Conclusie
1.Inleiding en aanpak
De Procureur-Generaal heeft deze aanbeveling overgenomen.
- enkele aspecten van de buitengerechtelijke incassokosten (par. 2);
- de systematiek van de Wrb (par. 3), waaronder (i) toevoeging; reikwijdte en gang van zaken; (ii) eigen bijdrage en overige kosten die voor rekening van de rechtzoekende komen en (iii) mogelijkheden ter bevordering innen eigen bijdrage en overige kosten;
- de wetsgeschiedenis van de Wrb en de Wet op de Rechtsbijstand aan On- en Minvermogenden (par. 4);
- de vereenvoudigde inningsprocedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro (par. 5).
Par. 6 bevat mijn bevindingen en slotsom, waarna in par. 7 het cassatiemiddel en de vordering zijn geformuleerd.
2.Buitengerechtelijke incassokosten
(i) het basisstelsel dat vastligt in art. 6:96 lid 2 en Pro 3 BW en in art. 241-242 Rv;
(ii) het stelsel van forfaitaire kosten van art. 6:96 leden Pro 5 tot en met 7 BW, art. 241 slotzin Pro Rv en art. 242 lid 2 Rv Pro. Dit tweede stelsel geldt voor de gevallen genoemd in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten [6] (hierna: het Besluit BIK).
De kosten van een ingebrekestelling zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassokosten die verloren gaan als het tot een procedure komt. [7]
3.Systematiek Wet op de rechtsbijstand
b. getuigen en deskundigen;
c. uittreksels uit de openbare registers;
d. telegrammen, internationale telex, internationale telefax en internationale telefoongesprekken; e. rolverrichtingen in zaken die door de kantonrechter van de rechtbank worden behandeld.”
4.Wetsgeschiedenis WROM en Wrb
Dit voorschrift werd geïntroduceerd in het wetsvoorstel Wijziging van de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden en van enkele artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij niet alleen tevens in de art. 24 en Pro 25a WROM een eigen bijdrage voor een deel van de onder de WROM vallende rechtzoekenden werd ingevoerd, maar ook verschillende inningsmogelijkheden. [17]
Indien de hem toegevoegde rechtzoekende in gebreke blijft, kan de raadsman de president van de rechtbank in zijn arrondissement verzoeken het bedrag daarvan vast te stellen, volgens de procedure voorzien in de artikelen 34 e.v. van de Wet tarieven in burgerlijke zaken. [19] Zo wordt aansluiting gezocht bij een bekende regeling, waarvan de praktische toepassing geen problemen hoeft op te leveren.”
- de toegevoegde raadsman krijgt de bevoegdheid om van de verzoeker een voorschot op diens bijdrage te verlangen (artikel 24, tweede lid);
- hij krijgt de mogelijkheid om, indien de verzoeker het van hem verlangde voorschot niet of niet tijdig voldoet, beëindiging van de toevoeging te verlangen (artikel 24, derde lid);
- de wijze van inning van de eigen bijdrage is nog opengelaten (artikel 24a);
- de toegevoegde raadsman zal voor de kosten en het risico van de inning van de bijdrage een vergoeding ontvangen (artikel 25, eerste lid, onder b);
- er komt een bijzondere regeling van de vergoedingen voor verleende rechtsbijstand in gevallen waarin de gratis-admissierechter naderhand tot een andere beslissing komt dan het bureau van consultatie (artikel 25, derde lid);
- de inning van de bijdrage is sterk vereenvoudigd (artikel 25a).”
- De invoering van een stelsel van eigen bijdragen in de gefinancierde rechtshulp heeft alleen zin, indien voldoende vaststaat dat de bijdrage ook metterdaad - zonder veel perceptiekosten - wordt geïnd.
- De organisatie van de bureaus voor rechtshulp is niet opgewassen tegen de administratieve last van de verwerking van de inning.
(…)
(…) In het oude besluit komt nog de bepaling voor dat indien de verzoeker een eigen bijdrage is verschuldigd, de vergoeding verhoogd wordt met f 10,-. Bij de introductie van een geheel nieuw systeem van eigen bijdragen, in juni 1981, werd een dergelijke tegemoetkoming in een mogelijk zich voordoend inningsrisico, wenselijk geacht. Nu in de praktijk weinig van inningsproblemen is gebleken, en bovendien ingevolge het ontwerp van de Wet tijdelijke voorzieningen rechtsbijstand het opleggen van een eigen bijdrage regel in plaats van uitzondering zal worden, lijkt er geen aanleiding meer te zijn om de bijzondere bepaling van het oude artikel 4e [bedoeld zal zijn: 4a, A-G] te handhaven.”
Wrb
5.De vereenvoudigde inningsprocedure van art. 38 lid 4 Wrb Pro
In het landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank handel/voorzieningenrechter wordt echter opgemerkt dat
de voorzieningenrechterde bevoegde rechter is voor verzoeken op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro. [32] Ook de bestreden beschikking betreft een beschikking van de voorzieningenrechter.
Op grond van de Wet organisatie en bestuur gerechten is, wegens de scheiding van de bestuurlijke taken en de rechterlijke taken van de president van de rechtbank, op veel plaatsen in de wet ‘de president’ vervangen door ‘de voorzieningenrechter’. [33] Ik vermoed dat art. 38 lid 4 Wrb Pro daarbij over het hoofd is gezien. M.i. moet een verzoek op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro bij de voorzieningenrechter worden ingediend.
Hoger beroep en cassatie?
6.Bevindingen en slotsom
Dat zijn m.i. de volgende.
De uitsluiting van een vergoeding ‘voor het overige’ in art. 38 lid Pro 1, tweede volzin, Wrb ziet op een
kostenvergoeding, dus een vergoeding van gemaakte onkosten. Daarbij moet het gaan om kosten die ten behoeve van de zaak zijn gemaakt. In art. 4 lid 2 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand wordt limitatief opgesomd welke kosten dat zijn (zie hiervoor onder 3.10).
Daarvan moeten worden onderscheiden de kosten die een rechtsbijstandverlener maakt als gevolg van het feit dat een rechtzoekende de op hem van rechtswege rustende verplichting tot betaling van de eigen bijdrage niet nakomt. Dat zijn géén kosten die worden gemaakt ten behoeve van de zaak waarvoor rechtsbijstand is verleend, maar kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, die ingevolge art. 6:96 lid 2 onder Pro c BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen (zie par. 2). Vergoeding van
schadeaan de rechtsbijstandverlener door de rechtzoekende is dus in art. 38 lid 1 Wrb Pro en art. 4 lid 2 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand niet uitgesloten.
Laatstgenoemde grondslag voor de aanspraak op een incassovergoeding (waarvan de wetgever geen afstand heeft genomen, zie hiervoor onder 4.10), geldt m.i. nog steeds. Het alternatief is immers een aparte procedure van de advocaat tegen de (voormalige) eigen cliënt.
De vraag is wel of dit niet louter theoretische inningsmogelijkheden zijn. Een voorschot kan, zeker in toevoegingszaken, een afschrikwekkende werking hebben en intrekking/weigering van een toevoeging kan (bijvoorbeeld indien een termijn aan de orde is) zeer ingrijpend zijn.