ECLI:NL:PHR:2023:421

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2023
Publicatiedatum
12 april 2023
Zaaknummer
21/02792
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 361 lid 2 sub a SvArt. 9a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen woningoverval en corrigeert proceskostenveroordeling

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van een woningoverval waarbij contant geld, telefoons en rookwaar werden weggenomen onder geweld en bedreiging. De aangever herkende verdachte en medeverdachte duidelijk. Verdachte ontkende betrokkenheid, maar het hof concludeerde op basis van getuigenverklaringen, aangetroffen gestolen goederen en gedragingen tijdens de overval dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking.

De verdediging voerde aan dat de motivering voor medeplegen onvoldoende was, met name dat het zich niet distantiëren en de woorden 'pak hem maar flink' onvoldoende waren voor medeplegen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit oordeel voldoende had gemotiveerd en dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht was.

Daarnaast behandelde de Hoge Raad de proceskostenveroordeling ten laste van verdachte, die volgens de conclusie een kennelijke misslag betrof omdat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk waren verklaard in hun schadevorderingen. De Hoge Raad stelde voor dit te herstellen. Een middel over onjuiste beëdiging werd verworpen op basis van eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt medeplegen woningoverval en vernietigt proceskostenveroordeling ten laste van verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02792
Zitting9 mei 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 1 juli 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 03-700316-17 wegens "diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en in de zaak met parketnummer 03-659158-18 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ook heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en heeft het hof de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partijen gemaakte kosten, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld. Van het feit met parketnummer 03-700316-17 was de verdachte door de rechtbank vrijgesproken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur is nog een derde middel van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel klaagt in de zaak met parketnummer 03-700316-17 dat het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 30 augustus 2017 in de gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen contant geld (70 euro), twee telefoons (type Alcatel in de kleuren wit en zwart) en rookwaar (type JSP, met daarin een aansteker en pakjes vloeitjes), toebehorende aan [aangever] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader:
- meermalen tegen die [aangever] riep 'geld, geld' en eenmaal 'pak hem maar flink' en
- die [aangever] een klap gaf en
- een rolstoel tegen die [aangever] gooide”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 augustus 2017 (dossierpagina’s 013-016), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
(dossierpagina 13)
Ik ben de bewoner van de woning [a-straat 1] in [plaats] . Mijn woning ligt op de benedenverdieping. Gisteravond ging ik omstreeks 22:00 uur naar bed.
(dossierpagina 14)
In de vroege ochtend van 30 augustus werd ik plots wakker door hevig gebonk en geschreeuw. Toen ik mij had omgedraaid zag ik dat de mij bekende [betrokkene 1] (het hof begrijpt telkens: [betrokkene 1] ) in de woonkamer stond. Verder zag ik dat zijn vriendin [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte) ook in de woning aanwezig was. Ik zag dat zij van de gang de woonkamer binnenliep. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei: “Geld, geld”. Ik zag toen dat [betrokkene 1] in de woonkamer vanaf de tafel mijn lederen beurs oppakte. Ik zag dat [betrokkene 1] uit deze beurs geld wegnam. In de beurs zat een briefje van vijftig euro en een briefje van twintig euro. Verder zag ik dat [betrokkene 1] twee telefoons wegnam. Een zwarte Alcatel mobiel toestel, dit toestel stond in de oplader. De andere telefoon, een witte mobiele telefoon van het merk Alcatel, lag op de tafel bij de beurs. Ik zag dat [betrokkene 1] beide toestellen wegnam. Verder zag ik nog dat [betrokkene 1] mijn tabak wegpakte. Ik dacht dat het merk iets met JSP is. In het zakje van de tabak zaten pakjes vloeitjes. Een oranje pakje en blauw pakje en nog een pakje Mascotte. Verder zat er in het pakje een aansteker van de winkel Plus. Die was groen met wit. Er staat dus ook de naam van de winkel op de aansteker.
Vervolgens zag ik dat [betrokkene 1] vanaf de bank op mijn bed sprong. Ik zag dat [betrokkene 1] de rolstoel in zijn handen had en gelijk hierop weer zei: “Geld, geld ik moet mijn geld hebben”. Ik zag dat [betrokkene 1] op dat moment de rolstoel in mijn richting gooide. [verdachte] stond op dat moment in de woonkamer en ik hoorde nog dat zij zei: “Pak hem maar flink”. Ik merkte dat ik begon te bloeden aan mijn linkeroog. Ik vermoed dat dit kwam door het opvangen van de rolstoel of van het moment dat [betrokkene 1] op mijn bed sprong en een klap uitdeelde.
(dossierpagina 15)
[verdachte] (het hof begrijpt de door aangever eerder genoemde [verdachte] ) en [betrokkene 1] ken ik al geruime tijd. Ongeveer twee maanden geleden heb ik beiden nog onderdak verleend. Zij zijn toen veertien dagen bij mij in de woning geweest.
Vandaag bij de overval droeg [betrokkene 1] een korte broek, hij had een blauw petje op. [verdachte] (het hof begrijpt ook hier de eerder door aangever genoemde [verdachte] ) was gekleed in een zwart shirt en een grijze joggingbroek.
2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 11 september 2017 (dossierpagina’s 023 en 024), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
(dossierpagina 24)
Opmerking verbalisanten: Ik overhandig je hierbij 2 gsm telefoons en een pakje shag.
V: Is het juist dat dit de spullen zijn die bij jou werden weggenomen?
A: Dat klopt. Dit zijn mijn spullen.
V: Jij verklaarde te zijn overvallen door de jou bekende [betrokkene 1] (het hof begrijpt telkens: [betrokkene 1] ) en zijn vriendin [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte).
A: Dat klopt.
V: [betrokkene 1] , de persoon die jij benoemt als een van de overvallers, verklaart dat niet hij, maar een persoon genaamd [betrokkene 3] samen met [betrokkene 4] jou zou hebben overvallen. Wat kun je hierop zeggen?
A: Nee, dat is niet waar. Ik heb duidelijk [betrokkene 1] zien binnenkomen. Hij riep voor geld.
3. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [aangever] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, locatie Roermond d.d. 17 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [aangever] voornoemd:
De getuige verklaart als volgt:
Op vragen van de rechter-commissaris:
Weet u 100% zeker dat de twee die u bij de politie heeft genoemd het waren die u beroofd hebben?
Ja. De man was klein en tenger van postuur. Ook aan zijn stem herkende ik hem. Het meisje was flink, gezet. Daaraan herkende ik haar.
Op vragen van de raadsman mr. Brinkman:
U bent brildragend en aan een oog bent u blind. Is de bril noodzakelijk om goed te kunnen zien met uw rechteroog?
Ik kan ook zonder bril prima zien.
U vertelde dat [betrokkene 1] een pet op had. Kon u ondanks de pet goed zien wie de mannelijke persoon was?
Ja. [betrokkene 1] ken ik goed en zijn vriendin ook. Als die een meter van mij afstaan, herken ik die wel.
4. De geneeskundige verklaring d.d. 30 augustus 2017 (dossierpagina 025), voor zover inhoudende als verklaring van de arts [betrokkene 5] :
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [aangever]
Voornamen: [aangever]
Geboren: [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]
- hematomen op de armen, rug, linkeroog, scheurwond linker wenkbrauw
- nek-en rugklachten ten gevolge van kneuzing.
Is sprake van uitwendig bloedverlies: ja
5. Het proces-verbaal aantreffen telefoons d.d. 31 augustus 2017 (dossierpagina’s 049 en 050), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(dossierpagina 49)
Op 30 augustus 2017 ging ik omstreeks 08:00 uur naar de woning aan de [a-straat 2] te [plaats] . In de woning trof ik onderstaande personen aan:
[betrokkene 6] en [betrokkene 4] .
(dossierpagina 50)
Ik vroeg aan [betrokkene 6] waar [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en [betrokkene 1] (het hof begrijpt [betrokkene 1] ) gezeten hadden. Ik zag dat [betrokkene 6] en [betrokkene 4] (het hof begrijpt telkens: [betrokkene 4] , de zus van de verdachte,) beiden wezen naar het gedeelte van de hoekbank dat onder het raam aan de voorzijde van de woning stond. Ik zag dat [betrokkene 4] opstond en de bank naar voren schoof. Ik zag dat [betrokkene 6] haar hierbij hielp. Vervolgens zag ik dat [betrokkene 6] twee mobiele telefoons in een plastic zakje achter de bank bij het raam vandaan haalde. Ik hoorde dat [betrokkene 6] en [betrokkene 4] zeiden dat deze telefoons niet van hun waren. Ik zag dat de telefoons soortgelijke telefoons waren die bij slachtoffer [aangever] waren weggenomen. Hierop werden de telefoons in beslaggenomen.
6. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 30 augustus 2017 (dossierpagina’s 103-104) met fotobijlagen (dossierpagina’s 105-106), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
(dossierpagina 103)
Inbeslagname
Plaats: [plaats]
Adres: [a-straat 2]
Datum en tijd: 30-08-2017 te 08:30 uur.
De goederen werden in de woonkamer achter de bank nabij de verwarming aangetroffen.
Omschrijving inbeslaggenomen goed: pakje tabak, in het pakje een aansteker, 2 pakjes vloei en 1 losse vloei
7. De eigen waarneming van het hof op de foto die als bijlage (dossierpagina 106) bij de zojuist genoemde kennisgeving van inbeslagneming (bewijsmiddel 6) is gevoegd voor zover inhoudende:
Het hof ziet op de foto, naast een pakje tabak van het merk JSP en vloeitjes, een aansteker met daarop de naam en het logo van de supermarkt Plus.
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 augustus 2017 (dossierpagina’s 004 en 005) voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
(dossierpagina 4)
Op 30 augustus 2017 waren wij belast met incidentenafhandeling. Omstreeks 06:30 uur ontvingen wij een melding om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zou de bewoner zijn overvallen. Ter plaatse aangekomen zagen we dat het een flatgebouw betrof. [a-straat 1] is gelegen op de begane grond. Ik, [verbalisant 4] , zag dat twee personen over de galerij van de tweede etage liepen. Ik herkende deze personen als de mij ambtshalve bekende [betrokkene 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). [verdachte] droeg een zwart topje.
9. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 augustus 2017 (dossierpagina’s 053 en 054), voor zover inhoudende als Verklaring van [betrokkene 7] :
(dossierpagina 53)
Op 30 augustus 2017 rond 06:22 uur hoorde ik bonken op mijn voordeur. Plotseling ging mijn slaapkamerdeur open. Ik zag een gestalte, klein. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "Ik ben beroofd, bel de politie”. Ik heb om 06:25 gelijk 112 gebeld.
(dossierpagina 54)
Ik ben daarna op bed gaan zitten wachten. Ik hoorde dat er op de deur geklopt werd. Ik hoorde een vrouwenstem. Ik keek door het slaapkamerraam en herkende de vrouw. Ze woont hier ergens in het complex. De vrouw was ongeveer 21-25 jaar oud, blank, vollere meid, droeg een zwart topje. Ik zag ook een jongen naast haar staan. Hij droeg een korte broek.
10. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 augustus 2017 (dossierpagina’s 061 en 062), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6] :
(dossierpagina 62)
Omstreeks 03:00 en 03:15 uur werd aangebeld. Het betroffen mijn dochter [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte) en haar vriend [betrokkene 1] (het hof begrijpt telkens: [betrokkene 1] ). Ik heb ze binnen gelaten. Ik ben vervolgens op de bank in slaap gevallen waarbij [verdachte] en [betrokkene 1] ook in de woonkamer op de bank bleven zitten.
Omstreeks 07:30 uur werd ik wakker omdat er politie aan mijn voordeur stond.
[betrokkene 1] droeg een petje, blauw van kleur. [verdachte] droeg een zwart shirt.
De politie vroeg of er telefoons aanwezig waren in de woning. Ik ben toen gaan zoeken en zag achter de bank twee telefoons in een plastic zakje zitten. Het betrof de bank waar [betrokkene 1] en [verdachte] gezeten hadden. De telefoons waren wit en zwart van kleur. Ze waren niet van mij.
11. Het proces-verbaal van bevindingen verhoor [betrokkene 8] d.d. 11 september 2017 (dossierpagina’s 066 en 067), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 8] :
(dossierpagina 67)
Ik heb de woning tussen 05:00 en 05:30 uur verlaten. [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) waren toen ook weg. Ze waren dus niet in de woning van [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) toen ik wegging.
12. De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting d.d. 17 juni 2021:
We kunnen vaststellen dat u een stevig postuur heeft.
13. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:
Ik had een grijze trainingsbroek aan.”
3.4
Het bestreden arrest houdt voorts - met weglating van voetnoten - als nadere bewijsoverweging in:
“Bijzondere bewijsoverweging in de zaak onder parketnummer 03-700316-17
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van hetgeen is tenlastegelegd. Daartoe is aangevoerd dat - zakelijk weergegeven -:
- het dossier te veel twijfel laat bestaan, in het licht van de ontkenning van verdachte, over de vraag of het verdachte was die aangever in zijn woning heeft gezien;
- de verdachte, zo zij wel in de woning wordt geplaatst, geen significante bijdrage heeft geleverd aan de wegnemingshandeling dan wel het geweld;
- de verdachte daarenboven geen oogmerk, noch (voorwaardelijk) opzet had op de overval;
- de verdachte enkel zou hebben gezegd ‘pak ’m maar flink’ op een moment dat het geweld en de wegnemingshandeling door de medeverdachte reeds hadden plaatsgevonden, zodat hooguit sprake zou kunnen zijn van een niet strafbare medeplichtigheid achteraf;
- het enkele feit dat de verdachte aanwezig zou zijn geweest, niet zou hebben ingegrepen dan wel zich niet zou hebben gedistantieerd onvoldoende is voor medeplegen dan wel voor medeplichtigheid.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde woningoverval op aangever [aangever] het volgende af.
Aanwezigheid verdachte en medeverdachte in woning aangever
Ten aanzien van de aanwezigheid van de verdachte en de medeverdachte in de woning van de aangever in de vroege ochtend van 30 augustus 2017 acht het hof de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
De verdachte en haar toenmalige vriend, de medeverdachte [betrokkene 1] (hierna telkens: de medeverdachte), waren altijd samen, zo ook die bewuste nacht en vroege ochtend. Zij kwamen toen samen aan bij de woning van [betrokkene 6] . Aangever [aangever] heeft bij de politie verklaard dat de hem bekende verdachte en de medeverdachte hem die vroege ochtend hebben overvallen. Aangever kent hen al geruime tijd. Hij heeft hen circa twee maanden tevoren nog onderdak verleend. Zij hebben toen veertien dagen bij hem verbleven. Ook gaf aangever een signalement van beiden. Aangever is steeds bij die verklaring gebleven dat het verdachte en medeverdachte zijn geweest die hem in zijn woning hebben overvallen. Ook heeft hij dit bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris bevestigd. Hij vulde nog aan dat het meisje flink, gezet was en hij haar daaraan herkende.
Hij kende beiden goed en “Als die een meter van mij afstaan, herken ik die wel” was het antwoord op een vraag of aangever het wel goed kon zien. De gestolen telefoons en shagbuil van [aangever] zijn diezelfde ochtend nog aangetroffen in de woning waar de verdachte en de medeverdachte zich bevonden en weer herkend door aangever, toen de politie deze later aan hem teruggaf. De verdachte heeft van meet af aan iedere betrokkenheid bij de woningoverval ontkend en heeft verklaard die dag en avond ervoor (29 augustus 2017) en nacht/ochtend (30 augustus 2017) bij [betrokkene 6] te zijn geweest en niet meer buiten te zijn geweest vanaf ongeveer 23.00 uur tot het moment dat de politie kwam en voorts dat zij al die tijd in de woonkamer bij [betrokkene 6] op de grond heeft geslapen. Wel zou zij nog even voordat de politie kwam zijn gaan kijken wat er aan de hand was in de flat, naar aanleiding van het gillen van [betrokkene 7] . Verbalisant [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat zij, toen zij na de melding om omstreeks 06.30 uur direct ter plaatse ging met
haar collega, daar aangekomen de verdachte en de medeverdachte over de galerij van de tweede etage zag lopen, waar zich ook getuige [betrokkene 7] bevond. [betrokkene 8] heeft verklaard dat de verdachte en de medeverdachte niet in de woning van [betrokkene 6] waren toen hij daar vertrok tussen 5.00 en 5.30 uur.
Het hof leidt hieruit af dat de verdachte wel degelijk samen met de medeverdachte die vroege ochtend van 30 augustus 2017 in de woning van aangever [aangever] is geweest. Niet alleen is [aangever] consistent in de herkenning van de verdachte en de medeverdachte en past het signalement en de omschrijving die hij geeft volledig bij de verdachte en de medeverdachte, maar volgens [betrokkene 6] en [betrokkene 4] kwamen de verdachte en de medeverdachte op enig moment op die 30 augustus 2017 ook bij de woning van [betrokkene 6] . In diens woning zijn vervolgens de gestolen telefoons en shagbuil met inhoud aangetroffen. Dit kwam aan het licht toen die goederen direct na hun aanhouding op aanwijzen van [betrokkene 6] gevonden werden op de plaats waar de verdachte en de medeverdachte zich hadden opgehouden in de woning. Reeds gelet hierop gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte dat zij de hele nacht in de woning is geweest van [betrokkene 6] , maar bovendien vindt haar verklaring op dat punt ook nog weerlegging in de verklaring van [betrokkene 8] , die geen enkel aantoonbaar belang heeft om niet naar waarheid te verklaren over de aan- of afwezigheid van de verdachte en de medeverdachte in de woning die vroege ochtend. Hij is duidelijk: zij waren er niet. Wel zijn beiden kort na het gebeuren
op de galerij gezien, toen zij op weg waren naar [betrokkene 6] , waar de politie beiden kort na de woningoverval ook aantrof en heeft aangehouden.
Medeplegen?
Voorts stelt het hof het volgende vast.
De verdachte en de medeverdachte zijn tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd, in de vroege ochtend van 30 augustus 2017, met z’n tweeën bij de hen bekende aangever binnengevallen. Aangevers voordeur was dicht en vanwege een defect slot gebarricadeerd met een bezemsteel. Hierdoor hebben de verdachte en haar medeverdachte zich niet laten weerhouden en zijn de woning van aangever binnengedrongen. Dit alles ging gepaard met hevig gebonk en geschreeuw. Aangever, een minder valide en rolstoelafhankelijke man, werd letterlijk door hen overvallen tijdens zijn slaap. Hij zag hen beiden in zijn woonkamer staan, waar hij in bed lag. Er werd door de medeverdachte gevraagd naar geld en er werd door hem papiergeld weggenomen uit aangevers portemonnee. Van meet af aan was aldus duidelijk waarvoor zij kwamen: geld. Verdachte was daarbij en heeft zich hiervan niet gedistantieerd. Niet toen zij hoorde dat de medeverdachte om geld riep en ook niet toen zij zag dat hij geld wegnam. Zij bleef. Het weggenomen geld bleek niet genoeg, want in aanwezigheid van de verdachte nam de medeverdachte ook twee telefoons en een shagbuil met inhoud van aangever weg. Ook op dat moment heeft de verdachte zich niet hiervan gedistantieerd. Ook nu bleef zij ter plaatse. Vervolgens kreeg aangever een klap van de medeverdachte, en met de rolstoel van aangever in de aanslag, werd terwijl de diefstal nog bezig was om meer geld door hem gevraagd. De medeverdachte zei daarbij “geld, geld, ik moet mijn geld hebben”. Hij gooide de rolstoel richting aangever, en verdachte, die er al die tijd bijstond, zei dat medeverdachte aangever maar flink moest pakken. Op enig moment daarna verlieten zij de woning, aangever gewond en bloedend achterlatend.
De woorden “pak hem maar flink” uit de mond van de verdachte getuigen van een aansporing tot het toepassen van nog meer geweld jegens aangever om meer geld te krijgen. Uit haar aanwezigheid tijdens de overval, terwijl zij zag en hoorde wat er gebeurde, en het feit dat zij zich daarvan op geen enkel moment distantieerde in combinatie met haar aansporing tot het toepassen van nog meer geweld, concludeert het hof dat ook verdachtes opzet was gericht op de gezamenlijke beroving van aangever [aangever] . Deze conclusie vindt bevestiging in de omstandigheid dat zij, nadat zij zijn vertrokken uit de woning, zich als heer en meester over de weggenomen spullen hebben gedragen.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan de tenlastegelegde woningoverval is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Het verweer van de verdediging wordt mitsdien in alle onderdelen verworpen.”
3.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof zijn oordeel dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt naar de kern heeft gebaseerd op twee gronden, te weten (i) dat de verdachte zich niet gedistantieerd heeft van de gedragingen van de medeverdachte en (ii) dat de door de verdachte geuite woorden “pak hem maar flink” worden uitgelegd als een aansporing voor het toepassen van nog meer geweld tegen de aangever om nog meer geld te krijgen. De steller van het middel merkt verder op dat het hof weliswaar nog een derde grond noemt - de aanwezigheid van de verdachte in de woning tijdens de overval - maar volgens de steller van het middel valt deze grond eigenlijk samen met de eerste grond, nu het zich niet distantiëren impliceert dat de verdachte zich in directe nabijheid van de medeverdachte bevond. Ook heeft het hof niet overwogen dat de aanwezigheid van de verdachte heeft geleid tot een numeriek overwicht op de aangever. Volgens de steller van het middel zijn genoemde twee gronden ontoereikend voor het oordeel dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Aan het zich niet distantiëren komt namelijk op zichzelf geen grote betekenis toe, terwijl uit de gebezigde bewijsvoering niet volgt dat de verdachte de woorden “pak hem maar flink” heeft geuit op een tijdstip dat er nog wegnemingshandelingen en/of (bedreiging met) geweld door de medeverdachte plaatsvonden. Deze woorden zouden niet zonder meer gericht zijn op het verkrijgen van (nog meer) geld. Ook zou uit de bewijsvoering niet volgen dat de verdachte heeft gezien dat de medeverdachte geld heeft weggenomen. Het als heer en meester over de spullen beschikken heeft voorts pas plaatsgevonden nadat de diefstal met geweld was voltooid. Gelet op de zeer geringe rol van de verdachte in de uitvoering van het delict had het hof volgens de steller van het middel nader moeten motiveren waarom de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.
3.6
In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven. Daarbij is aangegeven dat het een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals ook in bovengenoemde arresten is benadrukt. De Hoge Raad kan hieromtrent geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals in bovengenoemde arresten is gebeurd alsook door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering. [1]
3.7
Uit de door het hof vastgestelde feiten volgt dat de verdachte en de medeverdachte voor, tijdens en na het feit samen zijn opgetrokken. Tijdens de uitvoering van het feit, waarbij de medeverdachte de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht, is de verdachte steeds aanwezig geweest. Het hof heeft immers vastgesteld dat de aangever - een minder valide en rolstoelafhankelijke man - in zijn woonkamer in bed lag en de verdachte, nadat de medeverdachte reeds in de woonkamer stond maar voordat hij iets zei, ook in die woonkamer aanwezig was (bewijsmiddel 1). Gelet op die laatste vaststelling is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte gezien en gehoord heeft dat de medeverdachte daarna om geld vroeg en dat geld vervolgens ook wegnam. Ook volgt uit de vaststellingen van het hof dat de verdachte toen zij in de woonkamer stond de woorden “Pak hem maar flink” heeft geroepen naar de medeverdachte, die op dat moment “Geld, geld ik moet mijn geld hebben” naar de aangever riep en daarbij een rolstoel in de richting van de aangever gooide (bewijsmiddel 1). Dat het hof genoemde uitlating van de verdachte heeft uitgelegd als een aansporing tot het toepassen van nog meer geweld jegens de aangever om meer geld te krijgen, acht ik evenmin onbegrijpelijk, terwijl uit de vaststellingen van het hof ook in voldoende mate volgt dat de diefstal op dat moment nog bezig was.
3.8
Dat het hof uit voornoemde feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte gericht op de gezamenlijke beroving van de aangever en de bijdrage van de verdachte ook van zodanige gewicht is geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de verdachte door, zoals het Hof bij zijn oordeel heeft betrokken, het uiten van bedreigende woorden, het strafbare feit ook deels tezamen met de mededader heeft uitgevoerd. [2]
3.9
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel komt in de zaak met parketnummer 03-659158-18 op tegen de veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partijen.
4.2
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Tenlastelegging
(…)
Zaak met parketnummer 03-659158-18:
primair
zij op of omstreeks 24 mei 2018 in de gemeente Echt-Susteren en/of gemeente Nederweert en/of gemeente Maasgouw, in de provincie Limburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid scheermesjes en/of horloges (met een waarde van 664,59 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehórende aan Kruidvat (gevestigd aan de Reinhoud van Gelderstraat l c te Susteren), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen de politieambtenaren (te weten [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader(s) meermalen (telkens):
met hoge snelheid op korte afstand (achteruit) in/op een dienstvoertuig van de politie is/zijn gereden/afgereden, waarin genoemde politieambtenaren zich bevonden en/of aldus een botsing heeft/hebben veroorzaakt met genoemd dienstvoertuig;
subsidiair
zij op of omstreeks 24 mei 2018 te Susteren, gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid scheermesjes en/of horloges (met een waarde van 664,59 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan Kruidvat (gevestigd aan de Reinhoud van Gelderstraat 1c te Susteren), heeft weggenomen met het oogmerk om het/die goederen zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
Zaak met parketnummer 03-659186-18:
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de geweldscomponent van de winkeldiefstal in vereniging, zoals primair is tenlastegelegd. Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte dit onderdeel van de tenlastelegging heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank kan immers niet worden bewezen dat de verdachte het gevaarlijke weggedrag van medeverdachte [betrokkene 1] dat plaatsvond na de winkeldiefstal op enige wijze heeft gewild en/of heeft bewerkstelligd.
(…)
Zaak met parketnummer 03-659158-18
De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 5]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 510,00, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [verbalisant 5] in haar vordering niet worden ontvangen.
Nu de benadeelde partij [verbalisant 5] als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, zal hij in de proceskosten aan de zijde van de verdachte worden veroordeeld, welke kosten tot aan de datum van deze uitspraak zijn begroot op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 6]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 510,00 bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [verbalisant 6] in haar vordering niet worden ontvangen.
Nu de benadeelde partij [verbalisant 6] als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, zal hij in de proceskosten aan de zijde van de verdachte worden veroordeeld, welke kosten tot aan de datum van deze uitspraak zijn begroot op nihil.
(…)
Beslissing
Het hof:
(…)
Zaak met parketnummer 03-659158-18
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 5]
verklaart de benadeelde partij [verbalisant 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 6]
verklaart de benadeelde partij [verbalisant 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.”
4.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de benadeelde partijen door het hof zijn aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partijen als bedoel in art. 237 Rv Pro, zodat het hof de verdachte ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van hun proceskosten.
4.4
Het hof heeft aan de afwijzing van beide vorderingen dezelfde motivering ten grondslag gelegd, namelijk een op art. 361, tweede lid onder a, Sv toegesneden motivering. Dat artikel bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Kennelijk heeft het hof in de partiële vrijspraak voor de geweldscomponent [3] - welk geweld blijkens de tenlastelegging jegens de benadeelde partijen zou zijn gepleegd - reden gezien om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.
4.5
Hoewel een kostenveroordeling van de verdachte niettegenstaande niet-ontvankelijkverklaring van de schadevordering niet is uitgesloten, doet zich in het onderhavige geval niet een proceseconomische niet-ontvankelijkverklaring voor op basis van de complexiteit van de vordering, maar een materiële afwijzing van de vordering wegens partiële vrijspraak. [4] Dat het hof dit zou hebben miskend lijkt op zich al onwaarschijnlijk. Dat vindt bevestiging in de aan het dictum voorafgaande overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partijen, alwaar het hof niet alleen heeft overwogen dat de benadeelde partijen als de in het ongelijk gestelde partijen (als bedoeld in art. 237 Rv Pro) kunnen worden aangemerkt, maar ook expliciet heeft overwogen dat de benadeelde partijen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte worden veroordeeld, welke kosten tot aan de datum van de uitspraak zijn begroot op nihil. Het in het dictum ten laste van de verdachte laten komen van de kostenveroordeling, is zo bezien het gevolg van een kennelijke misslag die verbeterd kan worden gelezen. De Hoge Raad kan dit aldus herstellen.

5.Het derde middel

5.1
Het middel heeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het middel bevat de klacht dat - nu ook in de onderhavige zaak één of meerdere raadsheren niet op de door de wet voorgeschreven wijze beëdigd is/zijn - sprake is van een gebrek dat tot nietigheid zou moeten leiden.
5.2
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438 is deze klacht vruchteloos voorgesteld.
6. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het hof heeft bepaald dat de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte kosten wordt veroordeeld, tot voorziening in dit verzuim en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1318, NJ 2016/415.
2.Vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.4.2.
3.Het bestreden arrest vermeldt per abuis als parketnummer 03-659186-18.
4.Vgl. de conclusie van mijn toenmalig ambtegenoot Jörg voor HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9405, NJ 2011/223, m.nt. M.J. Borgers onder 12 (PHR 15 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9405). Zie ook de noot bij dit arrest onder 7. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens voor HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:762 (PHR 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1464 onder 26).