Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De zaak en het onderwerp van cassatie
3.Het eerste middel
De bevoegde autoriteit
bevoegde autoriteitom te beslissen op een overleveringsverzoek, de uitvoerende rechterlijke autoriteit. In de preambule van het Kaderbesluit valt onder 8 ook te lezen dat ‘
beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel pas genomen [mogen worden] na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd’.
Oberstaatsanwältinmevrouw dr. Wullkopf ingestemd met de overlevering van [verdachte] . Dit blijkt uit haar fax d.d. 6 maart 2018 aan officier van justitie mr. J. Schreurs. De vertaling van
Oberstaatsanwältinis hoofdofficier van justitie.
de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Ik stel mij op het standpunt dat de
Oberstaatsanwältinniet onder dit begrip valt. Ik licht dit toe.
OG & PIoordeelde het Hof van Justitie (HvJ) dat het Duitse openbaar ministerie niet kan worden aangemerkt als
rechterlijke autoriteitin de zin van artikel 6 lid 1 van Pro het KEAB. Het HvJ kwam tot dit oordeel aangezien ‘openbare ministeries het risico lopen dat zij worden beïnvloed door de uitvoerende macht bij een beslissing om een EAB uit te vaardigen, zij niet beantwoorden aan de eis van onafhankelijkheid’.
Oberstaatsanwältin,mevrouw dr. Wullkopf, niet bevoegd was om op het overleveringsverzoek te beslissen. Ook dit dient, naar het oordeel van de verdediging, tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden. Ik verzoek uw rechtbank dan ook hiertoe over te gaan.”
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
OG en PIvan 27 mei 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder HvJ EU) gegeven betekenis van het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ als bedoeld in art. 6 lid 1 Kaderbesluit Pro 2002/584/JBZ [3] ook moet worden toegepast op zaken die vóór die uitspraken zijn aangevangen. Daartoe wordt – onder verwijzing naar een arrest van het HvJ EU [4] – aangevoerd dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat een uitleg die het Hof geeft aan een begrip in een Kaderbesluit wordt geacht te gelden vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding daarvan. Daarom wordt gesteld dat ook in deze zaken, die dateren van vóór de uitspraken
OG en PI, het EAB van 26 februari 2018 niet door de officier van justitie had mogen worden uitgevaardigd. Hetzelfde wordt betoogd ten aanzien van de Duitse officier van justitie als uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van art. 6 lid 2 Kaderbesluit Pro 2002/584/JBZ. Daarbij wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat een toetsing van het overleveringsverzoek heeft plaatsgevonden door een Duitse rechter, feitelijk onjuist is omdat deze rechter enkel heeft beslist dat de verdachte vast kon worden gehouden en niet dat zij de overlevering toelaatbaar achtte. De conclusie die hieraan volgens de steller van het middel moet worden verbonden is dat sprake is van “twee alternatieve en onherstelbare vormverzuimen op grond waarvan voor ieder verzuim afzonderlijk, doch zeker in samenhang met elkaar, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard”.
Cen
PIvan 27 mei 2019 van het HvJ EU, waarin prejudiciële vragen van de Ierse Supreme Court en High Court zijn beantwoord. [5] Deze prejudiciële vragen hadden betrekking op de uitleg van het in art. 6 lid 1 van Pro het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel [6] gehanteerde begrip “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” als bevoegde autoriteit voor het uitvaardigen van Europese aanhoudingsbevelen. In de onderliggende zaken ging het om aanhoudingsbevelen afkomstig van openbaar ministeries in twee Duitse deelstaten. De Ierse gerechten stelden de vraag of de Duitse openbaar ministeries bevoegd waren tot het uitvaardigen van Europese aanhoudingsbevelen aangezien de Duitse ministers van Justitie aanwijzingen konden geven aan het openbaar ministerie. Het HvJ EU overweegt in zijn arresten dat de “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” als bedoeld in art. 6 lid 1 Kaderbesluit Pro in staat moet zijn haar taak objectief uit te oefenen door rekening te houden met alle belastende en ontlastende elementen, zonder daarbij het risico te lopen dat derden, met name de uitvoerende macht, haar beslissingsbevoegdheid aansturen of instructies kunnen geven, zodat het geen enkele twijfel lijdt dat het besluit tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel uitgaat van die autoriteit en niet van de uitvoerende macht. Uit de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof kan worden afgeleid dat de betreffende Duitse officieren van justitie niet beantwoorden aan de vereisten die gesteld worden aan een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van art. 6 lid 1 van Pro het Kaderbesluit. Deze uitspraken leidden niet alleen tot commotie in Duitsland, maar ook Nederland werd hierdoor overvallen, omdat in Nederland de positie van het openbaar ministerie vergelijkbaar is met die in Duitsland en sinds de inwerkingtreding van de Overleveringswet de officier van justitie in art. 44 Olw Pro was aangewezen als de justitiële autoriteit die een EAB kon uitvaardigen. [7] Daags na deze uitspraken is een spoedwet aangenomen en kort daarop is het gewijzigde art. 44 Olw Pro in werking getreden waarin is bepaald dat de rechter-commissaris de bevoegde uitvaardigende justitiële autoriteit in Nederland is. [8]
C en PIvan het HvJ EU zo moeten worden uitgelegd dat de uitleg die in deze arresten is gegeven aan de term ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ ook geldt ten aanzien van de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Volgens de raadsman moet dit gegeven eveneens leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
Staatsanwaltschaft(het openbaar ministerie) beslist of een select aantal facultatieve weigeringsgronden van toepassing is. Als wordt geoordeeld dat geen weigeringsgrond van toepassing is, wordt deze beslissing gemotiveerd voorgelegd aan het
Oberlandesgericht(de rechtbank) en door haar getoetst. [14] Uitzondering op deze procedure is het geval waarin de opgeëiste persoon op vordering van de
Staatsanwaltschaftten overstaan van een
Richter(rechter), na te zijn geïnformeerd over de daaraan verbonden rechtsgevolgen, kan instemmen met de vereenvoudigde overleveringsprocedure. De opgeëiste persoon doet hiermee afstand van bijvoorbeeld de bescherming van het specialiteitsbeginsel. [15] Als de opgeëiste persoon instemt met de verkorte procedure, beslist vervolgens de
Generaalstaatsanwaltschaft(het Landelijke openbaar ministerie) over de verdere tenuitvoerlegging. Een toetsing door het
Oberlandesgerichtvindt dan niet meer plaats. In beide procedures vindt de toetsing plaats door een rechterlijke autoriteit (de
Richterof het
Oberlandesgericht) en dat is ook in de onderhavige zaak het geval geweest, zoals het hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen.
4.Het tweede middel
verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging’ (onderstreping YM).
in de overtuiging, verkeerde, dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was'(onderstreping YM).
Bewijsoverwegingen
feitelijkedwaling en op verontschuldigbare
rechtsdwaling. [18] Verontschuldigbare feitelijke dwaling moet rechtens relevant zijn en heeft meestal betrekking op een bepaald bestanddeel van het ten laste gelegde feit. Bij misdrijven bestaat een beroep op feitelijke dwaling vaak uit een weerlegging van opzet of schuld ten aanzien van een bepaald bestanddeel. Voor een geslaagd beroep op rechtsdwaling moet sprake van zijn van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de verweten gedraging. [19] Anders gezegd: de verdachte wist niet en behoefde ook niet te weten dat zijn handelingen ongeoorloofd waren. Deze strafuitsluitingsgrond vormt een bijzondere uitzondering op het uitgangspunt dat men geacht wordt de wet te kennen, dat als keerzijde geldt van het legaliteitsbeginsel dat voorschrijft dat van te voren duidelijk moet worden vastgelegd wat strafbaar is. Bij een dergelijk beroep op afwezigheid van alle schuld, zal de verdachte aannemelijk moeten maken dat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een dergelijke onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde, dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was, bijvoorbeeld omdat de verdachte is afgegaan op adviezen of mededelingen van instanties of derden. Getoetst wordt dan “of het advies werd verstrekt door een persoon of instantie, aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen”. [20]