Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
1.Ten geleide
pensionados. Aan hun nieuwe woonland worden door het toepasselijke belastingverdrag onvoldoende inkomsten toegewezen om de daar vigerende persoonlijke fiscale tegemoetkomingen (belastingvrije som, woonbonus, en dergelijke) volledig te benutten, hoezeer ook in twee gevallen die toewijzing een zeer substantieel deel van het totale inkomen uitmaakt (60% resp. 30%), nu de Franse belastingvrije som hoog is. De vraag is of en zo ja, in hoeverre in dat geval ook de bronstaat (Nederland) gehouden is om fiscaal rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de emigrant. De zaken gaan dus over de gevolgen van de
Schumacker-rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) over het vrije verkeer van personen binnen de EU voor de jurisdictieverdeling tussen de betrokken lidstaten ter zake van de fiscale vergelding van persoonlijke en gezinsomstandigheden of ruimer: van alle draagkrachtfactoren, met name in de
niet-woonstaat.
Schumacker-rechtspraak opvat en toepast in gevallen zoals die van de belanghebbenden. Hij heeft daartoe in die bijlage op basis van de HvJ-rechtspraak een stappenplan ontwikkeld en dat in de individuele zaken afgelopen.
Schumacker-rechtspraak van het HvJ weer (onderdeel 2) en een overzicht van wat de literatuur uit die rechtspraak afleidt voor het fiscale beleid van de EU-lidstaten, met name Nederland (onderdeel 3). De kernoverwegingen van die rechtspraak zijn de r.o. 31-37 van het arrest C-279/93,
Schumacker [2] en r.o. 101 van het arrest C-385/00,
De Groot. [3] In r.o. 31 van
Schumacker(zie 1.4 hieronder) maakt het HvJ de fundamentele fout die de lidstaten 28 jaar later nog steeds met onwerkbare inconsistenties en willekeurige effecten opzadelt. Het HvJ stelt daar, in strijd met zowel primair als secundair EU-recht, dat werkstaten niet-ingezetenen fiscaal zouden mogen discrimineren omdat zij niet vergelijkbaar zouden zijn met ingezetenen tenzij zij hun hele inkomen in één werkstaat verdienen. Zowel de art. 45 en Pro 49 VwEU (vrijheden van werknemersverkeer en van vestiging) als art. 7 Vo Pro. 1612/68 [4] en diens opvolger art. 7(2) Vo. 492/2011 [5] inzake het vrije verkeer van werknemers verbieden echter
elkediscriminatie van niet-ingezetenen, expliciet ook
fiscalediscriminatie. De genoemde Verordeningsbepalingen luid(d)en als volgt (
curs. PJW):
dezelfdesociale en
fiscale voordelenals de nationale werknemer.”
Schumackerstelt, dus dat niet-inwoners fiscaal wél gediscrimineerd zouden mogen worden, lijkt mij dan onverdedigbaar. Ten onrechte acht het HvJ niet-ingezeten EU-burgers slechts dan vergelijkbaar met ingezetenen als zij (nagenoeg) hun gehele inkomen in de (één) werkstaat verwerven, althans in hun woonstaat in absolute zin onvoldoende onderworpen zijn om de daar geldende persoonlijke tegemoetkomingen (volledig? Ook dat is dus na 28 jaar nog steeds onduidelijk) te kunnen benutten. Die opvatting lijkt mij niet alleen met de geciteerde Vo.-bepalingen manifest in strijd, maar ook met de meest basale regel van het vrije personenverkeer: nationale behandeling van niet-ingezetenen. De genoemde r.o. 31-37 van het
Schumacker-arrest luiden als volgt:
fiscal committeevan de OESO vindt ook dat staten niet-ingezetenen fiscaal mogen discrimineren.
pensionadosis dat bijna per definitie zo), is overgens als rechtskundig argument onverenigbaar met ’s Hofs eveneens vaste rechtspraak dat
elkediscriminatie van niet-ingezetenen, hoe gering ook, verboden is onder de vrij-verkeersbepalingen. [6]
lastigvoor hem kan zijn om dwingend EU-recht na te leven? Een lidstaat zou dat argument eens moeten aanvoeren; daar weet het HvJ wel raad mee. De manifeste ongeldigheid van dit argument volgt dan ook uit ’s Hofs eigen vaste rechtspraak – zelfs in het
Schumacker-arrest zelf! zie 2.5 hieronder – dat lidstaten zich
nietkunnen beroepen op administratieve moeilijkheden om hun EU-rechtelijke verplichtingen te ontlopen. [7]
beleidvan een
club of governmentsvan grotendeels
niet-EU-Staten reden voor een rechter zijn om dwingend primair én secundair EU-recht buiten toepassing te laten?
De Grootvoegde het HvJ aan deze overwegingen toe dat de lidstaten vrij zijn in de vormgeving van hun fiscale stelsels en in hun onderlinge fiscale jurisdictieverdeling, maar dat verzekerd moet zijn (maar door wie??) dat “de gehele persoonlijke en gezinssituatie” van migranten uiteindelijk “volledig en naar behoren” in aanmerking wordt genomen:
welkestaat
watmoet doen, met name naar
wiensrecht de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de grensoverschrijder ‘volledig’ in aanmerking moeten worden genomen en naar
wiens‘behoren’ dat moet gebeuren: dat van de woonstaat of dat van de werkstaat, of, bij meer werkstaten: van welke werkstaat. Het niet-gegeven antwoord op die vraag is echter cruciaal in verband met het gegeven dat – doordat elke harmonisatie op EU-niveau ontbreekt – zeer grote verschillen bestaan tussen de lidstaten, zowel voor wat betreft de vaststelling van de belastbare grondslag (geen enkele andere lidstaat heeft bijvoorbeeld zo’n bizar box 3 systeem als Nederland; u zie tot wat voor enorme verschillen in inkomensvaststelling dat kan leiden in de zaak met rolnummer 22/02359 waarbij deze bijlage gaat) als voor wat betreft de
aarden vooral de
omvangvan die persoonlijke tegemoetkomingen en andere draagkrachtvergeldingen (zie ook daarvoor met name de zaak met rolnummer 22/02359 waarbij deze bijlage gaat). De ene lidstaat kan een
flat taxhebben zonder aftrekposten en zonder belastingvrije voet of andere persoonlijke tegemoetkomingen, met daartegenover een vrij laag plat tarief, en de andere lidstaat juist zeer hoge progressieve tarieven met daartegenover vele aftrekposten en omvangrijke belastingvrije sommen en dergelijke. De Franse belastingvrije som bijvoorbeeld is hoog, zo blijkt uit de andere twee zaken (€ 27.240 in 2015 voor een
couple marié). De geciteerde r.o. 101 negeert de aanzienlijke dispariteiten tussen nationale belastingstelsels. Het HvJ vooronderstelt ten onrechte dat (persoonlijke) aftrekposten en tegemoetkomingen overal in de inkomstenbelastingen in de EU-lidstaten wel ongeveer hetzelfde zullen zijn. Dat de werkelijkheid anders is, blijkt voortdurend en dus ook uit de drie zaken waarbij deze bijlage gaat. Onder meer dat voorbijgaan aan de werkelijkheid maakt ‘s Hofs
Schumacker-rechtspraak onwerkbaar.
nietbelast voor de in de werk/bronstaat ontsprongen inkomsten; dat doet de werk/bronstaat, die daarom in zoverre ook overigens de bij belastingheffing horende nationale fiscale behandeling zou moeten geven. Het HvJ acht een niet-ingezeten inkomstenbelastingplichtige pas vergelijkbaar met een ingezetene als hij ‘nagenoeg zijn gehele inkomen’ in de bronstaat verdient. Pas dan moet de bronstaat ophouden met discrimineren.
Totdat punt (‘nagenoeg geheel’) moet de woonstaat alles opvangen, ook al belast die staat niet veel meer dan nagenoeg niets. In het primaire EU-recht valt mijns inziens geen rechtsbasis of bevoegdheid te vinden voor deze politieke jurisdictieverdelingskeuze. Het secundaire EU-recht (de genoemde verordening) bepaalt het tegendeel.
Schumacker-rechtspraak (onder meer in
Schumacker, r.o. 38 en
Wallentin, r.o. 17) is dan ook onhoudbaar en onverenigbaar met zijn overige rechtspraak over de vrijheid van personenverkeer:
wieer dan wel discrimineert, hoewel vast staat - en vaste rechtspraak is - dat één staat aangewezen moet kunnen worden als veroorzaker van de ongunstiger behandeling van de grensoverschrijder en hoewel het evident is dat de
werkstaat de grensoverschrijder discrimineert door hem nationale behandeling te weigeren. Discriminatie kan onmogelijk gedefinieerd worden, zoals het Hof doet, in termen van wat een
anderestaat
nietdoet. In wezen staat hier dat de betrokken staten het ‘volledig en naar behoren’ moeten regelen en dat zij zelf maar moeten uitmaken hoe dat moet, en dat als zij dat volgens het HvJ niet doen, het HvJ gaat bepalen wie er wat moet doen. Dat is wetgeving. Het EU-recht biedt geen enkele basis voor ‘s Hofs verwijt aan de
niet-belastende
woonstaat voor wat de wél-belastende
werkstaat in strijd met EU-recht maar met goedkeuring van het HvJ weigert.
Schumacker-criterium (niet-inwoners hebben pas recht op nondiscriminatie als zij nagenoeg hun gehele inkomen in één werkstaat verdienen) kant noch wal raakt als ‘nagenoeg het gehele’ inkomen in méér dan één werkstaat wordt verdiend; in dat geval 60% in Nederland en 40% in Zwitserland. In dat geval kan in geen enkele staat aan het
Schumacker-inwoners-gelijkstellingscriterium ‘nagenoeg geheel’ worden voldaan en leidt de
Schumacker-rechtspraak tot volledig verlies van elke aanspraak op tegemoetkomingen, [8] wat de onjuistheid van die rechtspraak aantoont.
Spaanse voetbalmakelaardan ook gedwongen (zie 2.39 hieronder) om de onjuiste opvatting te verlaten dat die voetbalmakelaar noch met inwoners van Nederland, noch met inwoners van Zwitserland vergelijkbaar zou zijn, en om deze
beidewerkstaten toch te nopen tot
pro ratatoekenning van hun persoonlijke tegemoetkomingen (naar rato van het daar belaste deel van het wereldinkomen, dus net zo als inwoners). Dat impliceert onontkoombaar dat de Spaanse voetbalmakelaar dus wél vergelijkbaar is met inwoners in
beidewerkstaten, anders zouden die werkstaten immers niets hoeven te doen. Dan valt onmogelijk in te zien waarom die voetbalmakelaar opeens
nietmeer vergelijkbaar zou zijn met inwoners van Zwitserland en Nederland als hij onveranderd voor 40% in Zwitserland was onderworpen en in Nederland (niet voor 60 maar) voor 40% was onderworpen én voor 20% in zijn woonstaat Spanje. Toch houdt het HvJ in dat laatste geval vol dat de Spaanse voetbalmakelaar opeens géén recht meer heeft op nationale behandeling in beide werkstaten omdat hij in dat geval zijn hypotheekrenteaftrek (net) kwijt kan in zijn woonstaat. Beide werkstaten mogen dan blijven discrimineren door elke tegemoetkoming weigeren. Het antwoord op de vraag of de
werkstaat het EU-recht al dan niet schendt, wordt aldus afhankelijk gemaakt van de volstrekt toevallige fiscale positie van de belastingplichtige in diens
woonstaat, waarop geen van beide werkstaten enige invloed heeft. Zoals in 1.9 al opgemerkt: deze opvatting van ‘discriminatie’ is onbegrijpelijk.
elkelidstaat, dus óók de
woonstaat, (slechts) verantwoordelijk houdt voor draagkrachtvergelding
in de mate waarindie Staat het inkomen of het vermogen van de grensoverschrijder belast. Gezien de onwerkbare uitkomsten van de
Schumacker-vervolgrechtspraak (zie onderdeel 2 hieronder), lijken opnieuw prejudiciële vragen aangewezen, al kan men menen dat het weinig zin heeft om uitleg van EU-recht te vragen aan een instantie die het EU-recht al 28 jaar negeert op het punt waarop die uitleg zou moeten worden gevraagd.
deelvan diens tegemoetkomingen worden genoten. Moet Nederland dan ook een
deeltoekennen? Welk deel? En van wat? Moet Nederland het gemiste deel van de
Fransebelastingvrije som geven? Dat lijkt onuitvoerbaar en bovendien een ontkenning van dispariteiten en onbevoegde dwang tot harmonisatie: Nederland zou de Franse regeling moeten overnemen. Als hypotheekrente in Frankrijk niet aftrekbaar is (zoals in België), hebben onze belanghebbenden daar trouwens ook niets aan. Moet Nederland dan uitrekenen welk
percentagevan de Franse faciliteiten niet benut kon worden en dat percentage van de Nederlandse tegemoetkomingen (in de drie zaken vooral de hypotheekrenteaftrek) toekennen? Of moet Nederland doen wat het Hof Den Bosch vindt dat hij moet doen, nl. naar rato van Nederlandse onderworpenheid van het wereldinkomen zijn tegemoet-komingen verlenen (dus een ander percentage)? Of moet Nederland gewoon doen wat het EU-recht eist, dus nationale behandeling, ongeacht de fiscale positie van de niet-ingezetene in diens woonstaat, i.e. hem belasten alsof hij gekozen heeft voor binnenlandse belastingplicht, zoals dat mogelijk was onder de oude keuzeregeling, die helaas als gevolg van eveneens onjuiste rechtspraak van het HvJ afgeschaft is moeten worden?
2.De Schumacker-rechtspraak van het HvJ
Einkommensteuergesetzmerkte niet-ingezetenen aan als beperkt belastingplichtig (alleen inkomen uit Duitse bron) en inwoners als onbeperkt belastingplichtig. Omdat hij volledig in Duitsland werd belast, wilde Schumacker de voordelen van het Duitse splittingsstelsel, [10] dat de tariefprogressie matigt en faciliteiten biedt zoals gezinsgebonden belastingvrije sommen. De Duitse wet kende die voordelen echter alleen toe aan onbeperkt belastingplichtigen (ingezetenen). Het HvJ overwoog daarover:
36. Dit is echter anders in een geval als het onderhavige, waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft door de arbeid verricht in een andere staat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie.
alletegemoetkomingen van de woonstaat verzilverd zouden kunnen worden. Hem ontging dus de werking van de evenredigheidsbreuk bij de voorkoming van dubbele belasting in de woonstaat. Die misvatting blijkt ook uit de zaak
Gschwind(zie 2.6 hieronder). Daar moest hij op gewezen worden in de zaak
De Groot(zie 2.9 hieronder), maar toen was met de
Schumacker- en
Gschwind-arresten het kwaad al geschied en heeft het Hof zijn inspanningen vooral gericht op het sauveren van de onjuiste
Schumacker- en
Gschwind-arresten, daardoor steeds dieper in een rechtskundig moeras gerakende.
Avoir fiscal, over de weigering van de werkstaat Frankrijk om niet-inwoners het imputatiekrediet te geven dat hij wél aan ingezeten gaf: [11]
binnenhet arrest
Schumackertegen: in de r.o. 32 en 33 beroept hij zich ter rechtvaardiging van de discriminatie van niet-inwoners door de werkstaat op de stelling dat het voor de woonstaat makkelijker is dan voor de werkstaat om het totale inkomen, de totale draagkracht en de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige te beoordelen. Maar als de werkstaat precies dat argument inbrengt, wordt het door het Hof meteen verworpen en verwezen naar de EU-instrumenten inzake administratieve samenwerking, die volgens hem ‘vergelijkbare mogelijkheden’ tot gegevensvergaring bieden als in geheel binnenlandse gevallen:
Finanzamtniet geldig is, is ’s Hofs exact gelijkluidende argument in zijn r.o. 32 en 33 van hetzelfde arrest precies even ongeldig.
Schumacker-arrest aan, waardoor niet-inwoners recht kregen op de Duitse tegemoetkomingen, waaronder
splitting, onder de volgende voorwaarden:
- het totale inkomen van het echtpaar is voor minstens 90% aan Duitse inkomstenbelasting onderworpen, of
- hun niet aan Duitse inkomstenbelasting onderworpen inkomen bedraagt niet meer dan 24.000 DEM.
De Gschwinds voldeden niet aan die voorwaarden, waardoor zij meer Duitse belasting betaalden dan in Duitsland wonende echtparen in overigens dezelfde omstandigheden. Gschwind achtte dat in strijd met art. 48 EG Pro en met het
Schumacker-arrest omdat die voorwaarden niet werden gesteld aan ingezeten echtparen.
splittingstelsel). Gschwind kreeg dus geen
splitting: noch in Duitsland, waar zijn vrouw’s inkomen werd meegeteld, noch in Nederland, waar zijn vrouw’s inkomen niet werd meegeteld (individuele heffing) en waar
zijninkomen was vrijgesteld, waardoor hij geen Nederlandse tegemoetkoming kon verzilveren. Mijns inziens schendt ook dit arrest het vrije werknemersverkeer. Immers: zou het gezin in overigens dezelfde omstandigheden in Duitsland hebben gewoond, dan had het wél
splittingen de overige Duitse voordelen gekregen (zij het mogelijk – en terecht - voor slechts 58%), hoezeer ook het arbeidsinkomen van de vrouw onveranderd aan Nederland was toegewezen.
salary split). In 1994 kocht hij het recht op partneralimentatie van zijn ex-echtgenote af. In Nederland was de afkoopsom aftrekbaar. Omdat Nederland 60% van zijn inkomen van belasting vrijstelde op basis van de in belastingverdragen voorziene evenredigheidsbreuk (buitenlands inkomen / totaal inkomen), werd ook 60% van zijn persoonlijke (niet brongebonden) aftrekposten toegerekend aan het in Nederland vrijgestelde inkomen dat in de drie andere staten werd belast. De Groot wilde zijn aftrekpost echter voor 100% toerekenen aan de 40% van zijn inkomen die in Nederland werd belast. Geen van de drie werkstaten gaf hem persoonlijke fiscale tegemoetkomingen, ook niet
pro rata. Dat is een discriminatie van niet-inwoners door die drie bronstaten, regelrecht in strijd met de genoemde art. 7 Vo Pro. 1612/68 en art. 7 Vo Pro. 492/2011 inzake het vrije verkeer van werknemers, en met het vrije werknemersverkeer ex (thans) art. 45 VwEU Pro. Toch maakte het HvJ de woonstaat, die slechts 40% van De Groot’s inkomen belastte, voor 100% verantwoordelijk voor de fiscale tegemoetkomingen
De Grootblijft het HvJ op dezelfde niet-overtuigende gronden (zie 1.5 hierboven) als in
Schumackerbij de onjuiste opvatting dat de woonstaat EU-rechtelijk verantwoordelijk zou zijn voor de discriminatie van niet-ingezetenen door de drie werkstaten. Het HvJ had inmiddels kennelijk wel door hoezeer zijn
Schumacker-rechtspraak art. 7 Vo Pro. 1612/68 rechtstreeks schond, omdat hij daar in de zaak
De Grootexpliciet op was gewezen: in r.o. 111 ontweek hij op doorzichtige en ontluisterende wijze het onder ogen moeten zien van die dwingende bepaling:
Schumacker-rechtspraak is, wordt geïllustreerd door r.o. 94, waarin het Hof met zoveel woorden eist dat de werkstaten niet-onderdanen zoals De Groot als eigen onderdaan behandelen, terwijl hij vervolgens, haaks daarop, van geen van de werkstaten die volgens hem dus verplichte nationale behandeling eist, maar in plaats daarvan de woonstaat weer volledig verantwoordelijk maakt voor de weigering van die nationale behandeling door de werkstaten.
De Grootis een moeilijk te bevatten en betreurenswaardige gemiste kans. Het HvJ had een uitgelezen mogelijkheid om door simpele toepassing van de meest basale regel van het vrije verkeer van personen (nationale behandeling van niet-ingezetenen in de werkstaat) zowel de verkeersvrijheden correct en volgens het EU-rechtelijk fundamentele evenredigheidsbeginsel toe te passen als drie inconsistenties van het gebruikelijke (OESO-)internationale belastingrecht op te ruimen, maar hij stond er op te pogen de werkelijkheid (discriminatie door de werkstaat) aan te passen aan zijn misvatting in
Schumackeren
Gschwindvan die werkelijkheid. [21]
Meindl(zie 2.20 hieronder) af dat de bronstaat (Nederland) de vraag of de niet-ingezetene in zijn woonstaat gebruik heeft kunnen maken van de woonstaat-tegemoetkomingen, moet beoordelen naar de fiscale maatstaven van die woonstaat, dus niet naar zijn eigen maatstaven. U zie paragraaf 10 van ‘s Hofs ‘
Schumacker-bijlage’.
Wallentingeen belaste grondslag had in zijn woonland Duitsland (geen vermogensbelasting) en (ii) Nederland die vermogensbelastingvrije som bij belastingverdrag met België wél verleende aan Belgische niet-ingezetenen.
Wallentindat het HvJ wil maken, lijkt mij verre van overtuigend. Dat diens ouderlijke toelage en overheidsstipendium “op zich geen inkomsten vormden die krachtens Duits belastingrecht belastbaar waren”, maakt zijn “in Duitsland ontvangen bedragen en het vermogen dat D in die lidstaat bezit” juist wél vergelijkbaar, anders dan het HvJ ongemotiveerd stelt in r.o. 42. Ook D’s vermogen was ‘naar zijn aard’ immers geen belastbaar vermogen in Duitsland, nu Duitsland überhaupt geen vermogensbelasting had. Wallentin’s Duitse inkomen daarentegen was juist
niet‘naar zijn aard’ onbelast (inkomen was in beginsel juist wél belast), maar slechts door de politieke keuze om studiebeurzen en ouderlijke toelagen vrij te stellen, denkelijk om te voorkomen dat de toelage anders aftrekbaar zou zijn bij de ouders. Bij Wallentin ging het dus niet om posten die ‘naar hun aard’ geen belastbaar inkomen zouden zijn, maar om posten die naar hun aard wél inkomen zijn, maar om inkomenspolitieke redenen gedefiscaliseerd waren. Als een vermogensbelasting wordt afgeschaft, is dat daarentegen een generieke afschaffing van een hele soort (dus een hele ‘aard’ van) belasting, en gaat het daarmee in dat geval juist wél om ‘naar zijn aard’ niet-belaste grondslag.
Gschwindhierboven). Zijn verzoek werd afgewezen omdat aan geen van beide voorwaarden was voldaan: het Duitse deel van het gezinsinkomen was minder dan 90% en het gezin genoot in Oostenrijk meer dan 24 000 DEM: de Oostenrijkse zwangerschaps- en ouderschapsuitkeringen bedroegen samen 26.994,73 DEM. Deze Oostenrijkse loonvervangende uitkeringen werden in Duitsland niet als vrijgesteld beschouwd omdat zij niet krachtens Duits recht waren betaald. Dat de uitkeringen naar Oostenrijks recht niet belast waren, stond er naar Duits recht niet aan in de weg om ze mee te tellen voor de bepaling van het totale gezinsinkomen. Meindl achtte dat in strijd met de vestigingsvrijheid. Het HvJ oordeelde daarover als volgt:
Duitsrecht verstrekt, dan zouden zij op die grond volgens de Duitse belastingwetgeving belastingvrij zijn geweest. Het echtpaar bevond zich volgens het HvJ in een objectief gelijke situatie als een in Duitsland wonend echtpaar met dezelfde inkomsten, dat wel in aanmerking zou komen voor
splitting. Volgens het Hof Den Bosch blijkt uit dit arrest en uit de zaak
Wallentin(zie 2.13 hierboven) dat de bronstaat de vraag of de niet-ingezetene in zijn woonstaat gebruik heeft kunnen maken van de woonstaat-tegemoetkomingen, moet beoordelen naar de fiscale maatstaven van die woonstaat, dus niet naar zijn eigen maatstaven. U zie paragraaf 10 van ‘s Hofs ‘
Schumacker-bijlage’.
anderestaat
nietdoet:
Schumacker-rechtspraak uit naar wezenlijk alle aspecten van inkomstenbelastingheffing:
persoonlijketegemoetkomingen (die toegerekend moeten worden aan het gehele inkomen omdat zij niet toerekenbaar zijn aan enige specifieke bron van inkomen, zoals belastingvrije sommen, ziektekosten, persoonlijke verplichtingen, etc.) en
verwervingskosten, die wél vast zitten aan één specifieke bron van inkomen, zoals in casu de exploitatiekosten van verhuurd onroerend goed. Alles wat de draagkracht vermindert – dus élke uitgave die fiscaal in aanmerking wordt genomen bij inwoners – is thans een “voordeel (…) uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie,” hetgeen fiscaalrechtelijk niet erg zinnig lijkt en ook niet past in de overige fiscale rechtspraak van het HvJ, die immers verwervingskosten terecht toerekent aan het land van de inkomstenbron; u zie bijvoorbeeld de arresten in de zaken
Gerritse [26] en
Centro equestre da Leziria Grande. [27] Maar het Hof Den Bosch leidt uit dit arrest terecht af dat het HvJ fiscale faciliteiten in verband met de persoonlijke en gezinssituatie zeer ruim opvat als omvattend alle belastingvoordelen die de fiscale draagkracht van de niet-ingezetene beïnvloeden. [28]
niet-aftrekbaar was (een dispariteit dus). Daarom wilde hij in Nederland hypotheekrenteaftrek, maar het belastingverdrag tussen Nederland en België wees uiteraard alle inkomsten en kosten ter zake van de Belgische woning toe aan België.
Lakebrink-benadering (de werkstaat-
tariefprogressie moet rekening houden met woonstaatverliezen) in deze zaak ook toe op de
grondslagvan heffing in de werkstaat: de werkstaat moet de
woonstaatverliezen uit onroerend goed importeren, hoezeer ook die werkstaat niets te maken heeft met woonstaatkosten en -inkomsten van woonstaat-onroerend goed en hoezeer ook het belastingverdrag hem verbiedt om positief inkomen uit dat woonstaat-onroerend-goed te belasten:
tweedehuisje. Renneberg kreeg bovendien een aftrekpost die hij helemaal niet verloor, nu die aftrek in zijn woonstaat België niet bestond. In België was hypotheekrente niet of nauwelijks aftrekbaar (uitsluitend tegen een zeer laag kadastraal inkomen). Een dispariteit dus. [30] Renneberg werd dus zonder rechtvaardiging bevoordeeld boven zowel inwoners van Nederland als zijn Belgische buurman met hetzelfde huis, hetzelfde loon, dezelfde hypotheek en dezelfde baan, maar dan in België. Nederland werd gedwongen een
dispariteitop te heffen. Dat is harmonisatie, waartoe het HvJ niet bevoegd is. Een dispariteit is per definitie géén discriminatie. Het is vaste rechtspraak dat de verkeersvrijheden niet kunnen garanderen dat gebruikmaking ervan geen nadelige effecten kan hebben vergeleken bij thuis blijven omdat het in de ene lidstaat nu eenmaal ongeharmoniseerd anders toegaat dan in de andere. [31]
Rennebergis ook onverenigbaar met ’s Hofs vaste rechtspraak dat het EU-recht
nietverplicht tot import van buitenlandse verliezen als ook de bijbehorende buitenlandse winsten zijn vrijgesteld, zoals de arresten
Lidl Belgium, [32] Krankenheim Ruhesitz, [33] Timac Agro [34] en Marks & Spencer II. [35]
Schumacker-criterium (‘nagenoeg geheel; veelal opgevat als minstens 90% van het inkomen in de werkstaat; zie bijvoorbeeld het
Gschwind-arrest in 2.7 hierboven) niet relevant is, maar bepalend voor de werkstaat-verplichtingen is of in de woonstaat voldoende rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie. Ook uit andere arresten zoals met name de zaak C-303/12,
Imfeld en Garcet [40] (zie 2.33 hieronder) kan volgens het Hof Den Bosch worden afgeleid dat het er voor het HvJ om gaat dat de gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en ‘naar behoren’ in aanmerking wordt genomen. Zie paragraaf 21 van ‘s Hofs ‘
Schumacker-bijlage’ bij zijn uitspraken die thans in cassatie worden bestreden.
Freibetrag für Kinder. Het echtpaar wenste desondanks in België de volledige belastingvrije som in verband met kinderen.
56. Anders dan de Belgische regering stelt, is de daarmee vastgestelde beperking van de vrijheid van vestiging niet het noodzakelijke gevolg van de dispariteiten tussen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regelingen.
(…)
58. De Belgische regering kan evenmin stellen dat de in het hoofgeding aan de orde zijnde belastingregeling geen beperking van de vrijheid van vestiging vormt omdat Imfelds belastingsituatie geenszins is verslechterd doordat hij zijn recht op vestiging heeft uitgeoefend, aangezien, ten eerste, hij in Duitsland geen hogere belasting heeft hoeven betalen dan hij zou hebben moeten doen in België en, ten tweede, zijn persoonlijke en gezinssituatie in Duitsland in aanmerking is genomen zodat het Koninkrijk België van iedere verplichting dienaangaande zou zijn ontslagen.
(…)
60. (…) kan niet worden aangenomen dat toekenning van dat belastingvoordeel in Duitsland het verlies kan compenseren van het belastingvoordeel dat verzoekers in het hoofdgeding in België hebben geleden.
61. Een lidstaat kan zich immers niet beroepen op het bestaan van een voordeel dat unilateraal wordt toegekend door een andere lidstaat, in casu de lidstaat waar Imfeld werkt en zijn volledig inkomen verwerft, teneinde te ontkomen aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens het Verdrag, inzonderheid de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging (zie in die zin met name arresten van 8 november 2007, Amurta, C-379/05, Jurispr. blz. I-9569, punt 78, en 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C-11/07, Jurispr. blz. I-6845, punt 69, en Arens-Sikken, C-43/07, Jurispr. blz. I-6887, punt 66).
62. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling biedt echtparen een belastingvoordeel, met name in de vorm van een toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste, die wordt aangerekend op de inkomsten van de echtgenoot met het hoogste inkomen zonder dat op welke wijze ook ermee rekening wordt gehouden dat deze echtgenoot als gevolg van de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden mogelijk individueel geen inkomsten in België verwerft, hetgeen rechtstreeks en automatisch tot gevolg heeft dat het echtpaar alsdan dit voordeel helemaal verliest. Los van de wijze waarop Imfeld in Duitsland wordt belast, is het het automatisme van dit verlies dat afbreuk doet aan de vrijheid van vestiging.
63. De omstandigheid dat in het hoofdgeding in Duitsland ten dele rekening is gehouden met Imfelds persoonlijke en gezinssituatie bij zijn aanslag als alleenstaande en dat Imfeld daar dus een belastingvoordeel heeft genoten, kan de Belgische regering bijgevolg niet aanvoeren ten bewijze dat geen sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging.
(…)
79. Het staat de betrokken lidstaten daarentegen vrij om rekening te houden met belastingvoordelen die een andere heffingsstaat eventueel toekent, mits (…) de belastingplichtige wordt verzekerd, los van de wijze waarop deze lidstaten deze verplichting onderling verdelen, dat hun gehele persoonlijke en gezinssituatie uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen.
80. Bijgevolg dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 49 VWEU Pro aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een belastingregeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die tot gevolg heeft dat een echtpaar dat in die staat woont en zowel in die staat als in een andere lidstaat inkomsten verwerft, daadwerkelijk een bepaald belastingvoordeel verliest als gevolg van de wijze waarop dit voordeel wordt aangerekend, terwijl dit echtpaar dat voordeel wel zou krijgen indien de echtgenoot met de hoogste inkomsten niet zijn volledig inkomen in een andere lidstaat zou verwerven.”
pro rata:
beidewerkstaten vergelijkbaar was met inwoners en kende eindelijk
pro ratahun persoonlijke fiscale tegemoetkomingen toe: de twee werkstaten moesten beiden hun tegemoetkomingen verlenen naar rato van hun onderwerping van het wereldinkomen van de voetbalmakelaar, i.e. Nederland voor 60% en Zwitserland (ook al is die staat geen lidstaat) voor 40%:
Schumacker-criterium voor vergelijking van niet-ingezetenen met ingezetenen (‘nagenoeg geheel’) onjuist is: niet-ingezetenen zijn uiteraard óók vergelijkbaar met ingezetenen als zij slechts voor 60% of 40% van hun totale inkomen in de werkstaat worden belast, nl. voor 60% c.q. voor 40%. Betreurenswaardig is daarentegen dat hij desondanks kennelijk vasthoudt aan de opvatting dat die
pro ratabenadering niet (nooit) geldt voor de
woonstaat. Op welke rechtsregel die volstrekt ongelijke behandeling van woon- en werkstaten is gebaseerd, blijft duister, want die is er niet. Tamelijk verbijsterend acht ik r.o. 37 (zie nader 5.5 hieronder).
Schumacker-rechtspraak kennelijk is gebaseerd op ‘altijd-ergens’: lukt een woonstaataftrek niet in de woonstaat, dan maar ‘elders’ in de EU als daar wél grondslag is. Het is dus duidelijk dat de
Schumacker-rechtspraak jurisdictietoewijzing door het Hof inhoudt, waar ook in de EU er maar grondslag te vinden valt. Er bestaat echter met zekerheid geen regel van EU-recht die zegt dat aftrekposten (van welke staat?) en tegemoetkomingen (van welke staat?) altijd
ergensin de EU (waar?) verzilverbaar moeten zijn en dat het niet kan schelen in welke lidstaat het gebeurt,
alshet maar
ergensgebeurt. Het HvJ is niet bevoegd om negatieve grondslag (verlies) uit de ene jurisdictie (Spanje) verplicht toe te wijzen aan andere jurisdicties die geen enkele jurisdictie (kunnen) uitoefenen over de (inkomsten uit) dat Spaanse onroerend goed en die de
positieveinkomsten eruit dus ook niet (kunnen) belasten.
nietverplichten om hun wetgevingen aan te passen aan de wetgeving van andere lidstaten. [44]
De Groot(zie 2.9 hierboven). De Belgische belastingrechter stelde toch vragen, omdat BJ verreweg het grootste deel van zijn inkomsten in bronstaat Luxemburg verdiende en daar ook al de Luxemburgse persoonlijke tegemoetkomingen kreeg, die uiteraard niet gelijk waren aan de Belgische, maar die in totaal wel minstens even groot waren als de in België misgelopen belastingverminderingen. De Belgische rechter zag dus kennelijk niet in waarom BJ, die dus eerder beter dan slechter af was door zijn grensoverschrijding, ook nog van twee wallen zou moeten kunnen eten, nu zijn persoonlijke omstandigheden kennelijk in Luxemburg al volledig en naar behoren in aanmerking waren genomen. Maar de Belgische rechter twijfelde omdat BJ in België in absolute zin wel (net) genoeg inkomen had en (net) genoeg belasting betaalde om hem de Belgische belastingverminderingen te geven. Hij vermoedde denkelijk daarom dat het HvJ België toch verantwoordelijk zou houden. Dat bleek helaas inderdaad het geval, met als onredelijk en willekeurig resultaat dat BJ aanmerkelijk voordeliger werd behandeld dan zowel inwoners van België die hun gehele inkomen in België verdienen als inwoners van Luxemburg die hun gehele inkomen in Luxemburg verdienen.
De Groot(zie 1.6 en 1.7 hierboven) in het midden wèlke lidstaat “in voorkomend geval” discrimineert (wèlk voorkomend geval?). Ook r.o. 58 kan ik niet volgen: het staat vast dat BJ beter af is dan als hij volgens
Schumackerzou worden belast (beter dan toekenning van de volle Belgische tegemoetkomingen). De verwijzende rechter heeft immers vastgesteld dat BJ in Luxemburg méér fiscaal voordeel kreeg dan hij in België verloor. Het ontgaat mij waarom daaruit
nietzou kunnen worden afgeleid “dat zijn persoonlijke en gezinssituatie volledig in aanmerking is genomen”. Het staat immers vast dat zijn omstandigheden naar
woonstaatrecht (dat volgens het HvJ immers beslissend is) méér dan volledig in aanmerking zijn genomen. Het ontgaat mij hoe dan opeens wél relevant zou kunnen zijn hoe die (meer dan) volledige inaanmerkingneming verdeeld wordt over de twee (of meer) lidstaten; dat kon het Hof immers expliciet niet schelen in onder meer r.o. 38 van
Schumacker, r.o. 101 van
De Grooten r.o. 31 van
Lakebrink, als het maar
ergensgebeurt. Ook ontgaat mij waarom het dan nog relevant zou zijn dat de Belgische belastingvoordelen slechts (terecht) evenredig zijn toegekend, gegeven dat BJ al
betereLuxemburgse voordelen had gekregen.
feitelijkdus
niethet geval is), is dat de Belgische wetgeving – terecht –
automatischtot pro rata toekenning van Belgische tegemoetkomingen leidt, nl. evenredig aan de Belgische onderworpenheid van het inkomen. Uit dit arrest volgt dus helaas dat de zwaluw die in het Spaanse voetbalmakelaarsarrest door de werkstaten vloog, geen zomer heeft gemaakt in de woonstaat. We zitten dus expliciet nog steeds met inconsistente en willekeurige rechtspraak: de werkstaten mogen niet-ingezetenen volledig uitsluiten van hun fiscale tegemoetkomingen als het inkomen in de woonstaat (net) hoog genoeg is om de woonstaattegemoetkomingen te absorberen, maar moeten
pro ratategemoetkomingen toekennen (nationale behandeling) als dat niet het geval is. De woonstaat daarentegen mag zijn tegemoetkomingen
nooitpro rata toekennen (moet dus grensoverschrijders gunstiger behandelen dan thuisblijvers) en wordt, als hij dat terecht toch doet, zélfs van discriminatie beschuldigd als daarvan feitelijk helemaal geen sprake is omdat de werkstaat (veel) meer tegemoetkomingen verleent dan de
pro ratatoekenning in de woonstaat de belastingplichtige daar doet verliezen. Het enige wat de woonstaat wél mag doen om de resulterende ongerechtvaardigde stapeling van de tegemoetkomingen van beide staten te voorkomen, is zijn wetgeving afstemmen op die van de werkstaat zodanig dat hij zijn toekenning afhankelijk maakt van de toekenning in de werkstaat (verrekening dus). Die eis van het HvJ dat de woonstaat zijn wetgeving moet afstemmen op die van de werkstaat is in strijd met zijn vaste rechtspraak dat de verkeersvrijheden de lidstaten juist
nietverplichten om hun wetgevingen op elkaar af te stemmen. [47] Dat is immers harmonisatie van dispariteiten, waartoe – het wordt eentonig – het Hof niet bevoegd is.
Zyla, [48] keurde hij tijdsevenredige korting van het premiedeel van de heffingskorting door werkstaat Nederland goed, ook al had de betrokkene géén premieplichtig inkomen in haar woonstaat Polen, die haar persoonlijke omstandigheden dus
nietin aanmerking kon nemen:
3.Literatuur over de betekenis van de Schumacker-rechtspraak
Schumacker-rechtspraak zeer kritisch, met name diens nalaten om nationale fiscale behandeling in de werkstaat te eisen en de gebrekkige onderbouwing van de stelling dat niet-inwoners niet vergelijkbaar zouden zijn met inwoners. Hij vreest [51] dat ‘s Hofs correcte fractionele benadering in het Spaanse voetbalmakelaars-arrest niet geldt als de belastingplichtige in zijn woonland wél enig inkomen heeft en dat in die situatie helaas nog steeds de onjuiste
De Groot-regel geldt:
pro rata parteapproach also obtains if
Schumackercase
fractional taxation).
waaronder een niet-inwoner met inachtneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie dient te worden belast. Desalniettemin kan naar mijn mening aan de jurisprudentie een tweetal Schumacker-criteria worden ontleend om de objectieve vergelijkbaarheid van niet-inwoners in dit kader vast te stellen: (i) het woonstaatcriterium en (ii) het inkomenscriterium. Om in de werkstaat in aanmerking te komen voor een inwonerbehandeling ten aanzien van de subjectgebonden belastingvoordelen is ten eerste vereist dat de lidstaat waarin een belastingplichtige woonachtig is geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, althans dat de hiermee verbonden belastingvoordelen niet volledig kunnen worden geëffectueerd. Dit wegens onvoldoende belastbare grondslag c.q. verschuldigde belasting in de woonstaat, terwijl de belastingvoordelen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige evenmin kunnen worden vergolden bij zijn partner (woonstaatcriterium). Ten tweede is vereist dat het inkomen geheel of gedeeltelijk aan de werkstaat ter heffing is toegewezen en aldaar wordt belast (inkomenscriterium). Een minimumgrens in de vorm van een percentage kan niet aan de jurisprudentie worden ontleend. Als aan het woonstaatcriterium wordt voldaan, geldt mijns inziens het volgende. Indien in één werkstaat belastbaar inkomen wordt genoten, dan is deze staat gehouden de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen (volledig). Als het inkomen echter in meerdere werkstaten wordt verdiend, dan bestaat deze verplichting voor ieder van de werkstaten (voor zover dit lidstaten zijn), naar evenredigheid van het aldaar belastbare inkomen.”
De Groot) meent dat het een bronstaat niet verplicht behoort te worden om tegemoetkomingen te verlenen voor zover de woonstaat die heeft kunnen verlenen en er dáárdoor geen belastbaar inkomen (meer) is in de woonstaat:
(…).
Schumacker-doctrine niet strookt met het recht op gelijke behandeling van niet-inwoners ten opzichte van inwoners en dat fractionele belastingheffing het geschikte en handhaafbare alternatief is:
Spaanse Voetbalmakelaar) signaleert door de
Schumacker-rechtspraak opgeroepen onbeantwoorde vragen.
(…).
6. Het Hof van Justitie weigert de vraag te beantwoorden of het relevant is of Spanje in zijn nationale wetgeving al dan niet het concept negatief inkomen uit eigen woning kent en, zo ja, of dit negatieve inkomen voorwaarts verrekenbaar is. Het Hof van Justitie acht deze vraag, gelet op de feitelijke situatie van X, hypothetisch van aard (r.o. 54). De A-G is er wel deels op ingegaan: Nederland zou bevoegd zijn geweest een eventueel dubbel genoten voordeel weg te nemen, mits de draagkracht van de belastingplichtige maar naar behoren in aanmerking blijft genomen (punt 81 van de conclusie).
(…).
8. Ik heb mij nog afgevraagd hoe het onderhavige arrest zich verhoudt tot HvJ EU 18 juni 2015, C-9/14, BNB 2015/213c* (Kieback), In die zaak genoot de in Duitsland wonende belastingplichtige gedurende drie maanden inkomen in Nederland, waarna hij verhuisde naar de Verenigde Staten en zijn werkzaamheden in Nederland staakte. Het Hof van Justitie oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de woonstaat van de belastingplichtige in het desbetreffende belastingjaar geen rekening zou kunnen houden met de negatieve inkomsten uit de in Duitsland gelegen eigen woning, als gevolg waarvan de belastingplichtige geen recht had op aftrek in Nederland. Na lezing van het onderhavige arrest in de zaak X komt het mij voor dat het Hof van Justitie van mening is dat het aan de Verenigde Staten als woonstaat staat om al dan niet rekening te houden met deze negatieve inkomsten. Indien dit een juiste lezing is, heeft dit grote consequenties voor EU-lidstaten die zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van de Verenigde Staten in de zaak Kieback. (…).”
Schumacker-doctrine vervangen moet worden door fractionele belastingheffing:
BJ v. Belgische staat(zie 2.44 hierboven), waarin België als woonland alle tegemoetkomingen moest geven ondanks diens genieten van groter voordeel in de bronstaat Luxemburg dan het evenredige verlies van voordeel in de woonstaat België. Zij zet vraagtekens bij de verplichting van een staat om belastingvoordelen volledig toe te kennen terwijl een deel van dit inkomen in een andere staat wordt belast. Volgens haar moeten andere oplossingen worden onderzocht:
(…).
The ECJ puts the responsibility for guaranteeing tax advantages for personal and family
4.Beleid
Schumacker-rechtspraak van het HvJ de EU-lidstaten stelt:
(…).
Uitgangspunt (…) is een belastingheffing van betrokken belastingplichtigen die in overeenstemming is met het EU-recht zonder dat deze hierbij in een betere positie worden gebracht dan binnenlandse belastingplichtigen en andere buitenlandse belastingplichtigen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.
(…)
.
2. Het naar Nederlandse maatstaven bepaalde (wereld)inkomen van de belastingplichtige is geheel of nagenoeg geheel in twee of meer andere staten (waaronder Nederland) dan de woonstaat aan een loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen.
5.Beschouwing
Schumacker-rechtspraak onverenigbaar met primair en secundair EU-recht en is het moeilijk om buiten het HvJ iemand te vinden die er enthousiast over is. Volgens de literatuur leidt zij tot discriminatie, onduidelijkheden, ongerijmdheden, willekeurige resultaten en onuitvoerbaarheid.
niethorende tegemoetkomingen (
if any) van de woonstaat. Daat staat wel tegenover dat hij een
salary splitheeft, die hem in de werkstaten denkelijk tariefprogressie bespaart, hetgeen overigens bijdraagt aan de willekeur van het resultaat. Als de woonstaat er een
flat rateop na houdt, krijgt hij niets, ook niet als de werksta(a)t(en) er zeer royale tegemoetkomingen op na houden tegen bijbehorende hoge progressieve tarieven. Waar niets is, gaat immers ook niets verloren door grensoverschrijding en met nihil zijn de tegemoetkomingen ‘volledig en naar behoren’ toegekend in de woonstaat, die immers niemand iets toekent.
Imfeld en Garcet(zie 2.34 e.v. hierboven) en
BJ v. België(zie 2.45 e.v. hierboven) de woonstaat om zijn inkomstenbelastingwetgeving ofwel unilateraal ofwel bilateraal aan te passen aan het nationale inkomstenbelastingrecht van de bronstaten als hij wil voorkomen dat zijn inwoners met buitenlands inkomen ongerechtvaardigd de tegemoetkomingen van zowel de werkstaat als de woonstaat krijgen. In
BJ v. Belgiëachtte het HvJ expliciet niet van belang dat BJ in zijn werkstaat Luxemburg zelfs al méér belastingvoordeel genoot dan hij in België verloor (terecht verloor, gezien het evenredigheidsbeginsel). België werd gedwongen óók 100% van de Belgische tegemoetkomingen aan BJ toe te kennen, uitsluitend omdat het zijn nationale wetgeving of zijn belastingverdrag met Luxemburg niet had aangepast aan de Luxemburgse wetgeving. BJ werd aldus zowel in zijn werkstaat als in zijn woonstaat ongerechtvaardigd bevoordeeld boven zowel zijn Luxemburgse collega’s als zijn Belgische buren. Ik zie niet hoe de EU-verkeersvrijheden lidstaten zouden kunnen dwingen ofwel (i) grensoverschrijders dubbele tegemoetkomingen toe te kennen waar thuisblijvers
nooitaanspraak op kunnen maken, ofwel (ii) hun wetgeving afhankelijk te maken van hetgeen de werkstaat al dan niet wenst te doen.
pro ratazaak
X(Spaanse voetbalmakelaar; zie 2.39 hierboven) houdt het HvJ vol, in strijd met de in 1.3 hierboven geciteerde verordeningen en met de ex art. 45 VwEU Pro vereiste nationale behandeling van niet-inwoners, dat niet-ingezeten werknemers niet vergelijkbaar zouden zijn met ingezeten werknemers, behalve als die werknemers thuis niets verdienen (
curs. PJW):
een niet-ingezetene op het grondgebied van de werklidstaat inkomen heeft ontvangen in min of meer gelijke omstandigheden als ingezetenen van die staat, ontoereikend om zijn situatie objectief vergelijkbaar met die van laatstgenoemden te maken.
is tevens vereist dat de woonlidstaat, vanwege het feit dat deze niet-ingezetene het belangrijkste deel van zijn inkomen elders dan op het grondgebied van die staat heeft verworven,
niet in staat is om hem de voordelen toe te kennenwaarop aanspraak ontstaat wanneer zijn gehele inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking worden genomen (zie naar analogie arrest van 18 juni 2015, Kieback, C-9/14, EU:C:2015:406, punt 28).”
dezelfdeomstandigheden
hetzelfdeinkomen verwerft als een inwoner (de toevoeging ‘min of meer’ is slechts verhullend) vrij-verkeersrechtelijk
nietvergelijkbaar zou zijn met die inwoner. Een glasharde en mijns inziens evident onhoudbare ontkenning van de meest basale regel van de interne markt en van de geciteerde Verordeningen. Eén van de bizarre gevolgen daarvan is dat als de woonstaat ervoor kiest dubbele belasting
niette voorkomen, waardoor buitenlands inkomen van zijn inwoners vol dubbel wordt belast maar wel alle woonstaat-tegemoetkomingen kunnen worden benut, die inwoners daardoor in de
werkstaat geen enkele tegemoetkoming krijgen, terwijl als de woonstaat wél dubbele belasting voorkomt - waartoe hij volgens vaste EU-rechtspraak
nietverplicht is [71] - en hij een geheel elders verdiend inkomen van zijn inwoner dus niet belast, diezelfde inwoner opeens in de
werkstaat wél recht krijgt op alle daar vigerende tegemoetkomingen.
nietverplicht tot vermijding van dubbele heffing over de buitenlandse 60% die in het buitenland al is belast. Als het EU-recht
überhauptniet verplicht tot voorkoming van dubbele belasting, hoe zou het dan wél een volstrekt redelijke evenredigheidsbreuk bij die
niet-verplichte voorkoming van dubbele belasting kunnen verbieden? De mogelijke tegenwerping dat
alsde woonstaat dubbele belasting voorkomt, hij dat nondiscriminatoir moet doen, snijdt geen hout, nu voor inwoners
zonderbuitenlands inkomen immers überhaupt geen voorkoming van dubbele belasting aan de orde kan zijn, zodat de bij inwoners mét buitenlands inkomen bestaande voorkoming ook niet vergeleken kan worden met die niet-bestaande voorkoming bij inwoners zonder buitenlands inkomen. De discriminatie zit niet in de woonstaat, die volgens het Hof het buitenlandse inkomen van zijn inwoners volledig mag belasten zonder voorkoming van dubbele belasting, [72] maar in de bronstaat, die door het EU-recht wordt verplicht om nationale behandeling te geven aan niet-ingezeten personen.
Imfeld & Garceten
BJ v. België(zie 2.33 e.v. en 2.44 e.v. hierboven) volgen dat de woonstaat desondanks toch zijn volledige tegemoetkomingen moet geven, met willekeurige bevoordeling van de grensoverschrijder tot gevolg. In onze gevallen is echter, omgekeerd, de positie in de werkstaat (bronstaat) aan de orde in een geval waarin in de woonstaat (in twee van de drie gevallen) een zeer groot deel, maar niet de volledige tegemoetkomingen kunnen worden benut. Voor dat geval heerst nog steeds, 28 jaar na
Schumacker, onduidelijkheid over wat de werkstaat moet doen. U zie de uiteenzetting in onderdeel 1.13 hierboven.
allewoonstaattegemoetkomingen aldaar benut hebben kunnen worden, de werkstaat niets hoeft te doen, en (ii) als dat niet het geval is omdat het in de woonstaat onderworpen inkomen (bepaald naar woonstaatmaatstaven) te laag is om volledige benutting mogelijk te maken, de werkstaat moet bijspringen, maar dan wel naar zijn eigen recht. Dan dienen zich twee mogelijkheden aan, zoals uit de uiteenzetting in 1.13 hierboven bleek: men kan uitrekenen welk percentage van de woonstaattegemoetkomingen onbenut is gebleven en dat percentage van de werkstaattegemoetkomingen toekennen in de werkstaat. Dat heeft het Hof Den Bosch niet gedaan. Hij heeft uitgerekend welk breukdeel van het totale inkomen in de werkstaat wordt onderworpen en
datbreukdeel van de werkstaattegemoetkomingen toegekend aan de belastingplichtige, maar met een bovengrens, nl. maximaal het bedrag aan tegemoet-komingen dat een vergelijkbare ingezetene met vergelijkbaar inkomen deelachtig zou zijn geworden. Het EU-recht verplicht immers niet tot begunstiging van niet-ingezetenen. Zoals boven bleek, heeft het HvJ een dergelijke bovengrens in de omgekeerde situatie in de zaken
Imfeld & Garceten
BJ v. Belgiëjuist
niettoegestaan aan de woonstaat, tenzij die woonstaat zijn wetgeving aanpast aan de wetgeving van de werksta(a)t(en).
ongeachthet percentage van het (gezins)inkomen van de belanghebbenden dat aan Nederland is toegewezen en
ongeachtof het aan de woonstaat toegewezen deel van het (gezins)inkomen de woonstaattegemoetkomingen al dan niet (geheel) kan absorberen. Nederland hoeft zich dus niet te verdiepen in de fiscale positie van de belanghebbenden in hun woonstaat. Dat zou ook in strijd zijn met de rechtspraak van het HvJ dat het EU-recht de lidstaten niet verplicht hun fiscale wetgeving of praktijk aan te passen aan de fiscale wetgeving of praktijk van de andere lidstaten (zie onderdeel 5.3 hierboven). De inkomensbreukbenadering die het HvJ (alleen) voor de
werkstaten toepaste in de zaak
X(C-283/15; Spaanse voetbalmakelaar) moet óók gevolgd worden als er – anders dan in die zaak
X– wél enig woonstaatinkomen is dat in absolute zin voldoende kan zijn om de in de woonstaat vigerende fiscale tegemoetkomingen te absorberen, en niet alleen voor die tegemoetkomingen, maar voor de gehele belastingpositie van de niet-ingezetene in de bronstaat.
X. (
Spaanse voetbalmakelaar) de correcte evenredigheidsweg ingeslagen, maar niet als aan de woonstaat nog inkomen van enige betekenis is toegewezen. Hoewel de kans klein lijkt dat het HvJ de evenredigheidsbreuk die hij in die zaak terecht toepaste op de twee betrokken
werkstaten, nu ook zal toepassen op de
woonstaat, meen ik dat een poging te ondernemen ware om hem toch verder op die correcte evenredigheidsweg te helpen met prejudiciële vragen in onze drie
bronstaatcasussen, mede omdat onduidelijk is (zie onderdeel 1.13 hierboven) waartoe het EU-recht de bronsta(a)t(en) verplicht als de belastingplichtige, zoals in twee van onze drie zaken, een groot deel van de woonstaattegemoetkomingen kan benutten, maar het woonstaatinkomen niet hoog genoeg is om die tegemoetkomingen
volledigte absorberen. Ik formuleer daartoe in de drie afzonderlijke zaken enige mogelijke prejudiciële vragen.