren tegen de Ford van de aangever aangereden.
4.3.
Uit het dossier blijkt dat de aangever voor het inslaan van de autoruit van de verdachte strafrechtelijk is vervolgd.
4.4.
Uit de cassatieschriftuur blijkt dat het middel, dat is gericht tegen de wijze waarop het hof het beroep op noodweerexces heeft verworpen, in drie deelklachten uiteenvalt. Ik bespreek allereerst de tweede deelklacht.
Tweede deelklacht
4.5.
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd “dat er door tijdsverloop bij (de verdachte) geen sprake kon zijn van een hevige gemoedsbeweging”. Betoogd wordt dat het hof een tweedeling heeft gemaakt tussen het moment dat de aangever de ruit van de Renault vernielde en het moment waarop de verdachte achter de aangever aanreed en tegen de Ford van de aangever botste. Volgens de steller van het middel heeft het hof overwogen dat, doordat de verdachte eerst zijn kind op een andere zitplaats heeft gezet en het glas van de vernielde ruit van de Renault heeft opgeruimd, er geen sprake meer kan zijn van een hevige gemoedsbeweging. Daarmee zou het hof hebben miskend dat het beëindigen van een eerdere noodweersituatie niet in de weg hoeft te staan aan een geslaagd beroep op noodweerexces. Doordat het hof bovendien geen nauwkeurige feitelijke vaststellingen heeft gedaan over het daadwerkelijke tijdsverloop, heeft het hof onvoldoende gemotiveerd weerlegd dat de verdachte handelde uit een hevige gemoedsbeweging, aldus de steller van het middel.
Beoordeling tweede deelklacht
4.6.
Over het laatste punt kan ik kort zijn: het hof heeft inderdaad geen feitelijke vaststellingen gedaan over de tijd die is verlopen tussen het inslaan van de autoruit van de Renault, het (weer) achter de Ford aan rijden en het uiteindelijke botsen tegen de Ford. [8] Anders dan de steller van het middel betoogt, lijkt mij dat “gemis” geen omstandigheid die afbreuk doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over de gemoedstoestand van de verdachte. Het hof heeft dat oordeel immers niet alleen gebaseerd op een zeker – maar niet nader bepaald – tijdsverloop, maar ook op de door de verdachte afgelegde verklaringen “over de aard van zijn emoties (boosheid en de wil aangever te doen stoppen)”. Ter zitting van het hof heeft de verdachte niet verklaard; op die zitting is hij niet verschenen. In eerste aanleg was dat wel het geval. Op de zitting van de politierechter heeft de verdachte verklaard dat hij “een beetje dol” heeft gereden en dat hij achter de Ford is aangereden omdat hij hem wilde doen stoppen. Dat laatste heeft hij ook verklaard bij de politie (zie het door het hof voor het bewijs gebezigde derde bewijsmiddel in randnr. 2.2.). De inhoud van deze door de verdachte afgelegde verklaringen kunnen het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat de gedraging van de verdachte (het beschadigen van de auto van de aangever)
louterhet onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt doordat (en nadat) de aangever de achterruit van de auto van de verdachte had ingeslagen, zelfstandig dragen. Dat geldt temeer wanneer hierbij de door het hof vastgestelde feiten en de door het hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen worden betrokken (zie de randnrs. 4.1. en 4.2.). Kennelijk is het hof van oordeel dat de verdachte nadat zijn autoruit was ingeslagen, de reeds eerder ingezette achtervolging, heeft hervat. Dat het inslaan van de autoruit zijn eerdere woede over het rijgedrag van de aangever niet zal hebben verminderd, maakt dat niet anders.
4.7.
Hiervoor is onder randnr. 3.2. onder vii aangegeven dat voor een succesvol beroep op noodweerexces is vereist dat aannemelijk moet zijn dat de door een wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging van
doorslaggevendbelang is geweest voor de aan de verdachte verweten gedraging (in casu: het beschadigen van de auto van de aangever). Aan die voorwaarde is in de onderhavige zaak naar het oordeel van het hof niet voldaan. De in het middel betrokken stelling dat het hof heeft miskend dat het beëindigen van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet in de weg staat aan een geslaagd beroep op noodweerexces, berust op een verkeerde lezing van het arrest.
4.8.
De tweede deelklacht faalt.
Eerste deelklacht
4.9.
In de eerste deelklacht wordt gesteld dat het hof in “de weerlegging van het beroep op noodweerexces een verkeerde betekenis (heeft gegeven) aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit”. Het hof heeft volgens de steller van het middel miskend dat aan een (geslaagd beroep op) noodweerexces minder strenge eisen worden gesteld dan aan een beroep op noodweer en voor zover het hof in zijn arrest tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte zo disproportioneel heeft gehandeld dat van noodweerexces geen sprake meer is, heeft het hof dit onvoldoende gemotiveerd door enkel in het vonnis op te nemen dat verzoeker “veel te ver is gegaan”, mede in het licht van het feit dat de aangever de autoruit van de auto van verdachte heeft ingeslagen. Ten slotte zou het hof hebben miskend dat ook bij de beoordeling van de subsidiariteit de hevige gemoedsbeweging moet worden betrokken.
Beoordeling eerste deelklacht
4.10.
Uit het arrest van het hof blijkt dat het hof het door de aangever inslaan van de autoruit van de verdachte heeft aangemerkt als een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Het hof is vervolgens voor de vraag gesteld of de daaropvolgende reactie van de verdachte, te weten het beschadigen van de auto van de aangever doordat de verdachte daar met zijn auto meermalen tegenaan is gereden, op grond van noodweerexces kan worden verontschuldigd. Uit de verwerping van het beroep op noodweerexces blijkt dat het hof van oordeel is dat de verdachte “in zijn reactie veel te ver is gegaan”. Uit deze formulering van het hof volgt dat het hof zich wel degelijk bewust is van de notie dat een verdachte in geval van noodweerexces doorschiet in zijn verdediging (oftewel: niet proportioneel handelt), maar ook dat de verdachte in de onderhavige zaak niet alleen is ‘doorgeschoten’, maar met dat doorschieten ‘veel te ver’ is gegaan. Met die enkele woorden heeft het hof voldoende begrijpelijk laten zien dat het in de context van een beroep op noodweerexces een beperkte proportionaliteitsmaatstaf heeft gehanteerd. Juridisch is dat correct (zie randnr. 3.2. onder iv). Het vanwege het inslaan van een autoruit achter de veroorzaker van die ruitschade aanrijden, is wellicht nog te begrijpen, maar het tot stoppen proberen te dwingen van die veroorzaker door meermalen op de openbare weg tegen diens auto aan te rijden, gaat alle grenzen te buiten. Daar is mijns inziens geen discussie over mogelijk.
4.11.
Uit de strafbaarheidsoverweging van het hof blijkt dat het hof bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces ook oog heeft gehad voor het subsidiariteitsvereiste. Het hof doet dat min of meer in één adem met het proportionaliteitsvereiste. Het hof heeft immers aan zijn oordeel dat de verdachte niet alleen “in zijn reactie veel te ver is gegaan”, direct toegevoegd dat er voor de verdachte “bovendien een reëel alternatief was”. Het gebruik van de woorden ‘bovendien’ en ‘reëel alternatief’ duidt op een overweging ten overvloede die betrekking heeft op het subsidiariteitsvereiste. Dat het hof die toetsing op deze wijze heeft verpakt, is mogelijk een gevolg van het feit dat ter zitting van het hof op het voor noodweer(exces) geldende subsidiariteitsvereiste geen expliciet verweer is gevoerd. Kennelijk heeft het hof wel willen laten zien dat het de subsidiariteit van het handelen van de verdachte in zijn oordeel heeft betrokken.
4.12.
Wat betreft het ‘reëel alternatief’ waar het hof over spreekt, kan het niet anders dan dat het hof hierbij doelt op de bij de verwerping van het beroep op (de poging tot) het uitvoeren van “burgerarrest” gewezen mogelijkheid dat de verdachte, aan de hand van het kenteken van de auto van de aangever, de vernieling van zijn autoruit bij de politie had kunnen melden. Het hof begint zijn overweging over de strafbaarheid van de verdachte immers met een “verwijzing naar hiervoor reeds vastgestelde feiten en overwegingen”.
4.13.
Ten slotte zij nog vermeld dat alleen al de omstandigheid dat in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd over het voor noodweerexces geldende subsidiariteitsvereiste maakt dat – voor zover de steller van het middel zich erop beroept dat bij noodweerexces minder zware eisen worden gesteld aan het subsidiariteitsbeginsel dan bij noodweer – voor zover al juist, deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag geen kans van slagen heeft.
4.14.
De eerste deelklacht faalt.
Derde deelklacht
4.15.
In de derde plaats klaagt de steller van het middel dat het hof ten onrechte heeft overwogen “dat boosheid geen hevige gemoedsbeweging teweeg kan brengen”.
Beoordeling derde deelklacht
4.16.
Hoewel de motivering van het hof betrekkelijk kort en bijna staccato is geformuleerd, kan hieruit niet worden afgeleid dat het hof heeft geoordeeld dat “boosheid geen hevige gemoedsbeweging teweeg kan brengen”. Aldus begrepen mist de derde deelklacht feitelijke grondslag.
4.17.
Daarmee faalt ook de derde deelklacht.

5.Conclusie

5.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde motivering.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De cassatieschriftuur is op 21 oktober 2021 (tijdig) ingediend. Op 22 oktober 2021 heeft de raadsman (ook tijdig) een correctie op een verschrijving in de schriftuur ingediend.
2.Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788,
3.Zie ook J. de Hullu,
4.Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459,
5.Vgl. HR 18 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9359,
6.Vgl. HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:340, rov. 3.3. Zie ook J. de Hullu,
7.Vgl. HR. 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0180,
8.De steller van het middel beroept zich op HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043,