Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
- bepaald dat de man een kinderbijdrage van € 755,- per maand dient te betalen aan de vrouw, met ingang van de datum van die beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen (rov. 3.1); - bepaald dat de man een partnerbijdrage van € 1.430,- per maand dient te betalen aan de vrouw, met ingang van de datum van die beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen (rov. 3.2);
- de verdeling gelast van de tussen partijen bestaande – inmiddels ontbonden – huwelijksgoederengemeenschap op de wijze als weergegeven onder rechtsoverwegingen 2.17 tot en met 2.26 van die beschikking (rov. 3.3); en
- het meer of anders verzochte afgewezen.
de beschikking van de rechtbank van 16 december 2020 (hersteld bij beschikking van 17 februari 2021) te vernietigen voor zover die ziet op de bepaalde partneralimentatie en de beslissing dat de familiebanklening ad in totaal € 133.000,- uit de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning aan de [a-straat 1] te [plaats] dient te worden afgelost en opnieuw beschikkende
De vrouw heeft afgezien van het voeren van verweer.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Beide leningen zijn geregistreerd bij de belastingdienst. De ouders van de man hebben in hun aangifte IB 2012 onder “overige bezittingen” een bedrag aan vorderingen van € 133.000,- vermeld. De man heeft in zijn IB aangifte 2019 onder hypotheken en andere schulden per 1 januari 2019 onder andere vermeld: Familiebank ad € 133.000,- (betaalde rente € 10.388,-).
Uit de afrekening van de notaris bij de verkoop van de voormalige echtelijke woning blijkt dat een bedrag van € 66.500,- op de familiebankleningen is afgelost met de vermelding: “deel [de man] .”
“Wat is de beste financiële constructie om:
De hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het hof van oordeel is dat de door de ouders van de man verstrekte familiebankleningen in wezen een op altruïsme van de ouders van de man gestoelde constructie zijn geweest om vermogen van de ouders van de man op een fiscaal gunstige wijze aan de man door te schuiven.
Daarmee zijn de familiebankleningen niet te vergelijken met een door een bank te verstrekken geldlening en gelden hiervoor ook niet dezelfde voorwaarden. Dat de vrouw voor het aangaan van de leningen heeft meegetekend, doet hier niet aan af. Het voorgaande betekent dat het hof de familiebankleningen niet kwalificeert als een schuld van de gemeenschap en deze niet zal betrekken bij de afwikkeling van het huwelijksvermogen.”
Aan de kwalificatie van de familiebankleningen als schuld die in de gemeenschap valt, kan daarom niet op zichzelf afdoen dat de leningen vooruitlopend op een nalatenschap zijn verstrekt, door de ouders van de man zijn verleend in verband met een goede band, een verzorgingsgedachte of de wens om vermogen fiscaal gunstig door te schuiven. Dat geldt in gelijke zin voor de omstandigheden dat tijdens het huwelijk niet op de leningen is afgelost, deze bij verkoop van de echtelijke woning mogelijk niet hoeven te worden terugbetaald of (nog) niet zijn opgeëist. De leningen vallen enkel buiten de gemeenschap indien sprake is van een van de in artikel 1:94 lid 3 of Pro lid 5 sub a BW geregelde figuren.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de familiebankleningen kwalificeren als schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen, is dat oordeel eveneens onjuist. Het hof ziet er in dat geval volgens het subonderdeel aan voorbij dat daarvan op de voet van art. 1:94 lid 5 sub a BW Pro (oud) eerst sprake is, indien de familiebankleningen betrekking zouden hebben op goederen die van de gemeenschap zijn uitgesloten. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft immers niet (kenbaar) vastgesteld op welk goed de familiebankleningen dan betrekking zouden hebben en om welke redenen dit goed buiten de gemeenschap valt. De omstandigheden dat de leningen vooruitlopend op een nalatenschap zijn verstrekt, door de ouders van de man zijn verleend in verband met een goede band, vanuit een verzorgingsgedachte of vanwege de wens om vermogen door te schuiven, alsmede dat tijdens het huwelijk niet op de leningen is afgelost, deze bij verkoop van de echtelijke woning mogelijk niet hoeven te worden terugbetaald of (nog) niet zijn opgeëist, kunnen niet op begrijpelijke wijze tot die conclusie leiden. Daaruit volgt immers niet dat de familiebankleningen betrekking zouden hebben gehad op een van de gemeenschap uitgesloten goed dan wel dat de familiebankleningen betrekking hadden op de echtelijke woning en die buiten de gemeenschap viel.
Het oordeel van het hof is althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat de man heeft gesteld dat de familiebankleningen zijn verstrekt ten behoeve van de echtelijke woning en de rechtbank in appel onbestreden heeft vastgesteld dat de woning in de gemeenschap valt. Het hof heeft dit in het midden gelaten, zodat de juistheid van die stelling ten minste hypothetisch in cassatie vaststaat. De vrouw heeft ook niet weersproken dat de familiebankleningen waren bedoeld ter financiering van de echtelijke woning, maar enkel betoogd dat de familiebankleningen daarvoor niet zijn aangewend en tevens als fiscaal gunstige constructie golden om de man vooruitlopend op het overlijden van zijn ouders en het openvallen van hun nalatenschappen alvast financieel tegemoet te komen. In dat licht is zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk waarom de familiebankleningen desondanks betrekking zouden hebben op een van de gemeenschap uitgesloten goed.
Het hof is met zijn eventuele oordeel dat de familiebankleningen betrekking hebben op een van de gemeenschap uitgesloten goed bovendien buiten de rechtsstrijd getreden. Geen van de partijen heeft zich immers erop beroepen dat de familiebankleningen betrekking zouden hebben op een van de gemeenschap uitgesloten goed.
Tevens is onbegrijpelijk dat het hof bij zijn beoordeling de omstandigheid betrekt dat tijdens het huwelijk niet door partijen op de familiebankleningen is afgelost. Zoals in de overeenkomsten is opgenomen en door het hof is vastgesteld, zouden de familiebankleningen immers tien jaar na ondertekening worden afgelost, zou tussentijds alleen rente worden betaald en bestond de mogelijkheid om de overeenkomsten te verlengen (rov. 5.13). Door de man is onbetwist aangevoerd dat de overeenkomsten stilzwijgend zijn verlengd. Uit de afrekening bij de notaris blijkt voorts dat de man zijn deel ook daadwerkelijk heeft afgelost (rov. 5.13). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook onvoldoende begrijpelijk om welke reden het feit dat, in overeenstemming met de overeenkomsten, tijdens het huwelijk niet is afgelost op de familiebankleningen, aan het oordeel kan bijdragen dat de familiebankleningen niet kwalificeren als een schuld van de gemeenschap. In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof, aldus subonderdeel 1.2, ook in de in subonderdelen 1.3-1.5 bestreden lezingen daarvan, onbegrijpelijk.
Het voorgaande geldt eveneens voor het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de familiebankleningen bij de verkoop van de echtelijke woning moesten worden terugbetaald of dat de familiebankleningen door de moeder van de man zijn opgeëist. Die overwegingen kunnen, aldus het subonderdeel, evenmin op begrijpelijke wijze aan ’s hofs oordeel bijdragen, omdat het hof er aldus ten onrechte aan voorbij gaat dat de man onweersproken heeft gesteld dat de familiebankleningen opeisbaar blijven en de ouders van de man de familiebankleningen niet hebben kwijtgescholden, terwijl uit de overeenkomsten woordelijk voortvloeit dat deze daadwerkelijk dienen te worden afgelost.
subonderdeel 1.3 [19] wordt geklaagd dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de familiebankleningen géén lening betreffen en om die reden geen sprake is van een schuld van de gemeenschap, het oordeel van het hof eveneens onjuist is. Het hof miskent dan immers, aldus het subonderdeel, dat het ter kwalificatie van de familiebankleningen als geldleningen (op grond van het volgens het subonderdeel hier toepasselijke art. 7A:1791 BW (oud)) aankomt op de vraag of de ouders van de man een geldsom hebben verschaft en de man en de vrouw zich vervolgens hebben verbonden om een overeenkomstige geldsom terug te betalen. Of de overeenkomsten aan die voorwaarden voldoen, moet zich verder door uitleg daarvan op basis van de Haviltex-maatstaf laten vaststellen.
Indien het hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat geen sprake is van een geldlening, is dit oordeel in ieder geval onbegrijpelijk gemotiveerd. Dat oordeel is namelijk zonder nadere, ontbrekende, motivering onverenigbaar met de eigen vaststellingen van het hof in rov. 5.13 dat (i) de overeenkomsten zijn ondertekend door de man en de vrouw als ‘geldlener’ (ii) in de overeenkomsten is opgenomen dat de leningen tien jaar na ondertekening zouden worden afgelost, (iii) tussentijds (alleen) rente zou worden betaald, (iv) tussentijds ook daadwerkelijk rente is betaald, (v) de mogelijkheid bestond om de duur van de overeenkomsten te verlengen, (vi) de man de familiebankleningen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2019 als schuld heeft vermeld, (vii) de ouders van de man de familiebankleningen in hun aangifte inkomstenbelasting 2012 als vordering hebben vermeld, (viii) de familiebankleningen als lening zijn geregistreerd bij de belastingdienst en (ix) de man zijn aandeel in de familiebankleningen bij de verkoop van de voormalige echtelijke woning (aan zijn moeder [20] ) heeft afgelost. Op grond van deze vaststellingen wordt immers volledig voldaan aan de voor de kwalificatie als geldlening gestelde vereisten. Met deze vaststellingen verdraagt zich dan ook niet op begrijpelijke wijze het oordeel van het hof dat desondanks géén sprake is van een geldlening en om die reden geen sprake is van een schuld van de gemeenschap.
Zonder nadere, ontbrekende, motivering valt in het licht van de hiervoor opgesomde omstandigheden in ieder geval niet in te zien waarom de man en de vrouw enerzijds en de ouders van de man anderzijds niet redelijkerwijs op grond van hun verklaringen en gedragingen over en weer hebben begrepen of hebben moeten begrijpen dat sprake was van een geldlening.
Tevens is onbegrijpelijk dat het hof bij zijn beoordeling de omstandigheid betrekt dat tijdens het huwelijk niet door partijen op de familiebankleningen is afgelost. Zoals in de overeenkomsten is opgenomen en door het hof is vastgesteld, zouden de familiebankleningen immers tien jaar na ondertekening worden afgelost, zou tussentijds alleen rente worden betaald en bestond de mogelijkheid om de overeenkomsten te verlengen (rov. 5.13). Door de man is onbetwist aangevoerd dat de overeenkomsten stilzwijgend zijn verlengd. Uit de afrekening bij de notaris blijkt voorts dat de man zijn deel ook daadwerkelijk heeft afgelost (rov. 5.13). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is ook onvoldoende begrijpelijk om welke reden het feit dat, in overeenstemming met de overeenkomsten, tijdens het huwelijk niet is afgelost op de familiebankleningen, aan het oordeel kan bijdragen dat géén sprake is van een geldlening en om die reden geen sprake is van een schuld van de gemeenschap.
Het voorgaande geldt volgens het subonderdeel eveneens voor het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de familiebankleningen bij de verkoop van de echtelijke woning moesten worden terugbetaald of dat de familiebankleningen door de moeder van de man zijn opgeëist, (mede) ten gevolge waarvan geen sprake zou zijn van een lening. Het hof gaat er immers ten onrechte aan voorbij dat de man onweersproken heeft gesteld dat de familiebankleningen opeisbaar blijven en de ouders van de man de familiebankleningen niet hebben kwijtgescholden, terwijl uit de overeenkomsten woordelijk voortvloeit dat deze daadwerkelijk dienen te worden afgelost
Onbegrijpelijk is verder, aldus het subonderdeel, het oordeel van het hof dat de familiebankleningen als een voorschot op het erfdeel van de man moeten worden gezien en (mede) om die reden niet als schuld van de gemeenschap kwalificeren. Immers, indien de familiebankleningen als een voorschot op het erfdeel van de man moeten worden gezien, zal, nu de vader van de man thans is overleden, bij het overlijden van de moeder van de man een schuld aan de erven van de ouders van de man ontstaan, die moet worden verrekend met het erfdeel van de man. Aangezien een lening ook door middel van verrekening kan worden afbetaald, kan deze omstandigheid niet zonder nadere, ontbrekende, motivering bijdragen aan het oordeel dat de constructie van de familiebankleningen niet als een lening kan worden beschouwd.
Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel voorts onbegrijpelijk, omdat het hof heeft vastgesteld dat de vrouw de overeenkomsten eveneens heeft ondertekend, ten gevolge waarvan ook de vrouw als geldnemer kwalificeert en partij is bij de overeenkomsten. Zonder nadere, ontbrekende, motivering valt in dat licht niet/te minder in te zien waarom de familiebankleningen desondanks verknocht zouden zijn aan de man.
Het hof is met zijn eventuele verknochtheidsoordeel bovendien buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Partijen hebben omtrent de verknochtheid van de schuld met één van de echtgenoten namelijk geen stellingen ingenomen.
subonderdeel 1.5 [22] wordt geklaagd dat mocht het hof hebben geoordeeld dat de familiebankleningen in wezen kwalificeren als een schenking en om die reden geen sprake is van een schuld van de gemeenschap, het oordeel van het hof dan eveneens onjuist is. Het hof miskent dan immers dat bij de kwalificatie van de familiebankleningen als schenking op grond van art. 7:175 BW Pro moet worden vastgesteld dat sprake is van een overeenkomst
om niet, die ertoe strekt dat de schenker de begiftigde ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt.
Het oordeel dat sprake is van een schenking is in ieder geval volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, omdat het onverenigbaar is met de eigen vaststellingen van het hof in rov. 5.13 dat (i) de overeenkomsten zijn ondertekend door de man en de vrouw als ‘geldlener’ (ii) in de overeenkomsten is opgenomen dat de leningen tien jaar na ondertekening zouden worden afgelost, (iii) tussentijds (alleen) rente zou worden betaald, (iv) tussentijds ook daadwerkelijk rente is betaald, (v) de mogelijkheid bestond om de duur van de overeenkomsten te verlengen, (vi) de man de familiebankleningen in zijn aangifte inkomstenbelasting 2019 als schuld heeft vermeld, (vii) de ouders van de man de familiebankleningen in hun aangifte inkomstenbelasting 2012 als vordering hebben vermeld, (viii) de familiebankleningen als lening zijn geregistreerd bij de belastingdienst en (ix) de man zijn aandeel in de familiebankleningen bij de verkoop van de voormalige echtelijke woning aan zijn moeder heeft afgelost. In dat licht valt niet in te zien waarom de familiebankleningen om niet zouden zijn verstrekt en ertoe zouden strekken de man ten koste van het vermogen van de ouders te verrijken.
Zonder nadere, ontbrekende, motivering valt in het licht van de hiervoor opgesomde omstandigheden in ieder geval niet in te zien waarom de man en de vrouw enerzijds en de ouders van de man anderzijds redelijkerwijs op grond van hun verklaringen en gedragingen over en weer hebben begrepen of hebben moeten begrijpen dat sprake was van een schenking. Uit die omstandigheden laat die conclusie zich niet op begrijpelijke wijze trekken en verhoudt zich daarmee evenmin op begrijpelijke wijze.
Dat de rente die werd betaald fiscaal is afgetrokken en dat de ouders van de man maandelijks een bedrag van EUR 440 aan de man en de vrouw schonken, doet niet op begrijpelijke wijze af aan het feit dat door de ouders van de man wel degelijk tegenprestaties zijn bedongen voor het verschaffen van de geldsom, welke tegenprestaties ook zijn verricht, zodat niet wordt voldaan aan de kwalificatievereisten voor een schenking. Dit klemt te meer, aldus het subonderdeel, nu de man in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat geen verband bestond tussen de rentebetalingen uit hoofde van de overeenkomsten enerzijds en de maandelijkse schenking van EUR 440 door de ouders van de man aan de man en de vrouw anderzijds.
Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel tevens onjuist in het licht van de vaste jurisprudentie dat voor de kwalificatie van een overeenkomst als een overeenkomst van schenking niet relevant is wat het achterliggende motief voor de verschaffing van een geldsom is. [23] De door het hof vastgestelde motieven van de ouders van de man om hem vooruitlopend op hun overlijden alvast tegemoet te komen, dat de man en zijn ouders een goede verhouding hadden, bij de ouders van de man een verzorgingsgedachte speelde en dat sprake was van een op altruïsme gestoelde constructie, kunnen dan ook niet bijdragen aan of leiden tot de conclusie dat de familiebankleningen in wezen een schenking betreffen. Onbegrijpelijk is verder volgens het subonderdeel dat het hof bij de kwalificatie van de familiebankleningen de omstandigheid betrekt dat tijdens het huwelijk niet door partijen op de familiebankleningen is afgelost. Zoals in de overeenkomsten is opgenomen en door het hof is vastgesteld, zouden de familiebankleningen immers tien jaar na ondertekening worden afgelost, zou tussentijds alleen rente worden betaald en bestond de mogelijkheid om de overeenkomsten te verlengen (rov. 5.13). Door de man is onbetwist aangevoerd dat de overeenkomsten stilzwijgend zijn verlengd. Uit de afrekening bij de notaris blijkt voorts dat de man zijn deel ook daadwerkelijk heeft afgelost (rov. 5.13). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook onvoldoende begrijpelijk om welke reden het feit dat, in overeenstemming met de overeenkomsten, tijdens het huwelijk niet is afgelost op de familiebankleningen, aan het oordeel kan bijdragen dat sprake is van een schenking in de zin van art. 7:175 BW Pro en om die reden geen sprake is van een schuld van de gemeenschap. Dat geldt in gelijke zin voor het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de familiebankleningen bij de verkoop van de echtelijke woning moesten worden terugbetaald of dat de familiebankleningen door de moeder van de man zijn opgeëist, ten gevolge waarvan sprake zou zijn van een schenking. Het hof gaat er immers ten onrechte aan voorbij dat de man onweersproken heeft gesteld dat de familiebankleningen opeisbaar blijven en de ouders van de man de familiebankleningen niet hebben kwijtgescholden, terwijl uit de overeenkomsten woordelijk voortvloeit dat deze daadwerkelijk dienen te worden afgelost.
Artikel 93
Stb.1994, 342) van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen niet in de gemeenschap.”
In het
worst-case-scenario betalen de kinderen dus ieder jaar vermogensrendementsheffing over het geschonken bedrag en de ouders geen cent minder dan voorheen (namelijk nog altijd niets), zodat op familiaal niveau een belastingnadeel ontstaat. Als beoogd werd een besparing van 10% erfbelasting te bereiken, en de kinderen in box 3 in de hoogste schijf van 1,764% zitten, dan wordt die hele besparing dus in zeven jaar door het IB-nadeel teniet gedaan. Daarbij komt dat die inkomstenbelasting dan ook nog eerder en bovendien ieder jaar moet worden afgedragen. Vooral dat laatste is psychologisch fnuikend, met name ook voor de reputatie van de adviseur, omdat de cliënt er jaarlijks aan wordt herinnerd dat het vermogensoverhevelingsadvies achteraf bezien toch niet zo geweldig goed uitpakte.
Kortom, het is van belang dat men zich niet fixeert op de eenmalige besparing van erfbelasting en daarbij het jaarlijks weerkerende IB-nadeel over het hoofd ziet.
Bij dit alles dient nog te worden aangetekend dat de rentebetaling het vermogen van de ouders vermindert en dus ook weer leidt tot een (aanvullende) besparing van erfbelasting. Die zal echter maximaal 1,2% (20% van 6%) kunnen bedragen en dus niet steeds het IB-nadeel kunnen neutraliseren, waarbij dan nog komt het liquiditeitsnadeel van de jaarlijkse IB-betaling.
an sichgeen sprake van vermogensoverheveling. Uit het juridisch kader onder ii) volgt dat familiebankleningen (al dan niet gecombineerd met jaarlijkse schenkingen) weliswaar voor de ouder en het kind (en eveneens voor de partner van het in gemeenschap van goederen getrouwde kind) fiscaal gunstig kunnen zijn om daarmee aan het kind bijvoorbeeld een lening te verstrekken voor de eigen woning met lage netto-rentelasten (en soms ook lage netto-aflossingen), maar dat betekent nog niet dat het bedrag waarop de familiebanklening ziet door de ouders aan het kind wordt overgeheveld.
an sichgeen sprake van vermogensoverheveling (zie het juridisch kader onder ii)) en dus ook geen sprake van verrijking van de schenker en verarming van de begiftigde zoals benodigd is bij een schenking (art. 7:175 lid 1 BW Pro), alsmede benodigd is bij een gift (art. 7:186 lid 2 BW Pro). Ook subonderdeel 1.5 slaagt.