ECLI:NL:PHR:2023:656

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
23/00662
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 4 WrbArt. 6:96 BWArt. 241 RvArt. 242 RvArt. 12 lid 1 Wrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing buitengerechtelijke incassokosten in procedure eigen bijdrage Wet op de rechtsbijstand

Deze zaak betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet over de uitleg van de procedure op grond van art. 38 lid 4 Wet Pro op de rechtsbijstand (Wrb). De procedure maakt het mogelijk voor een rechtsbijstandverlener om de eigen bijdrage en overige kosten die een rechtzoekende verschuldigd is, door de rechter te laten vaststellen indien de rechtzoekende weigert te betalen.

De voorzieningenrechter in Limburg wees een verzoek af om naast de eigen bijdrage ook €40 aan buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen. De voorzieningenrechter oordeelde dat dergelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand. Tegen deze afwijzing werd cassatie in het belang der wet ingesteld.

De conclusie van de Procureur-Generaal bespreekt uitvoerig de wettelijke kaders omtrent buitengerechtelijke incassokosten, de systematiek van de Wrb, de wetsgeschiedenis van de Wrb en WROM, en de vereenvoudigde inningsprocedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro. De conclusie stelt dat buitengerechtelijke incassokosten als vermogensschade in principe vergoed kunnen worden en dat de afschaffing van een forfaitaire opslag in de Wrb niet betekent dat vergoeding uitgesloten is.

De conclusie weegt argumenten voor en tegen toewijzing af en komt tot de slotsom dat art. 38 lid 4 Wrb Pro redelijkerwijs zo moet worden uitgelegd dat ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten kan worden gevraagd. De Procureur-Generaal verzoekt de Hoge Raad de beschikking van de voorzieningenrechter te vernietigen voor zover het verzoek tot incassokosten is afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad wordt verzocht de afwijzing van buitengerechtelijke incassokosten in de procedure op grond van art. 38 lid 4 Wrb te vernietigen en te bevestigen dat dergelijke kosten toewijsbaar zijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00662
Zitting4 juli 2023
VORDERING TOT CASSATIE
IN HET BELANG DER WET
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
[verzoekster]
tegen
[verweerder]

1.Inleiding en aanpak

1.1
Deze zaak betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet over de procedure zoals bedoeld in art. 38 lid 4 Wet Pro op de rechtsbijstand (hierna: Wrb). Deze procedure biedt, kort gezegd, een rechtsbijstandverlener de mogelijkheid om de op grond van de Wrb verschuldigde eigen bijdrage en overige kosten nader te laten vaststellen door de rechter indien de rechtzoekende weigert te betalen.
1.2
Aanleiding voor de vordering is een beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 juni 2020 [1] (hierna: de bestreden beschikking). In die procedure heeft [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ), nadat zij op toevoeging rechtsbijstand had verleend aan [verweerder] (hierna: [verweerder] ) en deze de eigen bijdrage vervolgens niet had voldaan, de voorzieningenrechter verzocht om (i) de eigen bijdrage nader vast te stellen op een bedrag van € 143,-- vermeerderd met de wettelijke rente en (ii) [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 40,-- aan incassokosten en tot betaling van de proceskosten.
1.3
De voorzieningenrechter heeft, voor zover hier van belang, de eigen bijdrage vastgesteld op € 143,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en het meer of anders verzochte afgewezen. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de incassokosten heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat mogelijke overige kosten niet op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Besluit vergoedingen rechtsbijstand) voor vergoeding in aanmerking komen. [2]
1.4
Naar aanleiding van de bestreden beschikking heeft de advocaat van [verzoekster] zich bij brief van 23 augustus 2022 gewend tot de Commissie cassatie in het belang der wet (hierna: de Commissie) en de Commissie erop gewezen dat de bestreden beschikking mogelijk een voor cassatie in het belang der wet geschikte uitspraak is. [3]
1.5
De Commissie heeft in haar advies naar aanleiding van het verzoek de volgende rechtsvraag geformuleerd:
“Kan in de verzoekschriftprocedure als bedoeld in art. 38 lid 4 Wrb Pro een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen met betrekking tot de door een rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage?”
1.6
De Commissie heeft daarbij overwogen dat, ook indien zou worden aangenomen dat appel en cassatieberoep mogelijk zijn van beschikkingen die op de voet van art. 38 lid 4 Wrb Pro worden gegeven, er weinig aanleiding bestaat te veronderstellen dat dergelijke zaken de Hoge Raad langs reguliere weg zullen bereiken. Naar de Commissie aanneemt, zal het steeds geringe financiële belang de sociale advocatuur weerhouden van de inzet van rechtsmiddelen. Het betreft echter, naar de Commissie aanneemt, een groot aantal zaken. De Commissie wijst er daarbij op dat in 2016 alleen al de rechtbank Utrecht 10-20 verzoeken per maand behandelde. [4]
1.7
Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad de aanbeveling gedaan om in het belang van de rechtsontwikkeling cassatieberoep in het belang der wet in te stellen.
De Procureur-Generaal heeft deze aanbeveling overgenomen.
1.8
In deze vordering staat de hiervoor onder 1.6 geformuleerde rechtsvraag centraal. In dat kader behandel ik achtereenvolgens:
- enkele aspecten van de buitengerechtelijke incassokosten (par. 2);
- de systematiek van de Wrb (par. 3), waaronder (i) toevoeging; reikwijdte en gang van zaken; (ii) eigen bijdrage en overige kosten die voor rekening van de rechtzoekende komen en (iii) mogelijkheden ter bevordering innen eigen bijdrage en overige kosten;
- de wetsgeschiedenis van de Wrb en de Wet op de Rechtsbijstand aan On- en Minvermogenden (par. 4);
- de vereenvoudigde inningsprocedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro (par. 5).
Par. 6 bevat mijn bevindingen en slotsom, waarna in par. 7 het cassatiemiddel en de vordering zijn geformuleerd.

2.Buitengerechtelijke incassokosten

2.1
Redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking (art. 6:96 lid 2 onder Pro c BW). Er bestaan, voor zover van belang, twee stelsels voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten [5] :
(i) het basisstelsel dat vastligt in art. 6:96 lid 2 en Pro 3 BW en in art. 241-242 Rv;
(ii) het stelsel van forfaitaire kosten van art. 6:96 leden Pro 5 tot en met 7 BW, art. 241 slotzin Pro Rv en art. 242 lid 2 Rv Pro. Dit tweede stelsel geldt voor de gevallen genoemd in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten [6] (hierna: het Besluit BIK).
2.2
Het basisstelsel houdt kort gezegd in dat een vordering tot buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking komt als wordt voldaan aan een dubbele redelijkheidstoets. Zowel het maken van de kosten als de omvang ervan dient redelijk te zijn. Wat redelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarnaast gaat de aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten verloren als het tot een procedure komt, namelijk voor zover de vergoeding geacht wordt besloten te liggen in de (toegewezen) proceskostenveroordeling op grond van art. 237 Rv Pro e.v.
De kosten van een ingebrekestelling zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassokosten die verloren gaan als het tot een procedure komt. [7]
2.3
Het tweede stelsel voorziet in een forfaitaire kostenvergoeding op basis van het Besluit BIK ter zake van incassowerk. Daarbij is aansluiting gezocht bij de hoogte van de hoofdsom en niet bij het aantal incassohandelingen. [8] De in het Besluit BIK neergelegde normering van de vergoeding voor incassokosten, leent zich met name voor de gevallen waarin de omvang van de te innen vordering (de hoofdsom) gemakkelijk is vast te stellen, zoals bijvoorbeeld in geval van een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom, waarvan de omvang van de geldsom in de overeenkomst is vastgesteld, dan wel daaruit eenvoudig valt af te leiden. [9] Indien de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen heeft verricht waartoe hij in redelijkheid kon overgaan, is de schuldenaar de volgens het Besluit BIK genormeerde vergoeding verschuldigd ongeacht de aard en omvang van de verrichte incassohandelingen. Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar is voorgeschreven dat de schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW Pro). De consument krijgt na de waarschuwing in voornoemde brief nog veertien dagen de gelegenheid het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden. [10]

3.Systematiek Wet op de rechtsbijstand

3.1
De Wrb is op 1 januari 1994 [11] in werking getreden en is de vervanger van de Wet op de Rechtsbijstand aan On- en Minvermogenden (hierna: WROM) en de in 1983 tot stand gekomen Wet tijdelijke voorzieningen rechtsbijstand, evenals enkele bepalingen uit de Advocatenwet en het Wetboek van Strafvordering. De Wrb strekt ertoe een structurele regeling te bieden voor de verlening van rechtsbijstand aan hen die daarvoor zelf niet over voldoende financiële middelen beschikken in zowel civiele en bestuursrechtelijke zaken als in strafzaken. [12]
3.2
In de memorie van toelichting worden vier specifieke doelstellingen van het wetsvoorstel genoemd: (i) een aanspraak bieden op door de overheid betaalde rechtsbijstand voor degenen die zelf over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in de verlening van de rechtsbijstand, (ii) het voorzien in een voldoende aanbod van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, (iii) budgettaire beheersing van het voorziene stelsel van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand en (iv) een modernisering van de bestuurlijke organisatie. [13]
3.3
De systematiek van de Wrb is op hoofdlijnen, en voor zover voor deze vordering van belang, als volgt.
(i) toevoeging; reikwijdte en gang van zaken
3.4
Rechtsbijstand wordt uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in art. 34 Wrb Pro genoemde bedragen niet overschrijdt (art. 12 lid 1 Wrb Pro). Art. 12 lid 2 Wrb Pro bevat vervolgens een limitatieve opsomming van gevallen waarin geen rechtsbijstand wordt verleend.
3.5
Een rechtsbijstandverlener dient mede namens de rechtzoekende een aanvraag om een toevoeging in bij een vestiging van de raad voor de rechtsbijstand in het ressort waar de rechtsbijstandverlener kantoor houdt. De aanvraag wordt mede namens de rechtzoekende, ondertekend door de rechtsbijstandverlener (art. 24 lid 2 Wrb Pro).
3.6
Het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand (hierna: het bestuur) beslist vervolgens op de aanvraag (art. 24 lid 1 Wrb Pro). De rechtsbijstandverlener kan slechts met instemming van het bestuur de toevoeging weigeren. Zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, is de rechtsbijstandverlener verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen (art. 24 lid 4 Wrb Pro). Het besluit tot toevoeging vermeldt een omschrijving van het rechtsbelang ter zake waarvan de toevoeging is verleend en het vermeldt tevens het bedrag van de eigen bijdrage die op de voet van het bepaalde in art. 35 Wrb Pro is verschuldigd (art. 24 lid 5 Wrb Pro).
3.7
Een verleende toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend, en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen (art. 32 Wrb Pro).
(ii) eigen bijdrage en overige kosten die voor rekening van de rechtzoekende komen
3.8
Tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald, is de rechtzoekende een eigen bijdrage verschuldigd voor de verlening van rechtsbijstand. De regels omtrent de eigen bijdrage, alsmede de hoogte ervan, worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld (art. 35 lid 1 en Pro 2 Wrb). Dit is het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand.
3.9
De rechtsbijstandverlener ontvangt van het bestuur een subsidie, genoemd vergoeding, voor onder andere de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand (art. 37 lid 1 onder Pro a Wrb). De voor de rechtzoekende vastgestelde eigen bijdrage wordt op de in het eerste lid bedoelde vergoeding in mindering gebracht (art. 37 lid 3 Wrb Pro).
3.1
Naast de eigen bijdrage dient de rechtzoekende de kosten aan de rechtsbijstandverlener te betalen, die meer in het bijzonder ten behoeve van zijn zaak zijn gemaakt (art. 38 lid 1 in Pro verbinding met art. 41 lid 1 Wrb Pro). In art. 4 lid 2 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand is limitatief opgesomd welke kosten in die categorie vallen:
“2 De rechtsbijstandverlener mag voorts aan de rechtzoekende geen andere kosten in rekening brengen dan die ter zake van:
a. griffierechten;
b. getuigen en deskundigen;
c. uittreksels uit de openbare registers;
d. telegrammen, internationale telex, internationale telefax en internationale telefoongesprekken; e. rolverrichtingen in zaken die door de kantonrechter van de rechtbank worden behandeld.”
In de nota van toelichting van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand is opgemerkt dat hiermee wordt beoogd de kosten te beperken waarmee rechtzoekenden in aanvulling op de eigen bijdrage kunnen worden geconfronteerd. [14]
(iii) mogelijkheden ter bevordering innen eigen bijdrage en overige kosten
3.11
Een rechtsbijstandverlener heeft verschillende mogelijkheden om zich te verzekeren van de ontvangst van de eigen bijdrage en de overige kosten. Zo bepaalt art. 38 lid 3 Wrb Pro in de tweede volzin dat de rechtsbijstandverlener “ter verzekering van de inning van de eigen bijdrage en de overige aan de zaak verbonden kosten die voor rekening van de rechtzoekende komen”, kan verlangen dat de rechtzoekende een voorschot betaalt.
3.12
Indien de rechtzoekende in gebreke blijft de door hem verschuldigde eigen bijdrage en overige kosten die voor zijn rekening komen, dan wel een hem daarop gevraagd voorschot, te voldoen, kan in de tweede plaats de toevoeging door het bestuur worden gewijzigd, beëindigd of ingetrokken (art. 33 lid 1 onder Pro c Wrb). De toegevoegde rechtsbijstandverlener kan zich na beëindiging of intrekking van de toevoeging aan de zaak onttrekken (art. 33 lid 2 Wrb Pro).
3.13
Blijkens de zgn. werkinstructies in de kenniswijzer van de raad voor rechtsbijstand moet een verzoek tot tussentijdse beëindiging tijdig worden gedaan en dat is binnen drie maanden na oplegging van de eigen bijdrage én voordat de rechtsbijstand is geëindigd. [15] Bij een dergelijk verzoek toetst de raad of de advocaat voldoende inspanningen heeft verricht om de eigen bijdrage te innen. Daarvan is sprake als de advocaat kan aantonen minimaal twee keer te hebben aangemaand met ingebrekestelling en incasso-aanzegging. [16]
3.14
In de derde plaats biedt het vierde lid van art. 38 Wrb Pro een inningsmogelijkheid. Daarin is bepaald dat indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde eigen bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, het bedrag daarvan nader wordt vastgesteld door de president van de rechtbank van het arrondissement waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd (hierna aangeduid als de vereenvoudigde inningsprocedure).
3.15
De achtergrond van deze inningsmogelijkheden blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wrb en de WROM.

4.Wetsgeschiedenis WROM en Wrb

WROM
4.1
De WROM bevatte in art. 25 lid 1 onder Pro b een wettelijke grondslag om inningskosten van de eigen bijdrage in rekening te brengen bij de rechtzoekende. In genoemd artikellid was bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de vaststelling van de bedragen welke toegevoegde advocaten, procureurs en gerechtsdeurwaarders, alsmede de leden van het bureau voor consultatie ontvangen: a. als vergoeding voor de door hen verleende rechtsbijstand; en b. als vergoeding voor de kosten van de inning van de krachtens de artikel 24, eerste lid, aan hen verschuldigde bijdragen.
Dit voorschrift werd geïntroduceerd in het wetsvoorstel Wijziging van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden en van enkele artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij niet alleen tevens in de art. 24 en Pro 25a WROM een eigen bijdrage voor een deel van de onder de WROM vallende rechtzoekenden werd ingevoerd, maar ook verschillende inningsmogelijkheden. [17]
4.2
Het doel van de verschillende mogelijkheden tot (bevordering van de) inning van de eigen bijdrage en de kosten, alsmede de grondslag van de aanspraak op een incassovergoeding zijn tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede en Eerste Kamer als volgt toegelicht:
Memorie van toelichting [18] :
“(…) Het is redelijk dat de toegevoegde raadsman, in de gevallen waarin hem een cliënt tegen verminderd tarief wordt toegevoegd, een vergoeding ontvangt voor de kosten en risico's van de inning van de eigen bijdrage. Daarvoor wordt in het voorgestelde artikel 25, eerste lid, onder b, een uitdrukkelijke wettelijke grondslag gegeven. Om, voorts, de kwade kansen voor de raadsman zoveel mogelijk te beperken, zijn hem in de voorgestelde artikelen 24, tweede en derde lid en 25a, nadere middelen gegeven om zich te verzekeren van de hem toekomende bijdrage. Het ligt in de rede dat over de in artikel 25, eerste lid, bedoelde regelingen voor de vergoedingen overleg wordt gepleegd met de organisaties van de betrokken rechtshulpverleners.
(…)
Zoals hierboven onder 3 reeds is opgemerkt, heeft de raadsman behoefte aan een eenvoudige regeling voor de invordering van de hem verschuldigde bijdragen. Het voorgestelde artikel 25a beoogt hem die te verschaffen.
Indien de hem toegevoegde rechtzoekende in gebreke blijft, kan de raadsman de president van de rechtbank in zijn arrondissement verzoeken het bedrag daarvan vast te stellen, volgens de procedure voorzien in de artikelen 34 e.v. van de Wet tarieven in burgerlijke zaken. [19] Zo wordt aansluiting gezocht bij een bekende regeling, waarvan de praktische toepassing geen problemen hoeft op te leveren.”
Nota naar aanleiding van het verslag [20] :
“De leden van de fractie van de P.v.d.A merken met recht op dat belangrijke wetgeving vaak te lang onderweg is. Het valt de wetgever dan soms moeilijk adequaat te reageren op zich voordoende knelpunten. Het belang van goed overleg en een grondige advisering mag zeker niet worden onderschat. Wanneer de omstandigheden tot spoed dwingen, zal de intensiteit van het overleg de krappere tijdsruimte daarvoor moeten kunnen compenseren. Daarnaar is ook bij de voorbereiding van dit wetsontwerp gestreefd. De tijdsdruk ten spijt, is tot tweemaal toe overleg gepleegd met een vertegenwoordiging van de Nederlandse Orde van Advocaten. Zoveel mogelijk is met de van die zijde geuite verlangens rekening gehouden. Het wetsontwerp draagt daarvan op menig onderdeel de sporen:
- de toegevoegde raadsman krijgt de bevoegdheid om van de verzoeker een voorschot op diens bijdrage te verlangen (artikel 24, tweede lid);
- hij krijgt de mogelijkheid om, indien de verzoeker het van hem verlangde voorschot niet of niet tijdig voldoet, beëindiging van de toevoeging te verlangen (artikel 24, derde lid);
- de wijze van inning van de eigen bijdrage is nog opengelaten (artikel 24a);
- de toegevoegde raadsman zal voor de kosten en het risico van de inning van de bijdrage een vergoeding ontvangen (artikel 25, eerste lid, onder b);
- er komt een bijzondere regeling van de vergoedingen voor verleende rechtsbijstand in gevallen waarin de gratis-admissierechter naderhand tot een andere beslissing komt dan het bureau van consultatie (artikel 25, derde lid);
- de inning van de bijdrage is sterk vereenvoudigd (artikel 25a).”
Memorie van antwoord Eerste Kamer [21] :
“2.2.3. De inning van de eigen bijdrage
De leden van de C.D.A.-, P.v.d.A.- en de V.V.D.-fractie vragen een nadere toelichting op de in dit wetsontwerp geregelde inning van de eigen bijdrage door de toegevoegde advocaat. In de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer (blz. 5 en 6) is op deze kwestie reeds uitvoerig ingegaan. De daar aangevoerde argumenten - ik acht ze nog steeds doorslaggevend - zijn als volgt samen te vatten:
- De invoering van een stelsel van eigen bijdragen in de gefinancierde rechtshulp heeft alleen zin, indien voldoende vaststaat dat de bijdrage ook metterdaad - zonder veel perceptiekosten - wordt geïnd.
- De organisatie van de bureaus voor rechtshulp is niet opgewassen tegen de administratieve last van de verwerking van de inning.
(…)
De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen mijn oordeel over de wijze waarop de toegevoegde advocaat de eigen bijdrage moet innen. Dat laat ik graag aan zijn oordeel en inzicht over. Hier wil ik volstaan met erop te wijzen dat het wetsontwerp de met beleid handelende advocaat voldoende mogelijkheden biedt om de eigen bijdrage van de cliënt zonder veel problemen te innen (vgl. artikel 24, tweede en derde lid). De incassovergoeding (artikel 25, eerste lid, onder b) en het vereenvoudigde verhaal (artikel 25a) complementeren de in artikel 24, tweede en derde lid, gegeven inningsmogelijkheden voldoende. De voorliggende regeling kan daarom, naar het mij voorkomt, niet als onbillijk worden beoordeeld.”
4.3
Samengevat is als grondslag voor vergoeding van de kosten en risico’s van de inning van de eigen bijdrage in de kamerstukken genoemd dat een dergelijke vergoeding redelijk/niet onbillijk is en tegemoet komt aan de behoefte van de raadsman aan een eenvoudige regeling voor de invordering.
4.4
De vergoeding voor de kosten en risico's van de inning van de eigen bijdrage is vervolgens in het Besluit van 22 mei 1981 [22] opgenomen als een opslag op de vergoeding. Het desbetreffende artikel 4a lid 4 is als volgt verwoord en toegelicht [23] :
“4. Indien de verzoeker krachtens artikel 24, eerste lid van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden een eigen bijdrage is verschuldigd, worden de krachtens dit hoofdstuk vast te stellen vergoedingen verhoogd met f 10,-.”
“F; artikel 4a, vierde lid
Op basis van het nieuwe artikel 25, eerste lid onder b, van de Wet ontvangt de raadsman een vergoeding voor de kosten van de inning van de aan hem verschuldigde bijdragen. Daarvoor is een opslag voorzien op de vergoeding in al die gevallen waarin een eigen bijdrage is opgelegd. De praktijk zal moeten uitwijzen hoe vaak een opgelegde bijdrage daadwerkelijk oninbaar zal blijken te zijn.”
4.5
Deze opslag is bijna twee jaar later weer afgeschaft in het Besluit vergoedingen kosteloze rechtsbijstand van 13 april 1983 [24] . In de bijbehorende Nota van toelichting is daarover het volgende vermeld [25] :
“Artikel 29.
(…) In het oude besluit komt nog de bepaling voor dat indien de verzoeker een eigen bijdrage is verschuldigd, de vergoeding verhoogd wordt met f 10,-. Bij de introductie van een geheel nieuw systeem van eigen bijdragen, in juni 1981, werd een dergelijke tegemoetkoming in een mogelijk zich voordoend inningsrisico, wenselijk geacht. Nu in de praktijk weinig van inningsproblemen is gebleken, en bovendien ingevolge het ontwerp van de Wet tijdelijke voorzieningen rechtsbijstand het opleggen van een eigen bijdrage regel in plaats van uitzondering zal worden, lijkt er geen aanleiding meer te zijn om de bijzondere bepaling van het oude artikel 4e [bedoeld zal zijn: 4a, A-G] te handhaven.”
4.6
De verwijzing in bovengenoemd citaat naar de introductie van een geheel nieuw systeem van eigen bijdragen in juni 1981 ziet op de Wet tijdelijke voorzieningen rechtsbijstand, waarbij een algemeen stelsel van eigen bijdragen werd ingevoerd. [26] Art. 25 WROM Pro is in deze wet niet aangepast. Ook de grondslag voor de, afgeschafte, opslag in een algemene maatregel van bestuur bleef gewoon gehandhaafd in art. 25 lid 1 onder Pro b WROM.
Wrb
4.7
Art. 25 lid 1 onder Pro b WROM is vervolgens tijdens de parlementaire behandeling van het oorspronkelijke wetsvoorstel [27] van de Wrb een “obsolete bepaling” genoemd en feitelijk geschrapt. De typering obsoleet werd gebruikt in het antwoord op de volgende vragen van leden van de fracties van D66, SGP en PvdA [28] :
“Artikel 38
(…)
De leden van de fractie van D66 waren van oordeel, dat de bestaande bepalingen die tegemoet komen aan het ondervangen van het incassorisico bij de inning van eigen bijdragen, alsnog zouden moeten worden toegevoegd. (…)
Met betrekking tot het tweede lid vroegen [de leden van de SGP-fractie] of de thans in de WROM opgenomen regelingen ter beperking van het incassorisico niet materieel gehandhaafd zouden dienen te blijven. (…)
In het kader van dit artikel heeft de Nederlandse Orde van Advocaten naar voren gebracht dat een aantal regelingen in de huidige Wet Rechtsbijstand aan on– en minvermogenden, te weten de mogelijkheid van een vergoeding voor de incassokosten (artikel 25 eerste Pro lid sub b WROM) en een vereenvoudigde inningsprocedure bij de president van de Arrondissementsrechtbank (artikel 25a WROM), zonder enige toelichting zijn geschrapt, zo stelden de leden van de PvdA-fractie. De leden van de fractie van de PvdA verzochten de minister en de staatssecretaris alsnog deze toelichting te geven.”
4.8
Hierop werd als volgt geantwoord [29] :
“(…) De in het eerste lid, onder b, van artikel 25 van Pro de WROM bedoelde vergoeding voor de incassokosten is een obsolete bepaling geworden, die wij dan ook niet over willen nemen. Ten tijde van de invoering van de eigen bijdragen is, op verzoek van de Orde van Advocaten, deze mogelijkheid geschapen. Aanvankelijk werd voor dit doel inderdaad een opslag van f 10 op elke toevoeging gelegd. Hieraan kwam al snel weer een einde, namelijk toen de algemene voorschotregeling voor toegevoegde advocaten sterk werd verbeterd. Ook het wetsvoorstel voorziet in zo'n voorschotregeling. Het zou dan dubbelop zijn, weer een afzonderlijke vergoeding voor de incassokosten mogelijk te maken. (…)”
4.9
Het door de minister genoemde argument om de opslag van f 10 te schrappen vanwege de sterk verbeterde voorschotregeling is nieuw.
4.1
De (overige) inningsmogelijkheden van de WROM zijn wel overgenomen in de Wrb. Van de bedoeling van de verschillende mogelijkheden ter (bevordering van de) inning van de eigen bijdrage en de kosten en de grondslag van de incassovergoeding (zie het citaat uit de memorie van toelichting onder 4.2 en de samenvatting daarvan onder 4.3) is in latere wetgeving geen afstand genomen. Slechts de opslag voor kosten van de inning heeft enkele jaren bestaan en is nadrukkelijk door de wetgever niet meer geherintroduceerd.

5.De vereenvoudigde inningsprocedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro

5.1
Art. 38 lid 4 Wrb Pro luidt thans als volgt:
“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoedingen voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag daarvan nader vastgesteld door de president van de rechtbank van het arrondissement waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd.”
5.2
De uitleg van de procedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro is onderwerp geweest van een prejudiciële beslissing van 8 juli 2016. [30] De reden om een prejudiciële vraag daarover aan de Hoge Raad te stellen, was het vervallen van de laatste volzin in art. 38 lid 4 Wrb Pro waarin was bepaald dat de artikelen 34 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing waren. [31] In de praktijk was hierdoor onduidelijkheid ontstaan of een procedure op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro moest worden ingeleid met een dagvaarding of een verzoekschrift.
5.3
De Hoge Raad overwoog als volgt:
“3.3.4 In de Wet positie en toezicht advocatuur is de in art. 38 lid 4 Wrb Pro geregelde bevoegdheid van de president om de eigen bijdrage en de overige kosten van rechtsbijstand vast te stellen, gehandhaafd. De prejudiciële vraag stelt aan de orde of het vervallen van de toepasselijk verklaring van de procedureregels van de art. 34-40 Wtbz tot gevolg heeft dat de vaststelling door de president niet meer op verzoek en bij voor executie vatbare beschikking kan plaatsvinden, maar dat daartoe een dagvaardingsprocedure moet worden gevolgd. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.
3.3.5
Op grond van art. 261 lid 2 Rv Pro worden die zaken met een verzoekschrift ingeleid, ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Als uit de wet niet kan worden afgeleid op welke wijze een procedure aanhangig moet worden gemaakt, moet dit bij dagvaarding gebeuren. Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3.3 aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis van de in art. 38 lid 4 Wrb Pro overgenomen regeling uit de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden blijkt dat de wetgever de rechtsbijstandverlener een eenvoudige rechtsgang heeft willen bieden om zo nodig tot invordering van de hem, uit hoofde van de verlening van gefinancierde rechtsbijstand verschuldigde, eigen bijdrage en overige kosten te komen. Uit de gebruikte bewoordingen volgt dat de wetgever daarbij het oog heeft gehad op een verzoekschriftprocedure. Uit de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 vermelde wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet positie en toezicht advocatuur niet heeft onderkend dat schrapping van de verwijzing naar de art. 34-40 Wtbz procesrechtelijke gevolgen kon hebben voor procedures als de onderhavige. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat op dit punt geen wijziging is beoogd. Derhalve vloeit uit de wet voort dat de vaststelling van bedoelde eigen bijdrage en eigen kosten geschiedt in een verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv).
3.3.6
Het voorgaande betekent dat de vaststelling geschiedt bij beschikking. Op grond van art. 430 lid 1 Rv Pro is de grosse van die beschikking vatbaar voor tenuitvoerlegging. De omstandigheid dat de hiervoor in 3.3.1 vermelde tweede volzin van art. 38 lid 4 Wrb Pro is geschrapt, doet daaraan niet af.”
5.4
Het vaststellen van de eigen bijdrage en de overige kosten geschiedt dus op verzoek zoals bedoeld in de art. 261 e.v. Rv en een dergelijk verzoek leidt, bij toewijzing, tot een beschikking waarvan de grosse vatbaar is voor tenuitvoerlegging.
5.5
Terzijde merk ik op dat art. 38 lid 4 Wrb Pro als bevoegde rechter de president van de rechtbank van het arrondissement waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd noemt en dat de Hoge Raad in zijn beslissing met zoveel woorden naar de president van de rechtbank verwijst.
In het landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank handel/voorzieningenrechter wordt echter opgemerkt dat
de voorzieningenrechterde bevoegde rechter is voor verzoeken op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro. [32] Ook de bestreden beschikking betreft een beschikking van de voorzieningenrechter.
Op grond van de Wet organisatie en bestuur gerechten is, wegens de scheiding van de bestuurlijke taken en de rechterlijke taken van de president van de rechtbank, op veel plaatsen in de wet ‘de president’ vervangen door ‘de voorzieningenrechter’. [33] Ik vermoed dat art. 38 lid 4 Wrb Pro daarbij over het hoofd is gezien. M.i. moet een verzoek op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro bij de voorzieningenrechter worden ingediend.
Hoger beroep en cassatie?
5.6
Op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken was wel verzet mogelijk tegen een beslissing zoals bedoeld in art. 38 lid 4 Wrb Pro, maar stond geen hoger beroep of cassatie open. [34] De Hoge Raad heeft in de hiervoor onder 5.2 en 5.3 genoemde prejudiciële beslissing bepaald dat de art. 261 e.v. Rv van toepassing zijn op een verzoek op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro, maar heeft zich daarbij niet expliciet uitgelaten over de vraag of hoger beroep en cassatie mogelijk is. A-G Keus heeft in zijn conclusie opgemerkt dat na schrapping van de verwijzing naar de Wet tarieven in burgerlijke zaken (en na het vervallen van die wet) moet worden aanvaard dat de beschikking waarbij de eigen bijdrage en de overige kosten van rechtsbijstand worden vastgesteld, voor hoger beroep vatbaar is. [35]

6.Bevindingen en slotsom

6.1
Uit het voorgaande kan een aantal argumenten voor en tegen het toewijzen van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten met betrekking tot de door een rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage in de procedure als bedoeld in art. 38 lid 4 Wrb Pro worden ontleend.
Dat zijn m.i. de volgende.
Argumenten voor
6.2
Het eerste argument is dat de Wrb en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand het toewijzen van buitengerechtelijke incassokosten niet uitsluiten.
De uitsluiting van een vergoeding ‘voor het overige’ in art. 38 lid Pro 1, tweede volzin, Wrb ziet op een
kostenvergoeding, dus een vergoeding van gemaakte onkosten. Daarbij moet het gaan om kosten die ten behoeve van de zaak zijn gemaakt. In art. 4 lid 2 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand wordt limitatief opgesomd welke kosten dat zijn (zie hiervoor onder 3.10).
Daarvan moeten worden onderscheiden de kosten die een rechtsbijstandverlener maakt als gevolg van het feit dat een rechtzoekende de op hem van rechtswege rustende verplichting tot betaling van de eigen bijdrage niet nakomt. Dat zijn géén kosten die worden gemaakt ten behoeve van de zaak waarvoor rechtsbijstand is verleend, maar kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, die ingevolge art. 6:96 lid 2 onder Pro c BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen (zie par. 2). Vergoeding van
schadeaan de rechtsbijstandverlener door de rechtzoekende is dus in art. 38 lid 1 Wrb Pro en art. 4 lid 2 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand niet uitgesloten.
6.3
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter wel de wettelijke rente heeft toegewezen en dat betreft evenmin kosten ten behoeve van de zaak waarvoor rechtsbijstand is verleend als bedoeld in art. 38 lid 4 Wrb Pro en art. 4 Besluit Pro vergoedingen rechtsbijstand. Wettelijke rente is niets anders dan (vertragings)schade (art. 6:119 BW Pro). Er is dus geen reden om de buitengerechtelijke incassokosten anders te behandelen dan de wettelijke rente.
6.4
Het tweede argument kan worden ontleend aan de wetsgeschiedenis van de WROM. Daaruit blijkt dat destijds een wettelijke incassovergoeding werd geïntroduceerd op basis van de redelijkheid en billijkheid en omdat een vast bedrag als opslag werd gezien als tegemoetkomend aan de behoefte van de raadsman aan een eenvoudige regeling voor de invordering (zie hiervoor onder 4.2 t/m 4.4).
Laatstgenoemde grondslag voor de aanspraak op een incassovergoeding (waarvan de wetgever geen afstand heeft genomen, zie hiervoor onder 4.10), geldt m.i. nog steeds. Het alternatief is immers een aparte procedure van de advocaat tegen de (voormalige) eigen cliënt.
6.5
Kanttekening hierbij is wel dat de wetgever de opslag als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten naderhand welbewust heeft afgeschaft. De reden daarvan was evenwel niet omdat de wetgever meende dat de rechtsbijstandverlener geen aanspraak mag maken op een incassovergoeding, maar omdat een wettelijke regeling daarover dubbelop zou zijn vanwege de voorschotregeling (zie onder 4.9). Daarom is de afschaffing van de opslag m.i. geen beletsel om aan de wetsgeschiedenis toch een argument voor te ontlenen. De incassovergoeding onder de WROM was een forfaitaire vergoeding die de rechtzoekende hoe dan ook was verschuldigd, ook als hij de eigen bijdrage (op tijd) betaalde. Aan een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten op grond van art. 6:96 BW Pro wordt pas toegekomen als de rechtzoekende niet (tijdig) betaalt. Hoewel de benamingen van de vergoedingen anders doen vermoeden, gaat het dus om wezenlijk andere vergoedingen.
Argumenten tegen
6.6
Het belangrijkste argument tegen het toewijzen van een verzoek van vergoeding tot buitengerechtelijke incassokosten is dat hiermee de vereenvoudigde inningsprocedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro wordt opgerekt. De procedure is immers door de wetgever oorspronkelijk bedoeld om relatief snel en makkelijk een executoriale titel te verkrijgen voor de eigen bijdrage en overige in de wet genoemde kosten. Dit verklaart waarom destijds de procedureregels van de begrotingsprocedure in de Wet tarieven burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing werden verklaard.
6.7
Een ander tegenargument zou kunnen worden gevonden in het feit dat de procedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro onderdeel vormt van een groter pakket aan inningsmogelijkheden die de wetgever de rechtsbijstandverlener biedt om de eigen bijdrage zonder veel problemen te innen. De rechtsbijstandverlener kan op voorhand een voorschot vragen en bij het uitblijven van het betalen van een voorschot de raad voor de rechtsbijstand verzoeken dat de toevoeging wordt ingetrokken of beëindigd waardoor de rechtsbijstandverlener zich ook kan onttrekken. Een rechtsbijstandverlener heeft dus anders dan een ‘reguliere’ schuldeiser op grond van de wet mogelijkheden om te voorkomen dat er buitengerechtelijke incassokosten gemaakt moeten worden.
De vraag is wel of dit niet louter theoretische inningsmogelijkheden zijn. Een voorschot kan, zeker in toevoegingszaken, een afschrikwekkende werking hebben en intrekking/weigering van een toevoeging kan (bijvoorbeeld indien een termijn aan de orde is) zeer ingrijpend zijn.
Slotsom
6.8
M.i. zijn de argumenten voor sterker dan de argumenten tegen. Dat pleit ervoor dat art. 38 lid 4 Wrb Pro in verbinding met art. 4 lid 2 Besluit Pro vergoedingen rechtsbijstand redelijkerwijs zo wordt uitgelegd dat ook vaststelling kan worden gevraagd voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten als vermogensschade.

7.Cassatiemiddel en vordering

7.1
Het voorgaande leidt tot het volgende cassatiemiddel:
Schending van het recht doordat de voorzieningenrechter in rov. 2.4 van de beschikking van 8 juni 2020 heeft miskend dat vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder Pro c BW, niet wordt uitgesloten door art. 38 lid 4 Wrb Pro en art. 4 lid 2 Besluit Pro vergoedingen rechtsbijstand.
Vordering
7.2
Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg van 8 juni 2020 in het belang der wet zal vernietigen voor zover het verzoek tot betaling van € 40,-- aan incassokosten is afgewezen en voorts zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten die door betrokkenen zijn verkregen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zaaknummer: C/03/278405/ KG RK 20-338 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
2.Zie rov. 2.4 van de bestreden beschikking.
3.In deze brief is tevens meegedeeld dat tegen bedoelde uitspraak van de voorzieningenrechter geen rechtsmiddel is ingesteld en dat het bevelschrift in 2020 is geëxecuteerd.
4.Met verwijzing naar de uitspraak van de president in de zaak die leidde tot HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1514,
5.Zie de conclusie van A-G Wissink van 4 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:289, waarin hij onder 3.1-3.27 beide stelsels uitvoerig heeft beschreven en toegelicht met verdere verwijzingen. Zie voor een beschrijving van het tweede stelsel ook zijn conclusie van 23 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:938, onder 3.2.
6.Besluit van 27 maart 2012, houdende regels ter normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten),
7.Zie de conclusie van A-G Wissink van 4 april 2014 onder 3.4 en de daarbij behorende voetnoten.
8.Zie de nota van toelichting bij het Besluit BIK, p. 3 en p. 8 en de conclusie van A-G Wissink van 4 april 2014, onder 3.16 en 3.21.3.
9.Zie de nota van toelichting bij het Besluit BIK, par. 4 op p. 5.
10.HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405,
11.Wet van 23 december 1993, houdende regelen omtrent de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand (Wet op de rechtsbijstand),
14.Zie
15.Zie de werkinstructie ‘Mutatie beëindiging/intrekking van de toevoeging’ onder c op de website van de raad voor de rechtsbijstand, te raadplegen via: Mutatie beëindiging/ intrekking van de toevoeging - rvr.org
16.Zie de in de vorige voetnoot vermelde werkinstructie, noot 8.
19.De art. 34 e.v. van de Wet tarieven in burgerlijke zaken waarnaar in de memorie van toelichting werd verwezen, hadden betrekking op de zgn. begrotingsprocedure in geval van een geschil tussen advocaat en cliënt over de hoogte van de declaratie. De procedure die daarvoor gold was bevelschriftprocedure op grond waarvan relatief makkelijk en snel een executoriale titel kon worden verkregen. Tegen een beschikking in deze bevelschriftprocedure was wel verzet mogelijk, maar geen hoger beroep of cassatie.
22.Besluit van 22 mei 1981 tot wijziging van het Besluit vergoedingen kosteloze rechtsbijstand (
23.Zie p. 5 van voornoemd besluit, vindplaats vorige voetnoot.
25.Nota van toelichting, p. 22.
26.Zie daarover
30.HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1514,
31.Zie voor een nadere toelichting de conclusie van A-G Keus voor de prejudiciële beslissing, ECLI:NL:PHR:2016:343, onder 2.1-2.12.
32.Zie art. 2.7.4 uit het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank handel/voorzieningenrechter (versie 1 januari 2020 en versie 1 februari 2022).
33.Zie o.a.
34.Zie voetnoot 19.
35.Conclusie A-G Keus 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:343, onder 3.4.3.