ECLI:NL:HR:2016:1514

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
12 juli 2016
Zaaknummer
16/00701
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 4 Wet op de RechtsbijstandArt. 34-40 Wet tarieven in burgerlijke zakenArt. 51 WgbzArt. 28 lid 2 AdvocatenwetArt. 261 lid 2 Rv
Verwijzingen
23 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële beslissing over procedurevorm bij vaststelling eigen bijdrage in rechtsbijstand

In deze prejudiciële procedure is de vraag voorgelegd of artikel 38 lid 4 van Pro de Wet op de Rechtsbijstand (Wrb) zo moet worden uitgelegd dat rechtsbijstandverleners zich bij verzoek tot de president van de rechtbank kunnen wenden en of deze zaak kan worden afgedaan in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.

De procedure betreft een geschil tussen een advocaat en cliënt over de betaling van een eigen bijdrage en griffierecht. De rechtbank Midden-Nederland stelde de prejudiciële vraag nadat de kantonrechter de procedure had omgezet in een verzoekschriftprocedure, waarna de president van de rechtbank een tussenbeschikking gaf met een uitgebreide motivering over de toepasselijke procedure.

De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis van art. 38 lid 4 Wrb Pro, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet positie en toezicht advocatuur. Ondanks het vervallen van verwijzingen naar de Wet tarieven in burgerlijke zaken, concludeerde de Hoge Raad dat de wetgever niet beoogde de procedurevorm te wijzigen. Daarom moet de vaststelling van de eigen bijdrage en griffierechten plaatsvinden via een verzoekschriftprocedure en kan de president besluiten bij een voor executie vatbare beschikking.

De Hoge Raad beantwoordde de prejudiciële vraag dan ook ontkennend op de stelling dat een dagvaardingsprocedure gevolgd moet worden. Deze beslissing biedt duidelijkheid over de procedurele route voor rechtsbijstandverleners bij invordering van eigen bijdragen en griffierechten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vaststelling van eigen bijdrage en griffierechten door de president van de rechtbank via verzoekschrift en voor executie vatbare beschikking geschiedt.

Uitspraak

8 juli 2016
Eerste Kamer
16/00701
LZ/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[verzoeker] , handelend onder de naam [A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERZOEKER in eerste aanleg,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in eerste aanleg,
niet verschenen in de prejudiciële procedure.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [A] en [verweerder] .

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/403535/KG RK 15-1015 van de rechtbank Midden-Nederland van 10 februari 2016;
De beschikking van de rechtbank is aan deze beslissing gehecht.

2.De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemde beschikking heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv Pro de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:
Moet artikel 38, vierde lid van de Wet op de Rechtsbijstand zo worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie [de Hoge Raad leest:] vatbare beschikking.
Partijen hebben geen schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv Pro ingediend.
De Advocaat-Generaal L.A.D. Keus concludeert dat art. 38 lid 4 Wrb Pro aldus moet worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoekschrift tot de president van de rechtbank kan wenden en dat de president op dat verzoekschrift kan beslissen in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.

3.Beantwoording van de prejudiciële vraag

3.1
In deze procedure gaat het om het volgende.
[verzoeker] heeft [verweerder] in 2015 als advocaat bijgestaan. De Raad voor Rechtsbijstand heeft ter zake een toevoeging afgegeven en de eigen bijdrage van [verweerder] bepaald op € 196,--. [A] heeft dit bedrag aan [verweerder] in rekening gebracht, evenals een bedrag van € 77,-- ter zake van griffierecht.
heeft deze facturen onbetaald gelaten.
3.2.1
Bij dagvaarding van 17 augustus 2015 heeft [A] gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van de eigen bijdrage en het griffierecht, buitengerechtelijke kosten, alsmede van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten. De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 september 2015 bevolen de zaak in de stand waarin deze zich bevindt voort te zetten volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
De zaak is vervolgens in behandeling genomen door de (plaatsvervangend) president.
3.2.2
Bij tussenbeschikking heeft de president onder meer overwogen:
“2.1. Het gaat in deze zaak om een procedure op grond van artikel 38 lid 4 Wet Pro op de Rechtsbijstand, welke strekt tot vaststelling van het bedrag dat rechtzoekende, verweerster, verschuldigd is aan verzoeker.
2.2.
Artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand luidt thans als volgt:
“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag nader vastgesteld door de president van de rechtbank [van het arrondissement] waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd.”
2.3.
Deze regeling geldt op grond van artikel 66, tweede lid Wet op de Rechtsbijstand voor toevoegingen, die na 1 januari 2015 zijn afgegeven.
2.4.
Voor toevoegingen afgegeven voor die datum werd na een verzoek door de president van de rechtbank een bevelschrift afgegeven overeenkomstig de inmiddels vervallen regeling van de artikelen 34 tot en met 40 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (…).
2.5.
In de onderhavige procedure heeft verzoeker een procedure bij dagvaarding ingeleid, teneinde een titel te krijgen tegen verweerder ter executie van de vordering strekkende tot betaling van de na 1 januari 2015 opgelegde eigen bijdrage en de voorgeschoten griffierechten tot een bedrag van in hoofdsom € 273,00.
(…)
2.7.
De wetgever heeft bij de wijziging van de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken geen kenbare aandacht besteed aan de omstandigheid dat de speciale rechtsgang voor rechtsbijstandverleners in zogenoemde toevoegingsprocedures is komen te vervallen.
2.8.
De president ziet zich thans voor de vraag gesteld of artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand zo moet worden uitgelegd dat rechtsbijstandsverleners zich nog steeds met het verzoek tot het afgeven van een bevelschrift (in wezen een beschikking uitgegeven in executoriale vorm) tot de president kunnen wenden en dat die procedure daarna conform de derde titel, eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden afgedaan.
2.9.
In den lande bestaat hier verschil van mening over. (…)
2.10.
Het gaat om grote aantallen zaken. (…).Tegelijkertijd gaat het om relatief kleine bedragen. (…)
2.11.
Daarbij acht de president het wenselijk om Uw Raad er op te wijzen dat niemand gebaat is om deze zaken via de relatief zeer dure en meer omslachtige weg van de dagvaardingsprocedure af te doen.
Noch de Sociale advocatuur noch degene die geprocedeerd hebben met een toevoeging zitten te wachten op een dergelijke kostenverhogende factor bij het afdoen van hun geschil.”
Daarop is, met instemming van partijen, de hiervoor in 2 weergegeven vraag aan de Hoge Raad voorgelegd.
3.3.1
Art. 38 lid 4 Wet Pro op de Rechtsbijstand (hierna: Wrb) luidde tot 1 november 2010:
“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag daarvan nader vastgesteld door de president van de rechtbank van het arrondissement waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd. De artikelen 34 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken zijn van overeenkomstige toepassing.”
Op grond van art. 38 lid 4 Wrb Pro in verbinding met de art. 34-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) stelde de president van de rechtbank op verzoek van de betrokken rechtsbijstandverlener bij beschikking het bedrag vast van de eigen bijdrage en overige kosten van rechtsbijstand en beval hij de tenuitvoerlegging van die beschikking.
3.3.2
Op 1 november 2010 is de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) in werking getreden. In art. 51, aanhef en onder B, Wgbz is bepaald dat de tweede zin van art. 38 lid 4 Wrb Pro vervalt. In de toelichting op de art. 33 tot Pro en met 58 Wgbz is vermeld dat in verband met het vervallen van de Wtbz en de daarin opgenomen begrotingsprocedure voor advocaten (art. 29-40 Wtbz), in verschillende wetten de verwijzingen naar bepalingen in de Wtbz zijn geschrapt of vervangen door verwijzingen naar gelijkluidende bepalingen in het wetsvoorstel Wgbz (Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p.18). Daarna (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 6, p. 19-20 en nr. 7) is echter voorgesteld om de regeling inzake begrotingsprocedures vooralsnog te handhaven in afwachting van invoering van een wettelijke geschillenregeling (waarover hierna in 3.3.3). In verband daarmee zijn uiteindelijk (onder meer) de art. 34-40 Wtbz tijdelijk gehandhaafd. Bij die gelegenheid is blijkbaar abusievelijk verzuimd ook het schrappen van de slotzin van art. 38 lid 4 Wrb Pro ongedaan te maken (zie ook hierna in 3.3.3).
3.3.3
Bij art. III van de op 1 januari 2015 in werking getreden Wet positie en toezicht advocatuur is de Wtbz (alsnog) geheel ingetrokken. De wetgever heeft, blijkbaar op grond van de veronderstelling dat art. 38 lid 4 Wrb Pro in 2010 ongewijzigd is gebleven, in art. II van de Wet positie en toezicht advocatuur opnieuw bepaald dat de tweede volzin van art. 38 lid 4 Wrb Pro vervalt.
Aan de intrekking van de Wtbz ligt ten grondslag dat voor advocaten de verplichting in het leven is geroepen zich aan te sluiten bij een klachten- en geschillenregeling die ook geschillen over declaraties bestrijkt (art. 28 lid Pro 2, aanhef en onder b, Advocatenwet). Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 aangehaalde wetsgeschiedenis, heeft de wetgever daarbij beoogd dat in beginsel alle geschillen tussen advocaten en hun cliënten via deze klachten- en geschillenregeling worden afgedaan en dat in beginsel slechts nadien de gang naar de gewone rechter kan worden gemaakt. Om die reden kon de begrotingsprocedure van de art. 29-40 Wtbz vervallen.
3.3.4
In de Wet positie en toezicht advocatuur is de in art. 38 lid 4 Wrb Pro geregelde bevoegdheid van de president om de eigen bijdrage en de overige kosten van rechtsbijstand vast te stellen, gehandhaafd. De prejudiciële vraag stelt aan de orde of het vervallen van de toepasselijk verklaring van de procedureregels van de art. 34-40 Wtbz tot gevolg heeft dat de vaststelling door de president niet meer op verzoek en bij voor executie vatbare beschikking kan plaatsvinden, maar dat daartoe een dagvaardingsprocedure moet worden gevolgd.
Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.
3.3.5
Op grond van art. 261 lid 2 Rv Pro worden die zaken met een verzoekschrift ingeleid, ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Als uit de wet niet kan worden afgeleid op welke wijze een procedure aanhangig moet worden gemaakt, moet dit bij dagvaarding gebeuren. Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3.3 aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis van de in art. 38 lid 4 Wrb Pro overgenomen regeling uit de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden blijkt dat de wetgever de rechtsbijstandverlener een eenvoudige rechtsgang heeft willen bieden om zo nodig tot invordering van de hem, uit hoofde van de verlening van gefinancierde rechtsbijstand verschuldigde, eigen bijdrage en overige kosten te komen. Uit de gebruikte bewoordingen volgt dat de wetgever daarbij het oog heeft gehad op een verzoekschriftprocedure. Uit de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 vermelde wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet positie en toezicht advocatuur niet heeft onderkend dat schrapping van de verwijzing naar de art. 34-40 Wtbz procesrechtelijke gevolgen kon hebben voor procedures als de onderhavige. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat op dit punt geen wijziging is beoogd. Derhalve vloeit uit de wet voort dat de vaststelling van bedoelde eigen bijdrage en eigen kosten geschiedt in een verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv).
3.3.6
Het voorgaande betekent dat de vaststelling geschiedt bij beschikking. Op grond van art. 430 lid 1 Rv Pro is de grosse van die beschikking vatbaar voor tenuitvoerlegging. De omstandigheid dat de hiervoor in 3.3.1 vermelde tweede volzin van art. 38 lid 4 Wrb Pro is geschrapt, doet daaraan niet af.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
beantwoordt de prejudiciële vraag als volgt:
art. 38 lid 4 Wrb Pro moet aldus worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoekschrift tot de president van de rechtbank kan wenden en dat de president op dat verzoekschrift beslist in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 juli 2016.