Conclusie
1.Overzicht
goodwillen stille reserves. Behoudens tegenbewijs wordt de afsplitsing dan geacht overwegend te zijn gericht op ontgaan of uitstel van belastingheffing. Het Hof laat in het midden of het einddoel (vervreemding aan een derde) zakelijk is of aandeelhoudersmotieven dient, en oordeelt dat de belanghebbende hoe dan ook niet geslaagd is in het tegenbewijs dat de gekozen juridische weg (afsplitsing) niet als hoofddoel oneigenlijk belastinguitstel heeft. Het hof acht de afsplitsing kunstmatig antifiscaal.
Leur-Bloem, Modehuis Zwijnenburgen
Euro Park Service. De Staatssecretaris acht ’s Hofs bewijslastverdeling rechtskundig correct en zijn bewijsoordelen in cassatie onaantastbaar.
Ruziesplitsingsarrest HR BNB 2021/35.
BNB2022/38 (Vastgoedportefeuille) heeft het Hof terecht aangenomen dat (ook) de juridische weg naar het einddoel zakelijk ingegeven moet zijn.
Eqiomhet enkele feit van indirecte niet-EU-aandeelhouders misbruik van de EU-Moeder/dochter-richtlijn (MDR) kon doen vermoeden. Dat enkele feit werd door het HvJ in
Eqiomniet aangemerkt als zelfs maar een begin van bewijs van misbruik; een enkel daarop gebaseerd misbruikvermoeden was te algemeen (te onbepaald). Uit geen enkele MDR-bepaling blijkt dat de herkomst van de aandeelhouders van enig belang was voor het recht van de vennootschappen op de richtlijnvoordelen, aldus het Hof. Dat Eqiom mocht proberen aan te tonen dat van misbruik géén sprake was, deed er niet aan af dat dit gebruik van het misbruikvoorbehoud in de MDR te ver ging in het beperken van de rechten die de MDR toekent aan kwalificerende vennootschappen en aldus ook het vrije kapitaalverkeer schond.
shoppingwas in
Eqiom. Ook voor de Fusierichtlijn geldt dat uit geen enkele bepaling blijkt dat het feit dat – of de termijn waarbinnen – bij een splitsing verkregen aandelen worden vervreemd, van belang is voor het recht van de afsplitsende vennootschap op de voordelen van de Fusierichtlijn. Ook uit uw rechtspraak, met name uit HR
BNB2009/28,
Bulkgasen
Tankstations, volgt dat zelfs als vóór de splitsing al vast staat dat de bij splitsing te verkrijgen aandelen vervreemd zullen worden aan een derde, zulks nog geen misbruik impliceert. En ook voor de Nederlandse misbruikvooronderstelling bij verkoop van aandelen binnen drie jaar geldt dat zij “niet tot specifiek doel heeft, volstrekt kunstmatige constructies waarmee wordt beoogd ten onrechte dat voordeel te verkrijgen, uit te sluiten van een belastingvoordeel, maar in het algemeen ziet op elke situatie waarin een [bij splitsing verkregen aandeel] om welke reden ook [wordt vervreemd]”.
in concretorichtlijnconform heeft toegepast. Uit HR
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) volgt immers dat Nederlandse antimisbruikbepalingen die de implementatie zijn van EU-richtlijnbepalingen richtlijnconform moeten worden toegepast en dat als de feitenrechter dat doet - dat wil zeggen de initiële bewijslast voor concrete aanwijzingen van misbruik voldoende op de Inspecteur legt - het EU-recht niet wordt miskend.
goodwillzeer onpraktisch zou zijn, en (ii) dat de voordelen van het vermijden van die complicaties niet ‘volstrekt marginaal’ zouden zijn vergeleken bij het fiscale voordeel van uitstel van heffing. Die bewijslastverdeling lijkt mij niet in overeenstemming met de bewijslastverdeling die uit de rechtspraak van het HvJ volgt, met name niet met diens arresten
Eqiomen
Euro Park Service: het staat initieel aan de fiscus om concrete aanwijzingen van antifiscale motieven te stellen, ook voor de gekozen weg, en bij betwisting aannemelijk te maken. Daarna kan de bewijslast pas naar de belanghebbende.
goodwill-afschrijvingsverrekening. EU-rechtelijk lag het mijns inziens echter andersom op de weg van de Inspecteur om diens abstracte en algemene stelling aannemelijk te maken dat die 280 contracten bepalingen zouden bevatten die contractoverneming administratief eenvoudig zouden maken en niet tot heronderhandeling zouden kunnen leiden. Ook zou het mijns inziens op de weg van de Inspecteur gelegd hebben moeten worden om belanghebbendes onderbouwde stelling te ontzenuwen dat het
goodwill-afschrijvingsverrekeningsbeding met de koper een praktisch bezwaar van betekenis was tegen een activa/passiva-transactie. ’s Hofs uitsluitend op bewijslastverdeling gebaseerde oordeel dat de nadelen van die praktische bezwaren ‘volstrekt marginaal’ zouden zijn, lijkt mij daarmee (ook) onvoldoende gemotiveerd.
2.De feiten
algemene titel) pursuant to the execution of one notarial deed of demerger. Individual consent or cooperation of each and every counterparty will not be required.
inhet Memo is opgenomen, opgesteld voordat de overnamesom ad € 55,7 miljoen bekend was, geeft de te nemen stappen als volgt weer:
agreement for the acquisition of the business of N.V. [X](de overeenkomst) gesloten tussen [M] BV (
Purchaser), [F] S.à.r.l. (
Seller), de belanghebbende (
the Company) en [LL] BV (
Seller Guarantor). De totale prijs voor de onderneming (
the business) en het
[N] Sharebedraagt € 55.700.000. De stappen in het hierboven (2.7) geciteerde stappenplan zijn in deze overeenkomst vastgelegd. Zij vermeldt onder meer:
IT IS AGREED:PREAMBLE
juridische afsplitsing) (the
Demerger) pursuant to which (a) it shall transfer the Business under universal title of succession to [N] and (b) the Seller [ [F] S.à.r.l.; PJW] shall acquire the [N] Share and (II) the Seller shall transfer its [N] Share to the Purchaser, all in accordance with the reorganisation steps set out in Schedule 2 and the terms of the Transaction Documents.
SER Fusiegedragsregels 2015) prior to entering into this Agreement).
1.SALE AND PURCHASE1.1. The Seller shall demerge (or procure the demerger of) and agrees to transfer (or procure the transfer by the Company of), and the Purchaser [ [M] N.V.; PJW] shall acquire and accept (or procure the acceptance by [N] of), the Business pursuant to the Demerger at Closing subject to the terms and conditions set out in this Agreement. The Business shall be transferred free from any Third Party Rights.
15.TAX
Tax Ruling). The Seller shall take the lead in any discussion with the Tax Authorities (the
Tax Ruling Discussions), but shall keep the Purchaser regularly updated on the conduct and progress thereof. Unless with the prior approval of the Purchaser (such approval not to be reasonably withheld or delayed), the Seller shall not agree to, and shall procure that the Tax Ruling shall not compromise, any matter which the Seller considers or ought reasonably to consider may be of material importance to the Purchaser as regards either the future relationship with the Dutch Tax Authority, or the future liability to Tax, of [N] or any other member of the Purchaser Group. Any costs of the Purchaser incurred in connection with the Tax Ruling Discussions shall be reimbursed by the Seller in accordance with clause 24.2. If no Tax Ruling is obtained prior to or at Closing, the Parties shall proceed with the Proposed Transaction, subject to the earn-out mechanism set forth in Part D of Schedule 11. If the Tax Authorities are unwilling to grant the Tax Ruling, the Seller and the Purchaser shall reasonably discuss whether the Seller shall seek injunctive relief (
voorlopige voorziening), and/or object (
bezwaar maken) and/or appeal (
in beroep gaan) and/or take any other action against or in respect of the decision of the Tax Authorities in accordance with the applicable legal procedures. Any such action will require the prior written approval of the Purchaser which approval shall not be unreasonably withheld.
voorlopige voorziening), objection (
bezwaar) or appeal (
beroep) by the Seller against the Dutch Tax Authorities’ decision not to grant the Tax Ruling as a result of which [N] cannot, or no longer, recognise the Demerger Goodwill in its tax accounts, the Seller shall not be entitled to receive from the Purchaser any amount equal to the DTA Earn-out, and the refund procedure set out in clauses 3.2 – 3.4 below shall apply to any payment previously made by the Purchaser to the Seller in accordance with clause 3.1 below.
goed koopmansgebruik).
3.DUE DATE OF PAYMENT
definitieve aanslag) in respect of a financial year within the Earn-out Period has been issued, settle the amount of the DTA Earn-out to the Seller as follows:
navorderingsaanslag) is issued in which any amount of Demerger Goodwill depreciation is lowered, resulting in a lower amount of DTA Earn-out in respect of that financial year, Purchaser shall be entitled to receive from the Seller the difference between (i) the DTA Earn-out determined in accordance with clause 2 above, and (ii) the revised amount of DTA Earn-out as a consequence of the additional tax assessment (the DTA
Earn-out excess).
Own risk and solvency assessment; PJW] blijkt dat [X] - zonder aanpassingen van het bedrijfsmodel - over circa drie jaar niet meer solvabel zal zijn. Daarbij komt dat de aandeelhouder niet bereid is om noodzakelijke investeringen te doen in de interne organisatie, die minimaal bezet is. Tegen deze achtergrond heeft de aandeelhouder besloten om [X] te verkopen.
excluded assets, excluded contracts, excluded liabilitiesen de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de fiscale eenheid Vpb. [N] BV is via [M] (thans [O] NV) middellijk in handen van [AA] .
3.Het geschil
goodwillwordt in tien jaar afgeschreven); volgens de belanghebbende legitieme en zakelijke overwegingen.
FutD2020-3861 onderschrijft het oordeel van de Rechtbank en begrijpt de volharding van de Inspecteur niet:
NTFR2021/19) daarentegen plaatst vraagtekens bij de zakelijkheidstoets van de Rechtbank:
BNB2022/38; zie 8.15 hieronder; PJW] waarin is verwezen naar de gronden die zijn uiteengezet in de onderdelen 6.2 tot en met 6.11 van de conclusie van A-G Wattel van 3 november 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:1037), volgt dat voor de beoordeling of de afsplitsing heeft plaatsgevonden op grond van zakelijke overwegingen bepalend is dat zowel het einddoel als de keuze van de weg ernaartoe door zakelijke overwegingen is ingegeven.
NTFR2022/3663) gaat het Hof te gemakkelijk voorbij aan de verschillen tussen een activa-passivatransactie en een (af)splitsing:
Futd2022-2725 heeft weinig waardering voor ’s Hofs uitspraak. Zij ziet daarin een “complottheorie” en “geen onderbouwing”; zij acht de uitspraak “onbegrijpelijk”. HR
BNB2022/38 heeft volgens haar de toepassing van art. 14a(6) Wet Vpb “een mijnenveld” gemaakt:
6.Het geding in cassatie
Leur-Bloem [8] ,
Zwijnenburg [9] en
Euro Park Service [10] (zie 8.1 en 8.2 hieronder). Dat bewijsvermoeden (de zakelijkheidstoets) is volgens de belanghebbende te mechanisch:
elkevervreemding van bij splitsing verkregen aandelen binnen drie jaar na de splitsing wordt als misbruik beschouwd tenzij de belastingplichtige het tegendeel bewijst. Uit de genoemde HvJ-arresten volgt dat zo’n automatische misbruikveronderstelling, die abstraheert van de vraag of daadwerkelijk belastingontwijking of -fraude aan de orde is, onverenigbaar is met de strekking van de Fusierichtlijn, die alleen in individueel beoordeelde uitzonderingsgevallen weigering van de faciliteit toelaat. De belanghebbende verwijst naar literatuur van die strekking. [11] Volgens haar moet u, al dan niet na beantwoording van prejudiciële vragen door het HvJ, ’s Hofs uitspraak vernietigen en de zaak verwijzen. Volgens het Unierecht moet de Inspecteur ten minste een begin van bewijs leveren dat zakelijke overwegingen ontbreken en het hoofddoel van de transactie belastingfraude of -ontwijking is (zie HvJ
Euro Park Service, punt 56).
Euro Park Service, punt 56). De Inspecteur heeft de door de belanghebbende gestelde feiten slechts betwist; dat is geen begin van bewijs;
goodwillin tien jaar wordt afgeschreven en dat de partijen bij een activa-passivatransactie nog jarenlang aan elkaar vast zouden zitten door hun afspraak over verrekening van de vpb-besparing bij de koper door diens afschrijving op de verkregen
goodwillals de afsplitsing niet wordt vrijgesteld (de belanghebbende verwijst naar art. 15.3, Part E Definitions en Part D van Schedule 11 van de
Share Purchase Agreement). Deze
SPA-bepalingen laten volgens haar geen andere conclusie toe dan dat de koper een betalingsverplichting heeft als de verkoper vpb verschuldigd blijkt te zijn op de afsplitsing. De partijen zouden het jaarlijks eens moeten worden over de nabetaling door de koper aan de verkoper (over de afschrijving gaat para. 1.2. sub c van de
SPA). Zij acht het evident dat het voor beide partijen zeer nadelig is om aldus zo lang aan elkaar vast te zitten. Zij heeft dat in beide feitelijke instanties herhaaldelijk gesteld, maar het Hof is er aan voorbij gegaan in zijn oordeel (r.o. 4.12) dat niet aannemelijk zou zijn dat de voordelen van afsplitsing boven een activa-passiva-transactie zich in casu daadwerkelijk voordoen. Het Hof heeft aldus in strijd met zijn motiveringsplicht een essentiële stelling onbesproken gelaten en zijn oordeel ondergraven dat andere dan fiscale voordelen van afsplitsing volstrekt marginaal zouden zijn, aldus de belanghebbende.
Euro Park Service(punt 56) volgt dat de inspecteur ten minste een begin van bewijs moet leveren van aanwijzingen voor belastingfraude of -ontwijking. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de Inspecteur dat begin van bewijs heeft geleverd. Het Hof overweegt slechts dat de Inspecteur de door de belanghebbende gestelde feiten betwist, maar dat is niet het vereiste begin van bewijs, aldus de belanghebbende.
verweerweerspreekt de Staatssecretaris middel (i) met citaten uit de parlementaire geschiedenis van art. 14a Wet Vpb [12] (zie 7.7, 7.8, 7.11 en 7.12 hieronder) waaruit zijns inziens de ratio van de bewijsvermoedens (de zakelijkheids- en ontgaanstoetsen) volgt. Het misbruik waarop de antimisbruikbepaling ziet, doet zich voor als de splitsing overwegend ontgaan of uitstel van belastingheffing dient. Dat wordt geacht het geval te zijn als niet wordt gesplitst op grond van zakelijke overwegingen. Anders dan de belanghebbende op basis van punt 55 van HvJ
Euro Park Servicestelt, wordt het tweede bewijsvermoeden (de zakelijkheidstoets) niet mechanisch toegepast. Tegenbewijs is immers toegelaten, zodat afsplitsing niet automatisch van het belastingvoordeel is uitgesloten bij vervreemding van verkregen aandelen binnen drie jaar. De belanghebbende miskent volgens de Staatssecretaris dat de vrijstelling kan worden verleend als wordt aangetoond dat zakelijke overwegingen aan de splitsing ten grondslag lagen. Nu het verkregen aandeel binnen drie jaar is vervreemd, worden – behoudens tegenbewijs – zakelijke overwegingen geacht niet te overheersen, waardoor de afsplitsing behoudens tegenbewijs geacht wordt overwegend ontgaan of uitstel van belastingheffing te dienen. Het Unierecht verzet zich volgens de Staatssecretaris niet tegen dat bewijsvermoeden. Hij verwijst naar HvJ
A-Breuerei [13] (zie 8.3 hieronder) en mijn conclusies voor HR
BNB2019/175 (afsplitsing/verkoop tankstations; zie 8.10 hieronder) [14] en voor HR
BNB2011/154 (einduitspraak
Modehuis Zwijnenburg). [15] Voor vrijstelling van overdracht van een onderneming door juridische afsplitsing is niet de enkele juridische vorm al voldoende. Weliswaar kunnen zakelijke redenen bestaan voor overdracht van een onderneming die aanleiding kan zijn voor een (af)splitsing, maar die redenen gelden niet automatisch en onverkort ook als zakelijk bij de keuze om die overdracht de vorm van een juridische afsplitsing te geven. De Staatssecretaris acht ’s Hofs uitleg van de ontgaanstoets juist, evenals diens conclusie dat de belanghebbende het vereiste tegenbewijs niet heeft geleverd. Hij wijst op
Kamerstukken II1997/98, 25 709, nr. 3, p. 7-8 (MvT) (zie 7.7 hieronder) en
Kamerstukken II1998/99, 26 728, nr. 3, p. 52-54 (MvT) (zie 7.10 hieronder). Anders dan de belastingplichtige in HR
BNB2019/175 (
Tankstations; zie 8.10 hieronder) heeft de belanghebbende geen bewijs geleverd tegen het op de aandeelvervreemding gebaseerde wettelijke vermoeden. Uit dat arrest blijkt de juistheid van ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende bewijs tegen het tweede bewijsvermoeden moet leveren; alleen de belanghebbende kan immers aangeven welke haar overwegingen voor de afsplitsing waren (zie
Kamerstukken II1999/2000, 26 728, nr. 6, p. 74 (NNvV)).
Euro Park Servicemist volgens hem doel. Het Hof heeft zijns inziens rechtskundig correct geoordeeld dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar keuze voor afsplitsing berustte op zakelijke overwegingen. Ad onderdelen b en c meent de Staatssecretaris dat die zich richten tegen overwegingen die ’s Hofs oordeel niet zelfstandig dragen maar feitelijke overwegingen zijn binnen het bewijsoordeel dat niet aannemelijk is dat afgesplitst is op grond van zakelijke overwegingen. Alleen daarom al kunnen de onderdelen b en c zijns inziens niet tot cassatie leiden. ‘s Hofs feitelijke oordeel acht hij ook voldoende en begrijpelijk gemotiveerd.
7.De Richtlijn, de wet en de parlementaire geschiedenis
4. Zakelijke overwegingen
3. Zakelijke overwegingen
8. In overwegende mate zakelijk
8. Zakelijke overwegingen
Leur-Bloemverboden materiële fusie-eis te schrappen en de tekst van het misbruikvoorbehoud grotendeels over te nemen in de Nederlandse wet:
In de derde volzin van dit [thans zesde; PJW] lid is een bepaling opgenomen die betrekking heeft op de situatie dat de aandelen in de overdrager of de overnemer worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam. In dat geval wordt aangenomen dat de vervreemding van de aandelen samenhangt met de overdracht van de vermogensbestanddelen waarvoor de faciliteit is verkregen. Dit samenstel van rechtshandelingen zou het mogelijk maken om verkoopwinsten om te zetten in onbelaste koerswinsten op aandelen, waardoor de belastingheffing wordt uitgesteld. Teneinde deze vorm van oneigenlijk gebruik te keren, wordt aan de bedrijfsfusie geacht geen zakelijke overwegingen ten grondslag te liggen indien de aandelen in de overnemer of de overdrager binnen een periode van drie jaar worden vervreemd aan een niet verbonden lichaam. De woorden direct of indirect zijn opgenomen teneinde duidelijk te maken dat ook wanneer de aandelen eerst aan een verbonden lichaam worden verkocht en vervolgens aan een niet verbonden lichaam, de antimisbruikbepaling van toepassing is.
(...).
De belastingplichtige wordt de mogelijkheid geboden om tegenbewijs te leveren. De belastingplichtige zal slagen in dit tegenbewijs indien bijvoorbeeld zowel de aandelen in de overdrager als de aandelen in de overnemer aan dezelfde belastingplichtige worden verkocht. Die situatie kan immers worden vergeleken met de situatie dat de bedrijfsfusie niet heeft plaatsgevonden. Had de bedrijfsfusie niet plaatsgevonden, dan hadden de aandelen ook kunnen worden verkocht zonder dat dit zou leiden tot heffing. De belastingplichtige wordt de mogelijkheid geboden om zekerheid vooraf te krijgen omtrent de vraag of de voorgenomen vervreemding van de aandelen leidt tot het van toepassing zijn van de antimisbruik bepaling. De inspecteur beslist omtrent deze vraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.” [24]
BNB2000/111 (zie 7.13 hieronder) en op de bewijslastverdeling: [26]
Leur-Bloemeenzijdig op de belastingplichtige wordt gelegd. Die MvA gaat ook opnieuw in op de term ‘zakelijke overwegingen’: [27]
3.1.3. Fiscale begeleiding fusie en splitsing
8.Rechtspraak
Hof van Justitie van de EU
Foggia [29] en de belanghebbende beroept zich onder meer op de HvJ-arresten
Leur-Bloem [30] en
Modehuis Zwijnenburg. [31] In de conclusie van 3 november 2021 [32] voor HR
BNB2022/38 [33] over de splitsingsvrijstelling in een overdrachts-belastingzaak heb ik over die drie arresten het volgende opgemerkt:
Zwijnenburgwas in geschil of de bedrijfsfusiefaciliteit voor de
vennootschaps-belastingin de EU-Fusierichtlijn kan worden geweigerd als het of een hoofddoel van de fusie is ontwijking van
overdrachtsbelasting. U stelde prejudicieel aan het HvJ de vraag of ook het ontgaan van overdrachtsbelasting kan worden begrepen onder ‘belastingfraude of ontwijking’ in de EU-Fusierichtlijn, die in beginsel alleen over de vennootschapsbelasting gaat. Het HvJ oordeelde dat de overdrachtsbelasting niet binnen de werkingssfeer van de Fusierichtlijn valt en dat de vennootschapsbelastingfaciliteiten van de richtlijn dus niet kunnen worden geweigerd om de enkele reden dat de belastingplichtige met een bedrijfsfusie de heffing van
overdrachtsbelastingwil voorkomen.
Leur-Bloemwas de belanghebbende enig aandeelhouder/directeur van twee BVs. Zij wilde door een aandelenruil een holding-BV van een derde overnemen, waarna zij niet meer rechtstreeks, maar indirect enige aandeelhouder in de twee BVs zou zijn. De Nederlandse fiscus had de Fusierichtlijnvoordelen geweigerd omdat er – kort gezegd - economisch niets was veranderd. Het HvJ EG oordeelde onder meer dat fiscale redenen voor een aandelenruil geen zakelijke redenen zijn, maar ook dat de richtlijnvoordelen niet automatisch wegens voorondersteld misbruik geweigerd kunnen worden als voldaan is aan vooraf vastgestelde algemene criteria zoals het niet drijven van een materiële onderneming, maar in elk concreet geval de (zakelijkheid van de) rechtshandeling in haar geheel moet worden onderzocht:
Foggiabetrof een Portugese
holdingdie drie andere in Portugal gevestigde
holdingsvan dezelfde groep opslokte door fusie. Foggia wilde de niet-verrekende verliezen van de overgenomen
holdingsuit voorgaande jaren verrekenen met haar toekomstige winst. Ter zake van één van de opgeslokte
holdingswerd dit door de Portugese fiscus geweigerd omdat Foggia bij een fusie met deze vennootschap geen enkel niet-fiscaal belang had. Een vermindering van de administratieve concernkosten door de fusie kon volgens de Portugese fiscus niet als reëel zakelijk belang worden beschouwd. Net zoals in de zaak
Leur Bloemvielen binnenlandse en grensoverschrijdende fusies onder dezelfde richtlijnimplementatie-bepalingen, zodat het HvJ bevoegd was tot beantwoording van prejudiciële vragen van de nationale belastingrechter. Het HvJ oordeelde dat een herstructurering die administratieve lasten vermindert, ingegeven kan zijn door zakelijke overwegingen, maar dat dat niet geval is als de structurele kostenbesparing verwaarloosbaar is in vergelijking met het bedrag van het beoogde fiscale voordeel. Verder overwoog hij:
Euro Park Service, [34] eveneens over het misbruikvoorbehoud in de Fusierichtlijn. De zaak betrof een juridische (opslok)fusie van een Franse vennootschap in de Luxemburgse vennootschap Euro Park Service. Voor fiscale faciliëring was voorafgaande goedkeuring door de Franse fiscus vereist, die niet was gevraagd. Het HvJ achtte die goedkeuring-voorafprocedure, die enkel gold voor inbreng in
niet-ingezeten rechtspersonen, onverenigbaar met art. 11(1)(a) (thans art. 15(1)(a)) Fusierichtlijn. De Franse regeling werd door het HvJ als volgt omschreven:
code général des impôts; PJW] bepaalt:
buitenlandserechtspersonen voorafgaande goedkeuring door de Franse fiscus was vereist, die kennelijk achterover leunde tot de aanvrager aantoonde dat aan de voorwaarden van art. 210B(3) CGI was voldaan, waaronder de voorwaarden dat de operatie werd gerechtvaardigd door zakelijke overwegingen en dat geen sprake was van misbruik. Het HvJ veroordeelde deze regeling als onevenredig:
V-N2017/17.12 zag de volgende implicaties voor de Nederlandse regeling:
Onderscheid grensoverschrijdende en zuiver Franse (interne) fusies
A-Breuerei [35] aan ten betoge dat de Fusierichtlijn en het primaire Unierecht zich niet verzetten tegen een vermoeden van misbruik bij vervreemding van de bij splitsing verkregen aandelen binnen drie jaar na de splitsing. Dat arrest betrof een Duitse vrijstelling van overdrachtsbelasting die alleen gold voor overdachten van onroerende zaken binnen een concern tussen concernvennootschappen die voor 95% of meer verbonden waren mits die verbondenheid bovendien minstens vijf jaar vóór en vijf jaar ná die overdracht bestond resp. bleef bestaan. De
Bundesfinanzhofvroeg zich af of de beperking van die vrijstelling tot alleen dergelijke concernverhoudingen een selectieve bevoordeling (staatssteun) was ten opzichte van andere (concern)verhoudingen. Het HvJ meende van niet omdat de vrijstelling dubbele overdrachtsbelasting voorkwam die al geheven was bij binnenkomst in een dergelijk concern. Over de rechtvaardiging van de – selectief aandoende – beperking tot langdurig en vergaand geïntegreerde vennootschappen overwoog het HvJ als volgt:
Euro Park Servicein 8.2 hierboven) als het misbruikvoorbehoud in de MDR heeft geoordeeld dat het moet worden uitgelegd conform het algemene beginsel van EU-recht dat misbruik van recht verboden is. ’s Hofs rechtspraak inzake het misbruikvoorbehoud in art. 1(2) (thans 1(4)) MDR was aan de orde in HR
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster). [37] Die zaak betrof de heffing van dividendbelasting over een grote dividenduitkering door een Nederlandse passieve houdster aan haar 51%-tussenhoudster zonder personeel of kantoor die indirect gehouden werd door een in Zwitserland wonende natuurlijke persoon en die kort daarvoor van Nederland naar Luxemburg was verplaatst. De belanghebbende beriep zich op art. 5 MDR Pro (vrijstelling van dividendbelasting). De fiscus beriep zich op het misbruikvoorbehoud in art. 1(2) (thans 4) MDR. De conclusie van 5 juli 2018 voor dat arrest vermeldt over ’s Hofs rechtspraak over het misbruikvoorbehoud in art. 1(2) MDR het volgende:
overkillen omkering van de bewijslast) was Frankrijk dus buiten de reikwijdte van het soevereiniteitsvoorbehoud getreden:
Deister Holding AGen
Juhler Holding A/Sbetroffen de Duitse uitsluiting van de in art. 5 MDR Pro voorziene vrijstelling of teruggaaf van dividendbelasting wanneer achter de in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij aandeelhouders zaten die zelf geen recht op vrijstelling of teruggaaf zouden hebben als zij de Duitse dividenden rechtstreeks zouden ontvangen, en (i) er geen economische of andere relevante redenen zijn die tussenplaatsing van de EU-tussenhoudster rechtvaardigen, of (ii) de EU-tussenhoudster minder dan 10% van haar bruto-jaarinkomen uit eigen economische activiteit verwerft, of (iii) de EU-tussenhoudster niet aan het algemene economische verkeer deelneemt met een voor haar bedrijfsdoelstelling passend ingerichte bedrijfsvoering. Tegenbewijs van zakelijke overwegingen was niet mogelijk. Dat laatste bleek fataal voor deze regeling. Het Hof zag daarin een onweerlegbaar en dus onevenredig categorisch vermoeden van fraude of misbruik waaraan art. 1(2) MDR in de weg staat:
T Danmark en Y Denmark Aps [38] over – volgens de Deense fiscus – ontwijking van Deense bronheffing op uitgaand dividend door tussenschuiving van EU-
conduitsdie uiteindelijk gerechtigden (buiten de EU) verhulden die geen recht hadden op de vrijstelling van dividendbelasting in art. 5 MDR Pro. Het probleem was dat de Deense wetgever verzuimd had het misbruikvoorbehoud in art. 1(2) MDR om te zetten in nationaal recht, terwijl richtlijnen niet rechtstreeks ten nadele van burgers en bedrijven kunnen werken, waardoor de vraag rees of Denemarken het
conduit-misbruik wel kon bestrijden. De Grote Kamer van het HvJ oordeelde dat het een (rechtstreeks werkend) algemeen beginsel van EU-recht is (dat dus geen omzetting behoeft) dat misbruik van EU-recht verboden is en door de lidstaten niet alleen
mag, maar zelfs
moetworden bestreden. Bovendien ging zij in op de bewijslastverdeling bij gesteld misbruik:
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster; zie 8.4 hierboven) was het in 8.5 geciteerde arrest
T Danmarkinmiddels gewezen door het HvJ. U ging in uw uitspraak in op (i) de verplichte richtlijnconforme en EU-misbruikconcept-conforme uitleg van nationale antimisbruikbepalingen die secundair EU-recht uitvoeren en (ii) de daarbij passende bewijslastverdeling tussen de fiscus en de belastingplichtige:
Bulkgasarrest HR 2006/282 [39] betrof een door de Europese Commissie als voorwaarde voor fusie met een ander concern gestelde afstoting van een deel van de onderneming van de belanghebbende. Die afstoting kreeg niet de vorm van een activa/passiva-transactie, maar van een afsplitsing gevolgd door verkoop van de aandelen in de ontstane verkrijgende vennootschap. De Inspecteur weigerde de splitsingsfaciliteit omdat vóór de afsplitsing al vast stond dat de bij afsplitsing verkregen aandelen aan een derde verkocht zouden worden en bovendien door die verkoop
cashwerd verkregen waarmee de fiscale
claimop de indirect vervreemde stille reserves en
goodwillkon worden betaald. De Inspecteur zag een als afsplitsing ingeklede verkoop van een onderneming en daarmee oneigenlijk uitstel van belastingheffing door oneigenlijke doorschuiving van boekwaarden en fiscale claims naar de verkrijgende vennootschap. Hij achtte art. 14a, (thans) lid 6, Wet Vpb van toepassing. Het Hof had de belanghebbende echter geslaagd geacht in het vereiste tegenbewijs van zakelijke overwegingen voor de afsplitsing. U overwoog als volgt op het cassatieberoep van de Staatssecretaris:
BNB2009/28 [40] volgt dat de bedoelingen van de betrokkenen moeten worden beoordeeld op het moment van totstandkomen van de overeenkomst tot splitsing en dat een voornemen tot verkoop van aandelen op dat moment op zichzelf geen misbruikvermoeden rechtvaardigt:
BNB 2012/261 [41] betrof een voorgenomen splitsing van een vennootschap in twee vennootschappen waarbij de ene het vastgoed zou verkrijgen en de andere enkel liquiditeiten. De Inspecteur weigerde een faciliteit-goedkeurende beschikking te geven omdat het volgens hem om een verkapte uitkoop van een aandeelhouder ging. Die weigering hield stand bij het Hof. U bevestigde dat de Nederlandse splitsingsfaciliteit richtlijnconform moet worden toegepast en dat misbruik ook oneigenlijk uitstel omvat:
seconderscheiden moet worden van
oneigenlijkuitstel, i.e. uitstel dat strijd met doel en strekking van de Richtlijn en daarmee van de wet oplevert, in casu uitstel hoewel het feitelijk om uitkoop van een aandeelhouder gaat en de liquiditeiten voor belastingbetaling over de gerealiseerde meerwaarde beschikbaar komen; in andere gevallen uitstel hoewel het feitelijk om een dividenduitkering of een verkoop van een (deel van een) onderneming gaat waarbij de liquiditeiten voor belastingbetaling over de gerealiseerde meerwaarden beschikbaar komen. De laatste volzin van r.o. 3.3.2 suggereert dat als het misbruik in de inkomstenbelasting zit, (ook) de faciliteit voor de vennootschapsbelasting kan worden geweigerd (ook als zich ter zake van die belasting geen misbruik voordoet) en andersom.
BNB2019/175 (
Tankstations) [42] , betrof de gevolgen voor de overdrachtsbelasting van een afsplitsing gevolgd door de – reeds vóór de afsplitsing overeengekomen – verkoop van de verkregen aandelen aan een derde, vertegenwoordigende circa 100 tankstations. Het Hof had geoordeeld dat de belastingplichtige het door de aandelenverkoop geactiveerde misbruikvermoeden had ontzenuwd door tegenbewijs van zakelijke overwegingen te leveren in de vorm van een verklaring van de CEO van de afsplitsende vennootschap dat fiscale overwegingen geen rol hadden gespeeld, maar alleen bedrijfseconomische en strategische. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in omdat hij die uitkomst in strijd achtte met doel en strekking van de splitsingsvrijstelling omdat ook aan de keuze voor afsplitsing in plaats van voor een activa/passiva-transactie zakelijke overwegingen ten grondslag moeten liggen. U wees dat beroep af, bevestigende dat (i) de splitsingsfaciliteit in de overdrachtsbelasting moet worden toegepast conform de splitsingsfaciliteit in de vennootschapsbelasting en daarmee Fusierichtlijnconform en (ii) de uitkomst van het boven (8.7) geciteerde
Bulkgas-arrest niet bepaald werd door de specifieke mededingings-rechtelijke omstandigheden van dat geval, maar algemenere betekenis heeft:
Tankstations-zaak was minder overtuigd van de juistheid van ’s Hofs arrest, onder meer omdat
elkeverkoop aan een derde per definitie zakelijk is, waardoor de zakelijkheidtoets betekenisloos wordt als hij slechts betrokken wordt op de redenen voor afstoting en niet ook, los daarvan, op de keuze voor afsplitsing in plaats van rechtstreekse verkoop van het bedrijf(sonderdeel) (ik laat voetnoten weg):
8. Beoordeling van het middel
überhauptvan de toepassing van de antimisbruikbepalingen in de vennootschapsbelasting en de overdrachtsbelasting, gezien de zeer van elkaar verschillende belastbare feiten van die beide belastingen en de daardoor verschillende ontwijkings-mogelijkheden (zie 4.9 e.v. hierboven). Het synchronisatie-idee is aardig, maar de praktijk en het recht lijkt mij andere eisen te stellen.
A-Brauerei, als volgt overwoog over de Duitse vijf-jaar-aandelen-vasthouden-voorwaarde voor vrijstelling van overdrachtsbelasting bij intra-concern omzettingen van vennootschappen met onroerende zaken:
überhauptgeen overweging was bij de (vormgeving van de) transactie.
binneneen concern wilde faciliteren en niet de verkoop van ondernemingen of delen daarvan aan derden, hoe rationeel en bedrijfseconomisch verantwoord wellicht ook, en (iii) de citaten in 5.3 en 5.4 waarin de medewetgever desgevraagd tweemaal expliciet verklaart dat de splitsingsfaciliteit – in de vennootschapsbelasting –
nietbedoeld is voor een geval van opsplitsing in vier divisies waarna volgens een voorafgaand plan één divisie wordt verkocht aan derden en
altijdcommerciële redenen bestaan en dat afsplitsing van een groot aantal tankstations en een centrale tankstationsorganisatie naar één aparte rechtspersoon gevolgd door aandelenverkoop
altijdmakkelijker is dan een groot aantal activa- en passivatransacties en contractovernemingen; als dat voldoende zou zijn, zouden de tweede en derde volzin van art. 5c van het Besluit zinloos zijn of alleen zien op nauwelijks verzinbare bijzondere gevallen, en
nietdaaraan voorafgaand al van plan was geweest om die onderneming te verkopen aan een derde, maar van plan was geweest om die na herstructurering of rationalisering binnen het [B]-concern voort te zetten. Om te ontsnappen aan het bewijsvermoeden, moet de wens tot verkoop van de aandelen in de afgesplitste rechtspersoon (tot indirecte verkoop van de onderneming) mijns inziens zijn ontstaan los van die afsplitsing en dus in beginsel pas ná die afsplitsing, die om andere redenen dan de wens om een onderneming te verkopen zakelijk moet zijn geweest, waarna gewijzigde niet-fiscale omstandigheden nader de wens tot verkoop deden ontstaan, bijvoorbeeld na twee jaar een onverwacht en aantrekkelijk bod op de aandelen door een derde. Dat heeft het Hof niet onderzocht.
voor de vennootschapsbelasting‘denkbaar’ achtte dat ook een verkoop van juridisch afgesplitste activiteiten aan een derde via aandelenoverdracht voldoende zakelijk kan zijn
naastaandeelhoudersmotieven voor een dergelijke afsplitsing en overdracht, nl. bij ‘afslankingsoperaties’ en ruziesplitsingen (zie het citaat in 5.3, waarin de medewetgever overigens niet ingaat op de door de Tweede Kamer gesuggereerde ‘afslankingsoperaties’, maar alleen op ruziesplitsingen), zij het dat de motieven in dergelijke gevallen volgens hem ‘kritisch’ moeten worden bezien, en (ii) ook het
voor de vennootschapsbelastinggewezen
Bulkgasarrestsuggereert dat als er urgerende niet-fiscale redenen zijn voor afstoting van een deel van de onderneming aan een derde en een andere vorm dan afsplitsing gevolgd door aandelenverkoop onpraktisch is, voldoende tegenbewijs is geleverd, dus dat het in bepaalde bijzondere gevallen niet om een
internereorganisatie hoeft te gaan, maar ook vrijgesteld kan zijn een indirecte bedrijfsverkoop aan een derde die al vaststond vóór afsplitsing van het bedrijf naar een separate rechtspersoon juist met het oog op die verkoop aan een derde.
Bulkgasarrest– althans voor de overdrachtsbelasting – mogelijk onjuist is geweest: dat de Europese Commissie voor de door het concern gewenste overname van een concurrent als voorwaarde stelde dat bulkgasactiviteiten zouden worden afgestoten, is mijns inziens geen grond om de aan die afstoting vast zittende vervreemding van onroerende zaken vrij te stellen van overdrachtsbelasting, tenzij het concern in verband met zijn continuïteit geen reële andere keuze had, ook niet bij de vorm (afsplitsing en aandelenverkoop) van de afstoting.”
BNB2019/175 onder meer:
Bulkgasen HR BNB 2009/28; PJW] – dat wil zeggen een concreet vervreemdingsvoornemen ten tijde van de juridische (af)splitsing dan wel een voorafgaande aan die rechtshandeling al overeengekomen vervreemding staat niet noodzakelijkerwijs aan fiscale doorschuiving in de weg – algemene gelding hebben. Dit rechtscollege wijst het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën in zijn cassatieberoepschrift (onder het kopje Bulkgasarrest) dat het commerciële hoofdmotief in dat arrest niet een verkoop maar een overname casu quo fusie was en die zaak aldus op een cruciaal punt afwijkt van de onderhavige casus, immers uitdrukkelijk af.”
BNB2021/35 (
Ruziesplitsing) betrof de heffing van overdrachtsbelasting bij een ruziesplitsing van een niet-actieve rechtspersoon (G) waarin zowel broer als zus zowel aandeelhouder als bestuurder waren in twee nieuwe rechtspersonen, waaronder de belanghebbende. De fiscus weigerde de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting (maar opmerkelijkerwijs niet voor de vennootschapsbelasting) omdat het om een niet-actieve rechtspersoon ging en om aandeelhoudersmotieven. Het Hof gaf hem gelijk. U casseerde, omdat de Fusierichtlijn niet toestaat om actieve werkzaamheden te eisen, daarbij herhalende dat de splitsingsfaciliteit in de overdrachtsbelasting moet worden toegepast conform die faciliteit in de vennootschapsbelasting en daarmee conform de EU-Fusierichtlijn:
BNB2022/38
(Vastgoedportefeuille). [46] De belastingplichtige wilde de vastgoedportefeuille van een stichting overnemen. De stichting richtte daartoe een BV op waarin het vastgoed werd ingebracht. Dat vastgoed werd vervolgens tegen uitreiking van aandelen aan de Stichting afgesplitst naar de belastingplichtige. Het Hof achtte andere overwegende motieven dan fiscale niet aannemelijk. U verwierp het cassatieberoep:
Mauritius- en
Hunkemöller-arresten (zie 5.10 en 5.11 hierboven) en het (nationale)
Zwijnenburg-arrest HR
BNB2008/245 (zie 5.12 hierboven). Hoe zakelijk ook het einddoel, ook de gekozen (om)weg ernaartoe moet overwegend door zakelijke overwegingen zijn ingegeven. Ook uit de parlementaire geschiedenis (zie 4.6 en 4.7 hierboven) blijkt met zoveel woorden dat moet worden onderzocht of (
curs. PJW) de “splitsing of fusie als geheel,
ende manier waarop deze is vormgegeven” overwegend door zakelijke overwegingen zijn ingegeven.
BNB2021/35 in 5.15 hierboven), is de hoofdregel ook in de overdrachtsbelasting dat bij een splitsing in de zin van de Richtlijn de vrijstelling in beginsel van toepassing is en dat dit alleen anders is (aldus het HvJ in de zaak
Foggia; zie 5.7 hierboven) als de splitsing als hoofddoel of een der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft. Een splitsing wordt geacht als (een van de) hoofddoel(en) belastingfraude of belastingontwijking te hebben (Nederlandse implementatie: in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing) als zij niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de rechtshandeling betrokken vennootschappen (Nederlandse implementatie: als niet wordt gesplitst om zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen of de aandelen in de gesplitste of de verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd).
Kofoedin 5.8 hierboven) dat voor de vraag of een splitsing als (een der) hoofddoel(en) belastingontwijking heeft, moet worden aangesloten bij het algemene EU-rechtelijke verbod op misbruik, dat, zoals eveneens boven (5.1) bleek, twee criteria omvat: (i) het moet de overwegende bedoeling van de partijen zijn om een belastingvoordeel te verkrijgen (subjectief criterium; belastingvermijdingsoogmerk) en (ii) in weerwil van de formele vervulling van de voor dat voordeel geldende wettelijke voorwaarden, wordt het door de wet beoogde doel niet bereikt (objectief criterium: strijd met doel en strekking van de wet).
Foggiavolgt dat een splitsing waaraan diverse doelstellingen, waaronder ook fiscale, ten grondslag liggen, (toch) zakelijk kan zijn als de fiscale overwegingen in het kader van de voorgenomen transactie bijkomend, althans niet doorslaggevend zijn. De belanghebbende stelt als (enige) niet-fiscale reden voor de gekozen route het omzeilen van haar preferentielijst, die zittende aandeelhouders voorrang geeft bij de uitgifte van aandelen, maar niet bij overgang van vastgoed onder algemene titel tegen uitreiking van aandelen, zoals bij fusie of splitsing.
i.e.een onzakelijk doel in de zin van de Richtlijn (zie de zaak
Leur-Bloemin 5.6 hierboven), waarmee aan het subjectieve criterium van het algemene EU-rechtelijke misbruikbegrip én aan het specifieke onzakelijkheidscriterium in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn is voldaan.
niet‘binnen het concern’ voltrok, maar het vastgoed juist naar een derde verplaatste. Belast blijkt een operatie die gezien kan worden als vervreemding van het vastgoed door de Stichting aan de belanghebbende (in termen van de wetsgeschiedenis: een ‘verkoop die wordt ingekleed’ als een afsplitsing, zij het niet tegen
cashmaar tegen natura).
cash) verschuldigd zou zijn), is daarmee in casu dus min of meer automatisch ook voldaan aan het objectieve criterium: doel en strekking van de splitsingsvrijstelling zijn om splitsingen vrij te stellen tenzij de splitsing is ingegeven door de wens overdrachtsbelasting te vermijden. Daarmee is ook voldaan aan het objectieve criterium.”
9.Recente literatuur
10.4.3. De kern van de antimisbruikbepalingen
misbruikvermoedenop
onzakelijkheidsvermoeden.
10.4.7.2. De verhouding tot de Fusierichtlijn
subjectievebedoelingen die de belastingplichtige met de splitsing heeft met behulp van een
objectieveen
controleerbaregebeurtenis na de splitsing achterhaald. [54] Het gevaar van het werken met een veronderstelling is dat het verband in werkelijkheid afwezig kan zijn. Daarom heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Het gaat immers in alle gevallen uiteindelijk om de beoordeling of de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (hoofdtoets). Dat impliceert een motieftoets. [55]
Bulkgasarrest.
Bulkgasarresten in
HR BNB 2019/175[Tankstations; zie 8.10 hierboven; PJW] werd de splitsing fiscaal gefaciliteerd, ondanks een vóór de splitsing
overeengekomenvervreemding van aandelen in de zin van (…) het (huidige) onzakelijkheidsvermoeden. Daarvoor lijkt doorslaggevend te zijn dat de rechtsfiguur van de splitsing is ingezet om het mogelijk (of eenvoudiger) te maken een overkoepelende zakelijke doelstelling te realiseren. In het
Bulkgasarrestwas die zakelijke doelstelling het afstoten van bepaalde vermogensbestanddelen, waaronder veel contracten, om vervolgens een overname mogelijk te maken. In
HR BNB 2019/175was de zakelijke doelstelling het afstoten van een bedrijfsonderdeel om zich te kunnen richten of terugtrekken op kernactiviteiten. De splitsing en de opvolgende aandelenoverdracht vormden in beide arresten een (efficiënt) alternatief voor een rechtstreekse overdracht van het (ondernemings)vermogen in de vorm van (omvangrijke) activa/passiva-transacties en daarmee samenhangende (her)onderhandelingen van contracten.
Boomsluiterschrijft dat in de vergelijking met de activa/ passiva-transactie de kern van het
Bulkgasarrestis terug te vinden. Zij acht het daarom opvallend dat de rechtbank juist dit argument irrelevant oordeelt. [57] Wellicht heeft de rechtbank slechts tot uitdrukking willen brengen dat BV X aannemelijk heeft gemaakt dat het afstoten van de verzekeringsonderneming (nood)zakelijk was en dat de wijze waarop dat gebeurt daar in dit geval op meelift. De reden dat ik ‘in dit geval’ schrijf, heeft te maken met HR BNB 2008/245. Uit dat arrest blijkt namelijk dat de aanwezigheid van een overkoepelende zakelijke doelstelling (in die zaak het samenbrengen van panden in één onderneming) volgens de Hoge Raad niet uitsluit dat voor het realiseren van dat zakelijke doel wordt gekozen voor een omweg (in die zaak een bedrijfsfusie) die niet door zakelijke overwegingen is ingegeven. [58] De afsplitsing in NLF 2021/0004 lijkt mij geen omweg, maar een noodzakelijke stap om de verkoop aan de betreffende koper mogelijk te maken. Toch had de rechtbank dit aspect mijns inziens moeten meenemen in de beslissing.
daaromin overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. In iedere casus is het cruciaal te achterhalen
waaromvoor de splitsing is gekozen.
Euro Park Service, waarin het Hof van Justitie oordeelde dat de lidstaten slechts een vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking mogen hanteren wanneer de voorgenomen transactie er uitsluitend toe strekt een belastingvoordeel te behalen en dus niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. [71] Een vervreemding van aandelen als bedoeld in het onzakelijkheidsvermoeden hoeft niet te betekenen dat de splitsing tot stand is gebracht om een belastingvoordeel te behalen. [72] Wat naar mijn mening in het onzakelijkheidsvermoeden ten onrechte ontbreekt, is een door de inspecteur aannemelijk te maken
verbandtussen de vervreemding en de splitsing.
BNB2019/175 (
Tankstations):
3.3 De weg vervolgd
in verband met commerciële ondernemingsbeslissingen. Het hof doelt daarmee op de afslanking tot de kernactiviteiten. Op grond hiervan oordeelt het hof
dat de splitsing berust op zakelijke overwegingenen dat daarmee recht op de vrijstelling van overdrachtsbelasting bestaat. De Hoge Raad concludeert dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
BNB2019/175, heeft dit argument kennelijk wel een bepaalde indruk van urgentie achtergelaten, welke een eigen leven is gaan leiden in de daarna volgende jurisprudentie.
dat de splitsing van de onderneming en de daaropvolgende verkoop aan de derdehadden plaatsgevonden
op grond van zakelijke overwegingen.
BNB2019/75 in – maar daaraan komt de rechtbank in het geheel niet toe. De rechtbank gaat zelfs zo ver te stellen, onder verwijzing naar
BNB2019/175, dat de reden om te kiezen voor een afsplitsing in plaats van een activa-passivatransactie ‘
geen onderdeel uitmaakt van de aan te leggen toetsingsmaatstaf. [78]
BNB2019/175 werden door belastingplichtige enige praktische, minder zwaarwegende, civielrechtelijke nadelen van een rechtstreekse verkoop genoemd, ten faveure van de afsplitsing. Hof en Hoge Raad benoemen deze nadelen niet expliciet, maar wijzen ze ook niet af. Rechtbank Gelderland veegt in haar uitspraak van 2 november 2020 echter deze weging, welke nota bene de kern vormt van art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969, in het geheel van tafel door te oordelen dat die weging geen onderdeel zou uitmaken van de aan te leggen toetsing. [79]
5.Conclusie
niet per definitieals misbruik in de zin van art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969 wordt aangemerkt. De conclusie in deze zaak is in lijn met de tekst van de antimisbruikbepaling en in die zin dan ook niet verbazingwekkend. Het gaat immers om de achterliggende overwegingen om te kiezen voor de afsplitsing. Indien niet-fiscale overwegingen kunnen worden aangewezen, die zwaarder wegen dan het fiscale voordeel van toepassing van de faciliteit, is geen sprake van misbruik. In het Bulkgas-arrest deed zich zo’n bijzondere situatie voor. De uitkomst van dit arrest kan echter niet zomaar worden doorgetrokken naar andere situaties. Voorzichtigheid en een strikte interpretatie zijn geboden.
BNB2019/175 en Rechtbank Gelderland in
NLF2021/0004 richten zich op de redenen voor de verkoop van de ondernemingstak in plaats van op de overwegingen voor de afsplitsing. Indien commerciële redenen voor de verkoop kunnen worden aangewezen, zijn daarmee volgens deze jurisprudentie de zakelijke overwegingen voor de splitsing gegeven. Aangezien aan de verkoop van een ondernemingstak aan een derde altijd commerciële redenen ten grondslag zullen liggen, leidt dit ertoe dat de bedoelde opzet
per definitie nietals misbruik in de zin van art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969 zal worden aangemerkt. Dat kan niet de bedoeling zijn, zo volgt ook de jurisprudentie van het HvJ.
met als hoofddoel gebruikmaking van de splitsingsfaciliteit, als misbruik dient te worden aangemerkt (ongeacht de reden voor de verkoop van de ondernemingstak).
BNB2019/175 (
Tankstations) wél dat volgens u ‘s Hofs feitelijke oordelen inhielden dat niet alleen het einddoel (strategische afslanking en concentratie op kernactiviteiten), maar óók de gekozen weg (afsplitsing en aandelenverkoop) in dat geval zakelijk was.
Euro Park Service(zie 8.2 hierboven) ‘zeker niet uit’ dat de laatste volzin van art. 14a(6) Wet Vpb (aandelenverkoop keert de misbruikbewijslast om) onverenigbaar is met de Fusierichtlijn:
Euro Park Service-arrest is een andere vraag in hoeverre het bewijsvermoeden EU-proof is. (…). Omkering van de bewijslast vindt plaats, indien de fusie of splitsing niet in overwegende mate plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Pas op dat moment komt de bal bij belastingplichtige te liggen. Het komt ons voor dat de bewijslastverdeling onder de Nederlandse faciliteiten Unierechtelijk door de beugel zou moeten kunnen. Wel past hier een nuance. Het is namelijk zo dat bij een vervreemding van aandelen in een van de betrokken rechtspersonen binnen drie jaar na een gefaciliteerde bedrijfsfusie of splitsing zakelijke overwegingen niet aanwezig worden geacht, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Anders gezegd, een vervreemding binnen drie jaar ‘triggert’ automatisch omkering van de bewijslast. De vraag is dan of hiermee feitelijk een algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking wordt gecreëerd. Het antwoord op deze vraag laat zich niet uit het onderhavige arrest afleiden. Nu de Fusierichtlijn 2009 zelf deze driejaarstermijn ook niet kent, sluiten wij in het licht van het
Euro Park Service-arrest zeker niet uit dat het HvJ EU desgevraagd de Nederlandse regeling op dit punt niet in overeenstemming zal achten met de Fusierichtlijn 2009.”
5 Europeesrechtelijk kader
vermoedenvan belastingfraude of -ontwijking mogen hanteren wanneer de … transactie er uitsluitend toe strekt een belastingvoordeel te behalen en
dusniet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen”. [83] Hiermee omschrijft het Hof zakelijke overwegingen als “andere dan fiscale overwegingen”, hetgeen betekent dat onder zakelijke overwegingen naast bedrijfseconomische motieven ook aandeelhoudersmotieven worden verstaan. Uitsluitend indien de fusie of splitsing is ingegeven door fiscale motieven treedt het bewijsvermoeden in werking. De belastingplichtige kan dan tegenbewijs leveren door aannemelijk te maken dat sprake is van andere fiscale overwegingen dan belastingfraude of -ontwijking. Dit onderscheid tussen belastingfraude en -ontwijking enerzijds en andere fiscale overwegingen anderzijds kan ook worden teruggevonden in het arrest-Eqiom. Hierin verwijst het Hof bij de omschrijving van misbruik in het kader van de Moeder-dochterrichtlijn naar het doel om
ten onrechteeen belastingvoordeel te verkrijgen. [84]
10.Beoordeling van de middelen en van ambtswege
Euro Park Service(r.o. 53; zie 8.2 hierboven) volgt dat ook aandeelhoudersmotieven zakelijk kunnen zijn, mits niet overwegend antifiscaal. Dat wordt overigens ook erkend in de boven (7.8) geciteerde wetsgeschiedenis en ook in uw rechtspraak, zoals in het boven (8.13) geciteerde Ruziesplitsingsarrest.
wegnaar dat zakelijk einddoel – afsplitsing in plaats van een activa/passiva-transactie – overwegend werd bepaald door (anti)fiscale overwegingen.
BNB2022/38 (Vastgoedportefeuille; zie 8.14 hierboven) heeft het Hof immers terecht aangenomen dat (ook) de juridische weg naar het einddoel zakelijk ingegeven moet zijn. Hij heeft de belanghebbende belast met het bewijs daarvan omdat de laatste volzin van art. 14a(6) Wet Vpb meebrengt dat de verkoop van het bij de afsplitsing verkregen aandeel in casu bewijslastomkering meebrengt: doordat de belanghebbende dat aandeel heeft verkocht, krijgt zij de last opgelegd om te bewijzen dat de splitsing overwegend werd ingegeven door andere dan fiscale motieven. Die verkoop veroorzaakt immers dat de afsplitsing geacht wordt onzakelijk te zijn, waardoor de hoofdregel wordt uitgeschakeld dat de Inspecteur antifiscale motieven aannemelijk moet maken. De Inspecteur kan bij verkoop binnen drie jaar achterover leunen omdat de wet in dat geval onzakelijkheid vooronderstelt. Die vooronderstelde onzakelijkheid heeft op haar beurt tot gevolg dat de belanghebbende niet-fiscale motieven moet bewijzen. Verkoop binnen drie jaar legt dus effectief de bewijslast van
ontbrekenvan overwegend fiscale motieven op de belanghebbende.
in abstractoniet strookt met EU-recht omdat de enkele verkoop van een bij splitsing verkregen aandeel binnen drie jaar geen omkering van de bewijslast rechtvaardigt, net zomin als in de zaak
Eqiom(zie 8.4 hierboven, met name r.o. 36 en 37) het enkele feit van achterliggende niet-EU-aandeelhouders misbruik van de EU-Moeder/dochter-richtlijn kon doen vermoeden. Dat achter de moedervennootschap niet-EU-aandeelhouders zaten, achtte het HvJ in
Eqiomzelfs geen begin van bewijs van belastingontwijking: een op dat enkele feit gebaseerd vermoeden van misbruik werd als te algemeen (te onbepaald) aangemerkt. Volgens het HvJ bleek uit geen enkele bepaling van de MDR dat de herkomst van de aandeelhouders in de betrokken EU-vennootschappen van enig belang is voor het recht van deze vennootschappen op de richtlijnvoordelen (zie r.o. 37 van
Eqiomin onderdeel 8.4 hierboven). Dat
Eqiomen
Enkain de gelegenheid werden gesteld om dat onbepaalde vermoeden van misbruik te ontzenuwen, deed er niet aan af dat deze wijze van implementeren van het misbruikvoorbehoud in de MDR te ver ging in het beperken van de rechten die die Richtlijn toekent aan kwalificerende vennootschappen.
shoppingwas in
Eqiom. Ook voor de Fusierichtlijn geldt dat uit geen enkele bepaling volgt dat het feit dat – of de termijn waarbinnen – bij een splitsing verkregen aandelen worden vervreemd, van belang is voor het recht van de afsplitsende vennootschap op de voordelen van de Fusierichtlijn. Ook uit uw rechtspraak, met name uit HR
BNB2009/28 (zie 8.8 hierboven),
Bulkgas(zie 8.7 hierboven) en
Tankstations(zie 8.10 hierboven), volgt dat zelfs als vóór de splitsing al vast staat dat de bij splitsing te verkrijgen aandelen vervreemd zullen worden aan een derde, zulks nog geen misbruik impliceert. En ook ter zake van de Nederlandse misbruikvooronderstelling bij verkoop van bij splitsing verkregen aandelen binnen drie jaar moet mijns inziens worden aangenomen dat zij “niet tot specifiek doel heeft, volstrekt kunstmatige constructies waarmee wordt beoogd ten onrechte dat voordeel te verkrijgen, uit te sluiten van een belastingvoordeel, maar in het algemeen ziet op elke situatie waarin een [bij splitsing verkregen aandeel] om welke reden ook [wordt vervreemd]” (zie r.o. 33 van Eqiom in onderdeel 8.4 hierboven).
overkill). De vraag is vervolgens of ook in concreto belanghebbendes rechten te ver zijn beperkt, met name haar initiële bewijspositie. De vraag is dus of het Hof het Nederlandse misbruikvoorbehoud in concreto wel richtlijnconform heeft toegepast. Uit HR
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster; zie 8.4 en 8.6 hierboven) volgt immers dat Nederlandse antimisbruikbepalingen die de implementatie van EU-richtlijnbepalingen zijn, richtlijnconform moeten worden uitgelegd en toegepast en dat als de feitenrechter dat doet – dat wil zeggen de initiële bewijslast ter zake van concrete aanwijzingen van misbruik voldoende op de Inspecteur legt – het EU-recht niet wordt miskend.
goodwillonpraktisch zou zijn, en (ii) dat de voordelen van het vermijden van die complicaties niet ‘volstrekt marginaal’ zouden zijn vergeleken bij het fiscale voordeel van uitstel van heffing door doorschuiving van de fiscale boekwaarden bij afsplitsing. Die bewijslastverdeling lijkt mij niet in overeenstemming met de bewijslastverdeling die uit de boven weergegeven rechtspraak van het HvJ volgt, met name niet met de arresten
Eqiomen
Euro Park Service: het staat initieel aan de fiscus om concrete aanwijzingen van antifiscale overwegingen, ook voor de gekozen weg, te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. Daarna kan de tegenbewijslast pas naar de belanghebbende.
goodwill-afschrijvingsverrekening. Bij een EU-rechtelijk correcte bewijslastverdeling lag het mijns inziens echter – andersom - op de weg van de Inspecteur om diens abstracte en algemene stelling aannemelijk te maken dat de 280 contracten bepalingen zouden bevatten die contractoverneming wél administratief eenvoudig zouden maken en niet tot heronderhandeling zouden kunnen leiden. Ook zou het mijns inziens op de Inspecteur hebben moeten liggen om belanghebbendes met SPA-verwijzingen onderbouwde stelling te ontzenuwen dat het
goodwill-afschrijvingsverrekeningsbeding een praktisch bezwaar van betekenis tegen een activa/passiva-transactie was. ’s Hofs kennelijk uitsluitend op bewijslasttoedeling aan de belanghebbende gebaseerde oordeel dat de nadelen van die praktische bezwaren ‘volstrekt marginaal’ zouden zijn vergeleken bij het fiscale voordeel van claimdoorschuiving, acht ik daarmee (ook) onvoldoende gemotiveerd, mede gegeven dat de koper bij de prijs(na)bepaling kennelijk rekening heeft gehouden met de fiscale claim op de
goodwillen de stille reserves die meeverhuisde met het verkochte aandeel. Het Hof had de belanghebbende mijns inziens niet volledig mogen belasten met het negatieve bewijs dat die nadelen
nietvolstrekt marginaal waren, c.q. had beter moeten motiveren waarom hij de belanghebbende in dat bewijs niet geslaagd achtte.
goodwillin tien jaar wordt afgeschreven en dat de partijen bij een activa-passivatransactie nog jarenlang aan elkaar vast zouden zitten door hun afspraak over verrekening van de vpb-besparing bij de koper door diens afschrijving op de verkregen
goodwillals de afsplitsing niet zou worden vrijgesteld. Zonder motivering, die ontbreekt, is dan mijns inziens niet begrijpelijk ’s Hofs blote oordeel dat een activa/passiva-transactie commercieel het meest voor de hand zou hebben gelegen c.q. zijn oordeel dat de voordelen van afsplitsing ‘volstrekt marginaal’ zouden zijn in verhouding tot het fiscale voordeel van niet meteen hoeven afrekenen over
goodwillen stille reserves maar doorschuiven van de behouden blijvende fiscale claim.
goodwill-afschrijvingsverrekeningsperikelen en (iii) een afsplitsing gevolgd door aandeelverkoop, net als in
Bulkgas(zie 8.7) en
Tankstations(zie 8.10).