Conclusie
Rabobank)
curatoren)
1.Feiten
arrest). [1]
Anchor) houdt 100% van de aandelen in Melamo B.V. (hierna:
Melamo) en Melamo Las- en Montagetechniek B.V. (hierna:
Melamo L&M).
bankvoorwaarden).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). Zij vorderden, kort gezegd: veroordeling van Rabobank om aan de boedel van Melamo te betalen een bedrag van € 254.750,12, te vermeerderen met wettelijke rente; en veroordeling van Rabobank in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
vonnis), [2] kort gezegd: Rabobank veroordeeld om aan de boedel van Melamo te betalen een bedrag van € 254.750,12, te vermeerderen met wettelijke rente; Rabobank veroordeeld in de kosten van eerste aanleg, te vermeerderen met wettelijke rente; en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [3]
hof).
5. De beoordeling in hoger beroep(…)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietvoorkomt dat zij subrogeert in de rechten van Rabobank. Het hof adresseert dit door Rabobank opgeworpen gezichtspunt (betreffende de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg van het beding), [14] dat valt buiten die grammaticale uitleg van het beding als geheel, door te overwegen dat genoemd gevolg “niet aan Melamo [kan] worden tegengeworpen” gezien “de formulering van het beding door Rabobank zelf, waaraan Melamo, zoals hiervoor overwogen [in rov. 5.5, A-G], part noch deel had”. Daarbij aantekenend dat de duidelijkheid van het beding te wensen overliet. Ik kan dit vervolg, gezien ook 3.5.3 hiervoor, niet anders verstaan dan inhoudend dat Rabobank geen beroep toekomt op genoemd gezichtspunt nu zij de enige opsteller was van het beding, waarvan de duidelijkheid te wensen overliet. Anders gezegd: door de idee van uitleg ‘contra proferentem’ [15] kan dit gezichtspunt, wat daarvan verder zij, geen rol spelen. Aldus passeert het hof dit gezichtspunt zonder het mee te wegen, in het verlengde van hetgeen het overweegt in rov. 5.5 (waar het de uitleg naar objectieve maatstaven qua bereik al zodanig vernauwt dat dit te onderscheiden gezichtspunt erbuiten valt, zie specifiek onder 3.5.2 sub c-g hiervoor).
subonderdeel 2.2strandt. Ik licht dit toe.
wegingsfactordie, samen met onder meer de andere relevante gezichtspunten, een rol speelt bij de uitleg; het is niet een harde regel. [25] In de door het hof gevolgde benadering speelt dit idee echter een wezenlijk andere rol. Daarin fungeert dit idee niet als gezichtspunt naast onder meer het gezichtspunt van de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg van het beding, maar leidt het ertoe dat laatstgenoemd gezichtspunt als ingeroepen door Rabobank, wat daarvan verder zij, geen rol kan spelen. Aldus passeert het hof laatstgenoemd gezichtspunt zonder dit mee te wegen, niettegenstaande het gemotiveerde beroep daarop van Rabobank.
JOR-annotatie onder het vonnis: [37]
Uitsluiting van (regres en) subrogatie.Van de hiervoor genoemde beschikkingshandelingen moet worden onderscheiden de contractuele uitsluiting van regres of subrogatie. Art. 6:10 en Pro 6:12 BW zijn van regelend recht, zodat daarvan bij rechtshandeling kan worden afgeweken (zie o.m. Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1208; W. Snijders, in:
Quid Licet (Kleijn-bundel)1992, p. 387; T.H.D. Struycken & W.M.T. Keukens, in:
De Curator en het Concern(INSOLAD Jaarboek) 2017/5.1.1 (p. 200-201) en C.H.A. van Oostrum,
Regres bij concernfinanciering(diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2019/5.5.2). Met een dergelijke afspraak voorkómen partijen dat in het vermogen van een hoofdelijk schuldenaar een wettelijke verhaalsvordering ontstaat. Om die reden heeft een uitsluiting van regres of subrogatie ook werking indien de verhaalsvordering pas tijdens insolventie ontstaat, omdat dan niet wordt beschikt over een tot de boedel behorend goed, welke beschikking door art. 23 en Pro/of 35 lid 2 Fw wordt getroffen (vgl. W. Snijders, a.w., p. 387). Wel kan in geval van schuldeisersbenadeling uiteraard zo nodig een beroep worden gedaan op de actio Pauliana of onrechtmatige daad. (…)
Misverstanden in de literatuur.Bij een enkeling bestaat het misverstand dat uitsluiting van subrogatie niet mogelijk zou zijn, omdat het gaat om een wettelijk rechtsgevolg (zie E. Loesberg, FIP 2010, p. 73 en R.M. Wibier,
Overgang van vorderingen en schulden en afstand van vorderingen(Mon. BW. nr. B44) 2020/36). De kern van regelend recht is echter nu juist dat daarvan contractueel kan worden afgeweken. Een ander hardnekkig misverstand is dat uit de parlementaire geschiedenis zou blijken dat contractuele uitsluiting niet mogelijk zou zijn omdat een vordering niet “
onvatbaar” voor subrogatie kan worden gemaakt. Een bestaande of toekomstige vordering kan inderdaad niet contractueel onvatbaar worden gemaakt voor overgang krachtens subrogatie door wie dan ook (zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 119 en 558). De achtergrond hiervan is dat partijen dan de rechtspositie van een mogelijk subrogerende derde negatief zouden kunnen beïnvloeden, zonder diens instemming. Daarvan moet worden onderscheiden de afspraak met zo’n derde dat het rechtsgevolg subrogatie
jegens hemniet intreedt, zoals het geval is bij uitsluiting van subrogatie door een hoofdelijk schuldenaar op grond van een beding met zijn schuldeiser (zie Struycken & Keukens, in:
De Curator en het Concern2017/2.1.1 (p. 201, voetnoot 7, en N.B. Pannevis,
Achtergestelde vorderingen(diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2019/367). Ook voor schadevergoedingsvorderingen uit hoofde van art. 6:74 of Pro 6:162 BW geldt dat zij niet door middel van een partijbeding principieel onvatbaar worden gemaakt voor subrogatie (bijv. door een verzekeraar), maar dat het wel mogelijk is om door middel van een exoneratiebeding te voorkomen dat een dergelijke vordering ontstaat.
(…)
8.
Overweging ten overvloede.De rechtbank volstaat in haar vonnis niet met het oordeel dat subrogatie niet was uitgesloten, maar wijdt ook enkele overwegingen aan de principiële mogelijkheid van een dergelijke uitsluiting (r.o. 4.14 e.v.). Zij doet dat omdat de literatuur over dit onderwerp volgens haar verdeeld is (r.o. 4.14) en zij citeert vervolgens ruimschoots uit de passages uit de parlementaire geschiedenis waarop de verdeeldheid zou zijn terug te voeren (r.o. 4.15-4.17). Die citaten zijn ongelukkig, omdat zij geen betrekking hebben op de uitsluiting van subrogatie tussen partijen. Zij gaan enerzijds over de vraag of een vordering principieel onvatbaar kan worden gemaakt voor overgang krachtens subrogatie (r.o. 4.15) en anderzijds over de vraag of door middel van afspraken over draagplichtverdeling invloed kan worden uitgeoefend op de verhoudingen tussen hoofdelijk schuldenaren (r.o. 4.16). Er bestaat in de literatuur geen discussie over het antwoord op de eerste vraag (antwoord: nee) en evenmin over het antwoord op de tweede vraag (antwoord: ja; HR 13 juli 2012, «JOR» 2012/306, m.nt. Bergervoet
( […] /JVS Beheer), r.o. 6.2). De rechtbank had zich dan ook beter kunnen richten op de vraag of art. 6:12 BW Pro een regel van regelend recht is. Ook over het antwoord op die vraag bestaat bij mijn weten geen discussie in de literatuur. Mij zijn in ieder geval geen auteurs bekend die met kracht van argumenten betogen dat art. 6:12 BW Pro een regel van dwingend recht zou zijn.” [38]