Conclusie
1.Overzicht
cash(een derde van de waarde). Die route is echter uiteindelijk niet gevolgd. De overeenkomst vermeldt dat de structurering van de transactie mede afhangt van de mogelijkheden om de overdrachtsbelasting te minimaliseren. In verband met de onvermijdbaarheid van overdrachtsbelasting als deels
cashzou worden betaald, is uiteindelijk afgezien van
cashen is het vastgoed alleen tegen aandelen geruild (door afsplitsing vanuit een door de Stichting daartoe opgerichte BV; zie hieronder).
cash), nl. de wens om de preferentielijst te omzeilen, wordt niet gesteund door enige documentatie, terwijl daartegenover ampel documentatie bestaat waaruit volgt dat de vormgeving zodanig moest zijn dat de overdrachtsbelasting zou worden geminimaliseerd.
drie cassatiemiddelenvoor:
(iii)verwijt het Hof motiveringsverzuim bij zijn oordeel dat de gekozen weg slechts fiscaal is gemotiveerd en niet (mede) om de voorkeursrechten van belanghebbendes zittende aandeelhouders te vermijden. Het Hof heeft onvoldoende acht geslagen op een brief aan de Inspecteur die wijst op preferentieproblemen bij koop van aandelen in de belanghebbende.
verweerbetoogt de Staatssecretaris ad de middelen (i) en (ii) dat uit de parlementaire geschiedenis en uit uw rechtspraak volgt dat ‘s Hofs rechtsoordelen juist zijn. Zijn oordeel is voor het overige gebaseerd op een aan hem voorbehouden waardering van bewijsmiddelen, die de Staatssecretaris geenszins onbegrijpelijk acht. De belanghebbende ziet volgens hem ten onrechte een tegenstelling tussen ‘s Hofs toets (toetsing van het einddoel en van de route er naartoe) en uw toets (alle omstandigheden). Volgens hem heeft het Hof alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, zodat beide middelen mede op verkeerde lezing van de Hofuitspraak berusten en in zoverre feitelijke grondslag missen. Ad middel (iii) betoogt hij dat de brief waarop de belanghebbende wijst de preferentielijst slechts noemt in het kader van een vergelijking tussen (i) juridische afsplitsing tegen aandelen en (ii)
verkoopvan het vastgoed gevolgd door aankoop van aandelen. Hij leidt daaruit af dat de keuze voor splitsing niet wordt verklaard doordat de preferentielijst een probleem zou zijn bij
inbrengin de belanghebbende tegen uitreiking van aandelen.
Kunstgrepen-arrest HR
BNB1991/317, het
Mauritius-arrest HR
BNB2015/165
,het
Hunkemöller-arrest HR
BNB2021/137 en het
Zwijnenburg-arrest HR
BNB2008/245. De parlementaire geschiedenis zegt met zoveel woorden dat onderzocht moet worden of een splitsing of fusie als geheel
ende manier waarop deze is vormgegeven overwegend door zakelijke overwegingen zijn ingegeven. Hoe zakelijk ook het doel, het heiligt geen middelen die slechts gekozen zijn om hun antifiscale effect. Voor zover de middelen (i) en (ii) klagen over separate (on)zakelijkheidstoetsing van de route, stranden zij daarom naar mijn mening.
BNB2021/35), is de hoofdregel ook voor de overdrachtsbelasting dat een splitsing zoals bedoeld in de Richtlijn is vrijgesteld, tenzij (zie HvJ
Foggia) de splitsing als (een der) hoofddoel(en) belastingfraude of -ontwijking heeft. Een splitsing wordt geacht als (een der) hoofddoel(en) belastingfraude of -ontwijking te hebben als zij niet is gebaseerd op zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de betrokken vennootschappen (de Nederlandse implementatie voegt toe: of de aandelen in de gesplitste of de verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na splitsing worden vervreemd). Voor de uitleg van de Nederlandse implementatiewetgeving én van art. 5c(1) Uitvoeringsbesluit BvR, met name van de term ‘zakelijke overwegingen’, is aldus bepalend de rechtspraak van het HvJ over het misbruikvoorbehoud in de Fusierichtlijn, waaruit blijkt dat voor de vraag of een splitsing als (een der) hoofddoel(en) belastingontwijking heeft, moet worden aangesloten bij het algemene EU-rechtelijke verbod op misbruik, dat twee criteria omvat: (i) belastingvermijdingsoogmerk (subjectief criterium) en (ii) in weerwil van formele vervulling van de voor een belastingvoordeel geldende wettelijke voorwaarden wordt het door de wet beoogde doel niet bereikt (objectief criterium: strijd met doel en strekking van de wet).
Foggiavolgt dat een splitsing die diverse doelen heeft, waaronder ook fiscale, zakelijk kan zijn als de fiscale overwegingen bijkomend, althans niet doorslaggevend zijn. De belanghebbende stelt als (enige) niet-fiscale reden voor de gekozen route het omzeilen van haar preferentielijst. De Inspecteur heeft volgens het Hof echter aannemelijk gemaakt dat (i) de Stichting de optie open hield om 1/3e van de te verkrijgen aandelen door te leveren aan belanghebbendes bestaande aandeelhouders, (ii) daarover is overlegd met de belanghebbende, en (iii) dier aandeelhouders daartoe bereid waren, zodat omzeiling van de preferentielijst kennelijk geen wezenlijke wens was. Het Hof heeft verder vastgesteld dat uit geen document een niet-fiscale reden voor de gekozen juridische route volgt, terwijl diverse documenten juist benadrukken dat de operatie fiscaal zo gunstig mogelijk zou worden vormgegeven. Afgezien van fiscale effecten, lagen twee andere dan de gekozen route meer voor de hand. Ik meen dat het Hof op dit een en ander zijn feitelijke oordeel kon baseren dat het hoofddoel van de gekozen route de vermijding van overdrachtsbelasting was,
i.e.een onzakelijk doel in de zin van de Richtlijn, waarmee aan het subjectieve criterium van het algemene EU-rechtelijke misbruikbegrip én aan het specifieke onzakelijkheidscriterium in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn is voldaan.
nietvoor die laatste route is gekozen om heffing van overdrachtsbelasting te ontwijken. Overigens is de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter, aan wie het dus vrij stond om aan de brief niet de betekenis of bewijswaarde te hechten die de belanghebbende er aan hecht. ‘s Hofs bewijsoordeel is niet onbegrijpelijk, gezien de vastgestelde
afwezigheid van documentair bewijs dat de gekozen route nodig zou zijn om preferentie-uitoefening te vermijden en de
aanwezigheid van documentair bewijs dat de te kiezen route de overdrachtsbelastingheffing moest minimaliseren. Ik meen daarom dat ook middel (iii) strandt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
[A]aan de Commissie Vermogensbeheer van de Stichting vermeldt vier op de strategienota gebaseerde criteria voor beoordeling van een ruilvoorstel van een vastgoedfonds: (i) het
swap-percentage (het percentage van de portefeuille dat in aanmerking komt voor de ruil), (ii) de betaalmix (welk deel van de transactiewaarde in aandelen wordt voldaan en welk deel in contanten; de Stichting wilde graag een derde in contanten), (iii) de aard van de gegadigde wederpartij en (iv) de restportefeuille van de Stichting.
swap-transactie heffing van overdrachtsbelasting kan worden voorkomen met behulp van de vrijstelling voor juridische fusies en splitsingen, maar dat daarvoor de vastgoedportefeuille van de Stichting moet worden ondergebracht in een aparte juridische entiteit, omdat dat de Stichting zelf haar vastgoed niet rechtstreeks onder algemene titel kan overdragen door afsplitsing, nu een stichting niet kan afsplitsen naar een BV; beide entiteiten moeten dezelfde rechtsvorm hebben (art. 2:334b BW).
swap(ruil) in plaats van 2/3 tegen aandelen en 1/3 tegen
cash.
[A]aan de Stichting wijst erop dat de Stichting, na voltooiing van de ruil per 30 september 2012, een deel van de door haar verkregen aandelen in de belanghebbende kan verkopen aan andere aandeelhouders in de belanghebbende om aldus alsnog een derde van de overgedragen vastgoedwaarde in contanten te ontvangen.
NLF2018/0623) meent dat de Rechtbank de splitsingsregeling in de Fusierichtlijn en de vennootschapsbelastingrechtspraak over splitsing terecht doortrekt naar de overdrachtsbelasting en dat zij terecht oordeelde dat de overdrachtsbelasting geen bepalend argument was:
NTFR2018/799) maken drie aspecten deze uitspraak bijzonder:
3.Het geding in cassatie
Modehuis Zwijnenburg [4] en
Foggia [5] van het HvJ en uw rechtspraak [6] tonen dat gescheiden toetsing van vormgeving en einddoel niet aan de orde is. Uit de btw-zaak
Weald Leasing, [7] waarin een belastingplichtige om fiscale redenen had gekozen voor
leasein plaats van koop, oordeelde het HvJ dat een belastingplichtige voor de fiscaal gunstigste weg mag kiezen zonder dat dit misbruik oplevert. In
Weald Leasingwas overigens wel sprake van kunstmatige omstandigheden aangezien de betaalde leasevergoeding onzakelijk laag was en de in de nationale wet voorziene aanpassing van die vergoeding naar de “normale waarde” werd verhinderd door tussenplaatsing van een intermediair. De belanghebbende leidt uit dit arrest af dat de keuze tussen afsplitsing vanuit een BV en rechtstreekse inbreng in de belastingplichtige aan de belanghebbende is en dat zich pas misbruik voordoet als de vormgeving van de transactie rechtstreeks in strijd komt met het doel van de richtlijn, hetgeen in casu niet het geval is omdat de tussenstap van de oprichting van en inbreng in een BV niet kunstmatig is, maar juist in lijn met de verklaarde bedoeling van de wetgever, die aldus afsplitsing vanuit een stichting naar een kapitaalvennootschap indirect mogelijk wilde maken. De belanghebbende acht het oordeel van het Hof daarom onbegrijpelijk.
Kofoed [8] heet het HvJ geoordeeld dat art. 11 (thans art. 15) van de EU-Fusierechtlijn het algemene beginsel van Unierecht weerspiegelt dat rechtsmisbruik is verboden. In de Deense
Beneficial Ownership-arresten [9] heeft het HvJ dit herhaald en nadere uniforme uitleg gegeven van ‘rechtsmisbruik’. Niet alleen is kunstmatigheid van de constructie vereist maar ook strijd met doel en strekking van de regeling. Volgens de belanghebbende is er in de onderhavige zaak noch sprake van strijd met doel en strekking van de wet, noch van kunstmatigheid. Het oordeel van het Hof geeft daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
zondervervreemding en er is tot op heden ook niet vervreemd. Volgens de belanghebbende overleeft ‘s Hofs oordeel deze motiveringsgebreken niet.
BNB2008/245. [11] De Staatssecretaris meent dat de belanghebbende r.o. 4.3.3 van HR
BNB2008/245 onvolledig citeert en dat de gekozen vormgeving wel degelijk zelfstandig op zakelijkheid wordt beoordeeld. U spreekt in die r.o. 4.3.3 van een “gekozen omweg” ondanks een onbetwist zakelijk doel:
BNB2008/245, [12] die dat bevestigt. De uitlating van de Minister van Justitie in 1983/1984 waarnaar de belanghebbende verwijst, gaat niet over splitsing, die toen nog niet bestond (die is pas in 1995 voor het eerst in de Tweede Kamer behandeld [13] ), maar alleen over fusie. Het Hof heeft op dit punt ten onrechte klakkeloos belanghebbendes onjuiste interpretatie van de wetsgeschiedenis gevolgd. De belanghebbende heeft volgens de Staatssecretaris niet onderkend dat rechtstreekse overdracht tot heffing van overdrachtsbelasting had geleid en dat afsplitsing door een stichting domweg niet binnen de reikwijdte van de splitsingsvrijstelling valt. Anders dan de belanghebbende, ziet de Staatssecretaris wel degelijk kunstmatigheid in de gekozen vormgeving, nog daargelaten dat uit de Fusierichtlijn niet volgt dat kunstmatigheid vereist is voor toepassing van het antimisbruikvoorbehoud. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof na afweging van alle relevante objectieve en subjectieve factoren, terecht de belanghebbende niet in het vereiste tegenbewijs is geslaagd. Hij acht de middelen (i) en (ii) daarom ongegrond.
inbrengtegen uitreiking van aandelen. Uit de processtukken volgt bovendien dat alle aandeelhouders op de preferentielijst akkoord waren met de juridische splitsing, dus met omzeiling van hun positie op die lijst. Voor het overige acht hij ‘s Hofs oordeel gebaseerd op een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van bewijsmiddelen die geenszins onbegrijpelijk is. De Staatssecretaris acht middel (iii) ook ongegrond.
BNB2013/137 [14] ). Zij stelt dat toen dat nog niet uit de wettekst bleek, de zakelijkheid van de financiering niet zelfstandig werd beoordeeld maar slechts in het licht van het einddoel (HR
BNB2005/169 [15] en HR
BNB2008/245 [16] ). Zij ziet daarin een algemene rechtsregel die (dus) ook geldt bij de toepassing van de splitsingsvrijstelling. Het bestaan van een belaste andere route betekent niet automatisch dat sprake is van misbruik als voor de niet belaste route wordt gekozen.
4.Wettekst en parlementaire geschiedenis
5.Misbruikrechtspraak
Hof van Justitie van de EU (i): algemeen
Halifax [26] overwoog het HvJ dat het een belastingplichtige vrij staat om de fiscaal gunstigste weg te kiezen, maar dat misbruik beroep op EU-recht uitsluit. Voort-bouwend op niet-fiscale rechtspraak, gaf hij ook richtlijnen voor de vaststelling van (fiscaal) misbruik: daarvoor moet aan een subjectief en een objectief criterium worden voldaan:
Cadbury Schweppes [27] werden diens overwegingen herhaald ter zake van misbruik van de EU-Verdragsvrijheden op het terrein van de directe belastingen: gebruik van een gunstiger fiscaal regime in een andere lidstaat is op zichzelf geen misbruik van de EU-verkeers-vrijheden (in casu die van vestiging), maar als aan de criteria van
Halifaxis voldaan, is ook op het terrein van de directe belastingen sprake van misbruik van recht dat succesvol beroep op EU-recht uitsluit. Het HvJ introduceerde in
Cadbury Schweppeshelaas ook de tot veel rechtsonzekerheid en geschil leidende term ‘volstrekt kunstmatige constructie’:
Weald Leasing [28] benadrukte het HvJ dat een belastingplichtige zich bij de keuze uit mogelijke transacties mag laten leiden door fiscale overwegingen, maar niet in een mate die misbruik van recht oplevert. Hij herhaalde de
Halifax-criteria voor misbruik, zonder daarbij het
Cadbury Schweppes-criterium ‘volstrekte kunstmatig’ te noemen:
T Danmarken
Y Danmark [29] betroffen dividendbetalingen door Deense vennootschappen aan elders in de EU gevestigde
conduit companies, die de dividenden (vermoedelijk) doorsluisden naar buiten de EU gevestigde en dus niet-richtlijngerechtigde uiteindelijk gerechtigden (
outbound profit transfer). De Deense fiscus wees het beroep van de Deense vennootschappen op de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting in art. 5 EU Pro-Moeder/dochterrichtlijn [30] af op de grond dat hun EU-aandeelhoudsters (vermoedelijk) niet de uiteindelijk gerechtigden waren. Het HvJ oordeelde dat een lidstaat
verplichtis EU-Richtlijnvoordelen te weigeren bij misbruik, zelfs als het nationale (omzettings)recht geen daartoe geëigende antimisbruikbepaling bevat, een en ander op grond van een algemeen ongeschreven beginsel van EU-recht dat misbruik van recht verbiedt. Hij achtte een kunstmatige constructie aanwezig als een concern niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, maar een zuiver formele structuur heeft en als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt:
Zwijnenburg [32] was in geschil of de bedrijfsfusiefaciliteit voor de
vennootschapsbelastingin de EU-Fusierichtlijn kan worden geweigerd als het of een hoofddoel van de fusie is ontwijking van
overdrachtsbelasting. U stelde prejudicieel aan het HvJ de vraag of ook het ontgaan van overdrachtsbelasting kan worden begrepen onder ‘belastingfraude of ontwijking’ in de EU-Fusierichtlijn, die in beginsel alleen over de vennootschapsbelasting gaat. Het HvJ oordeelde dat de overdrachtsbelasting niet binnen de werkingssfeer van de Fusierichtlijn valt en dat de vennootschapsbelastingfaciliteiten van de richtlijn dus niet kunnen worden geweigerd om de enkele reden dat de belastingplichtige met een bedrijfsfusie de heffing van
overdrachtsbelastingwil voorkomen.
Leur-Bloem [33] was de belanghebbende enig aandeelhouder/directeur van twee BVs. Zij wilde door een aandelenruil een holding-BV van een derde overnemen, waarna zij niet meer rechtstreeks, maar indirect enige aandeelhouder in de twee BVs zou zijn. De Nederlandse fiscus had de Fusierichtlijnvoordelen geweigerd omdat er – kort gezegd - economisch niets was veranderd. Het HvJ EG oordeelde onder meer dat fiscale redenen voor een aandelenruil geen zakelijke redenen zijn, maar ook dat de richtlijnvoordelen niet automatisch wegens voorondersteld misbruik geweigerd kunnen worden als voldaan is aan vooraf vastgestelde algemene criteria zoals het niet drijven van een materiële onderneming, maar in elk concreet geval de (zakelijkheid van de) rechtshandeling in haar geheel moet worden onderzocht:
Foggia [34] betrof een Portugese
holdingdie drie andere in Portugal gevestigde
holdingsvan dezelfde groep opslokte door fusie. Foggia wilde de niet-verrekende verliezen van de overgenomen
holdingsuit voorgaande jaren verrekenen met haar toekomstige winst. Ter zake van één van de opgeslokte
holdingswerd dit door de Portugese fiscus geweigerd omdat Foggia bij een fusie met deze vennootschap geen enkel niet-fiscaal belang had. Een vermindering van de administratieve concernkosten door de fusie kon volgens de Portugese fiscus niet als reëel zakelijk belang worden beschouwd. Net zo als in de zaak
Leur Bloemvielen binnenlandse en grensoverschrijdende fusies onder dezelfde richtlijnimplementatie-bepalingen, zodat het HvJ bevoegd was tot beantwoording van prejudiciële vragen van de nationale belastingrechter. Het HvJ oordeelde dat een herstructurering die administratieve lasten vermindert, ingegeven kan zijn door zakelijke overwegingen, maar dat dat niet geval is als de structurele kostenbesparing verwaarloosbaar is in vergelijking met het bedrag van het beoogde fiscale voordeel. Verder overwoog hij:
Kofoed [35] ging over de toepassing van de fusierichtlijn op een aandelenruil gevolgd door dividenduitkering. De vraag was of de uitkering moest worden beschouwd als onderdeel van de verkrijging door de verkrijgende vennootschap. Zo ja, dan zou het plafond van 10% van de waarde voor een ‘bijbetaling in geld’ overstegen worden en de aandelenruil niet gefacilieerd zijn. Het HvJ overwoog dat niet bleek dat het dividend onderdeel uitmaakte van de tegenprestatie voor de aandelenverkrijging. Over eventueel rechtsmisbruik overwoog hij:
BNB1991/317 [36] hield de belanghebbende alle aandelen in zowel A BV als B BV. Eind 1982 verkocht A BV haar deelneming C BV aan B BV, die de koopsom schuldig bleef. Vervolgens verkocht de belanghebbende A BV met vermogenswinst aan een bank. In geschil was of die winst onder art. 24 Wet Pro IB 1964 (inkomsten uit vermogen) viel (hoog progressief tarief) of onder art. 57 Wet Pro IB 1964 (winst uit aanmerkelijk belang; gematigd proportioneel tarief). U overwoog onder meer dat de belastingplichtige zich bij het zoeken naar een fiscaal gunstige weg niet van ‘kunstgrepen’ behoort te bedienen:
Mauritius-arrest HR
BNB2015/165 [37] behoorden de belanghebbenden, een in Nederland gevestigde moeder- en dochtervennootschap, tot het A-concern. De tophoudster A was gevestigd in Zuid-Afrika. In 2007 haalde A een bedrag op door een aandelenemissie dat rechtstreeks werd overgemaakt aan de belanghebbenden. Boekhoudkundig en contractueel werd het bedrag echter geleid langs twee op Mauritius gevestigde groepsmaatschappijen C en D. C leende het bedrag rentevrij uit aan D, die het rentedragend uitleende aan de belanghebbenden, die er acquisities mee bekostigden. De Inspecteur weigerde de aftrek van de rente. Niet in geschil was dat de acquisities zakelijk waren; de vraag was of de motieven voor het aangaan van de schuld zakelijk waren. U overwoog:
Hunkemöller-arrestHR
BNB2021/137 [38] ging het om de vraag of de juridische weg naar een economisch zakelijk einddoel (een externe acquisitie) overwegend (anti)fiscaal was ingegeven. Ook deze zaak betrof de renteaftrek in een omweggelijk aandoende financieringsstructuur: de overname van een Nederlandse
targetwerd deels gefinancierd met hybride leningen vanuit Franse hybride entiteiten (FCPRs) waarlangs het te investeren eigen vermogen werd geleid en waar het werd omgezet in vreemd vermogen. Doordat het aldus gefinancierde Nederlandse overnamevehikel na de acquisitie de
targetopnam in een fiscale eenheid, kwam de rente op de leningen ten laste van de winst van de
target, terwijl de rente als gevolg van het hybride achterland in Frankrijk compenserend werd belast. Het Hof had renteaftrek met toepassing van
fraus legisafgewezen. U overwoog:
vennootschapsbelastingkan worden geweigerd als de belanghebbende (mede) voor de fusie had gekozen om heffing van
overdrachtsbelastingte ontgaan, maar overwoog uitsluitend ter zake van de vennootschapsbelasting ook als volgt (HR BNB 2008/245 [39] ):
vennootschapsbelastingdus niet kunnen worden geweigerd om de enkele reden dat de belastingplichtige met een bedrijfsfusie heffing van
overdrachtsbelastingwil voorkomen. Voor de volledigheid vermeld ik dat de belanghebbende
voor de vennootschapsbelastingalsnog in het gelijk werd gesteld in uw eindarrest HR
BNB2011/154, [40] waarin u als volgt overwoog:
BNB2019/175 [42] betrof de vraag of de splitsingsvrijstelling ook geldt voor een afsplitsing van onroerende zaken naar een dochtervennootschap gevolgd door verkoop van die verkrijgende dochter aan een derde. De Rechtbank Den Haag [43] achtte niet aannemelijk dat de afsplitsing niet overwegend was gericht op ontgaan of uitstel van belastingheffing. Over de keuze van de vorm van de afsplitsing overwoog zij:
BNB2021/35 [45] oordeelde u dat de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting net zoals de vrijstelling in de vennootschapsbelasting Fusierichtlijnconform moet worden uitgelegd. De zaak ging over een broer en zus die elk 50% van de aandelen G BV bezaten en beiden bestuurder van G BV waren. G BV bezat alle aandelen H BV, die onder meer een onroerende zaak bezat. De aandelen in zowel G BV als H BV waren fictieve onroerende zaken voor de overdrachtsbelasting. G BV werd gesplitst in twee BV’s en broer werd enig aandeelhouder in de ene BV en zus enig aandeelhoudster in de andere BV. De Inspecteur zag geen zakelijke overwegingen, maar een poging overdrachtsbelasting te ontwijken. U overwoog onder meer:
6.Beoordeling
Mauritius- en
Hunkemöller-arresten (zie 5.10 en 5.11 hierboven) en het (nationale)
Zwijnenburg-arrest HR
BNB2008/245 (zie 5.12 hierboven). Hoe zakelijk ook het einddoel, ook de gekozen (om)weg ernaartoe moet overwegend door zakelijke overwegingen zijn ingegeven. Ook uit de parlementaire geschiedenis (zie 4.6 en 4.7 hierboven) blijkt met zoveel woorden dat moet worden onderzocht of (
curs. PJW) de “splitsing of fusie als geheel,
ende manier waarop deze is vormgegeven” overwegend door zakelijke overwegingen zijn ingegeven.
BNB2021/35 [53] in 5.15 hierboven), is de hoofdregel ook in de overdrachtsbelasting dat bij een splitsing in de zin van de Richtlijn de vrijstelling in beginsel van toepassing is en dat dit alleen anders is (aldus het HvJ in de zaak
Foggia; zie 5.7 hierboven) als de splitsing als hoofddoel of een der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft. Een splitsing wordt geacht als (een van de) hoofddoel(en) belastingfraude of belastingontwijking te hebben (Nederlandse implementatie: in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing) als zij niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de rechtshandeling betrokken vennootschappen (Nederlandse implementatie: als niet wordt gesplitst om zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen of de aandelen in de gesplitste of de verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd).
Kofoed [54] in 5.8 hierboven) dat voor de vraag of een splitsing als (een der) hoofddoel(en) belastingontwijking heeft, moet worden aangesloten bij het algemene EU-rechtelijke verbod op misbruik, dat, zoals eveneens boven (5.1) bleek, twee criteria omvat: (i) het moet de overwegende bedoeling van de partijen zijn om een belastingvoordeel te verkrijgen (subjectief criterium; belastingvermijdingsoogmerk) en (ii) in weerwil van de formele vervulling van de voor dat voordeel geldende wettelijke voorwaarden, wordt het door de wet beoogde doel niet bereikt (objectief criterium: strijd met doel en strekking van de wet).
Foggia [55] volgt dat een splitsing waaraan diverse doelstellingen, waaronder ook fiscale, ten grondslag liggen, (toch) zakelijk kan zijn als de fiscale overwegingen in het kader van de voorgenomen transactie bijkomend, althans niet doorslaggevend zijn. De belanghebbende stelt als (enige) niet-fiscale reden voor de gekozen route het omzeilen van haar preferentielijst, die zittende aandeelhouders voorrang geeft bij de uitgifte van aandelen, maar niet bij overgang van vastgoed onder algemene titel tegen uitreiking van aandelen, zoals bij fusie of splitsing.
i.e.een onzakelijk doel in de zin van de Richtlijn (zie de zaak
Leur-Bloemin 5.6 hierboven), waarmee aan het subjectieve criterium van het algemene EU-rechtelijke misbruikbegrip én aan het specifieke onzakelijkheidscriterium in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn is voldaan.
niet‘binnen het concern’ voltrok, maar het vastgoed juist naar een derde verplaatste. Belast blijkt een operatie die gezien kan worden als vervreemding van het vastgoed door de Stichting aan de belanghebbende (in termen van de wetsgeschiedenis: een ‘verkoop die wordt ingekleed’ als een afsplitsing, zij het niet tegen
cashmaar tegen natura).
cash) verschuldigd zou zijn), is daarmee in casu dus min of meer automatisch ook voldaan aan het objectieve criterium: doel en strekking van de splitsingsvrijstelling zijn om splitsingen vrij te stellen tenzij de splitsing is ingegeven door de wens overdrachtsbelasting te vermijden. Daarmee is ook voldaan aan het objectieve criterium.
nietvoor die laatste route is gekozen om heffing van overdrachtsbelasting te ontwijken. Overigens is de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter en stond het het Hof dus vrij om aan de brief een andere betekenis of bewijswaarde te hechten dan de belanghebbende er aan gehecht wil zien. ’s Hofs bewijsoordeel is niet onbegrijpelijk, gegeven de ook door belanghebbendes gemachtigde ter zitting geconstateerde
afwezigheid van documentair bewijs voor de stelling dat de gekozen route nodig zou zijn om daadwerkelijke inroeping van preferenties te vermijden (zie r.o. 5.4.9 Hof) en daartegenover de
aanwezigheid van documentair bewijs voor de stelling dat de te kiezen route overdrachtsbelastingheffing moest minimaliseren.