Verzoeker diende een cassatierekest in tegen een arrest van het hof Den Haag, maar voldeed niet aan de vereiste om een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen in de procesinleiding. De waarnemend griffier wees verzoeker op dit verzuim en gaf een hersteltermijn van twee weken. Verzoeker vroeg om uitstel wegens bijzondere omstandigheden, waaronder ziekte van zijn cassatieadvocaat en het niet kunnen vinden van een vervanger. De deken van de Orde van Advocaten wees het verzoek om aanwijzing van een cassatieadvocaat af, en het Hof van Discipline verklaarde het beklag hierover ongegrond.
Verzoeker voerde aan dat de hersteltermijn van twee weken niet passend was en dat hem daardoor effectieve toegang tot de cassatierechter werd onthouden. Hij verwees naar bepalingen in het Procesreglement en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en stelde zich op het standpunt dat sprake was van overmacht. De Hoge Raad oordeelde echter dat de hersteltermijn van twee weken vaste rechtspraak is, een voldoende wettelijke basis heeft en niet kan worden afgeweken, ook niet vanwege de coronacrisis.
De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is wegens het niet voldoen aan de procesvertegenwoordigingsvereiste binnen de gestelde termijn. Het beroep van verzoeker op bijzondere omstandigheden en uitstelmogelijkheden faalde. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is passend en in lijn met het Nederlandse procesrecht en internationale rechtspraak.