Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“Ja dat wil ik zeker”. [2] Nu het bij de onderhavige klacht gaat om een aan de klachtgerechtigde toekomende bevoegdheid voor de verwerkelijking en juiste vormgeving waarvan deze is aangewezen op de medewerking van de politie [3] , terwijl de omstandigheid dat de klacht niet aan een formeel vereiste voldoet klaarblijkelijk geen verband houdt dat met ontbreken van de wil tot het indienen van een klacht, maar met een verzuim aan de zijde van de politie, zal dit verzuim niet ten nadele van de klachtgerechtigde mogen werken. Het oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk moet worden geacht in de vervolging, geeft tegen die achtergrond geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu hieromtrent ter terechtzitting van het hof (en de rechtbank) geen (enkel) verweer is gevoerd, acht ik ’s hofs oordeel ook niet onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt over ’s hofs verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer waarin een beroep is gedaan op de exceptie van art. 261, derde lid, Sr en op art. 10 EVRM Pro.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
derde middeldat het hof heeft verzuimd te beslissen over de door de verdachte gemaakte kosten in verband met de vordering van de benadeelde partij, terwijl door de verdachte is verzocht de benadeelde partij in de kosten te veroordelen en het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Kosten
tot aan deze zittinguit op een totaalbedrag van € 577,17. Daar komt nog bij de zittingstijd die met de behandeling van de vordering is gemoeid, waarbij het honorarium op dezelfde wijze wordt berekend. Er is geen reden van de werkelijke kosten af te wijken en ik vraag u dan ook de benadeelde partij te veroordelen tot betaling van dit bedrag.
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
art. 361, eerste en zesde lid, Sv:
Art. 592a Sv: