HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05285
Zitting11 juli 2023
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 17 december 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest, en daarbij bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/05355, 21/05344, 21/05329, 21/05369 en 21/05260. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel betreft de verwerping van het verweer dat schendingen van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (verder, in navolging van het hof: AVR) tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting hadden moeten leiden. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn het juiste toetsingskader heeft miskend.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring weer, enkele onderdelen van de bewijsoverwegingen, het verweer inzake de schending van de AVR in de pleitnota van de raadsman en de overwegingen waarin dat verweer wordt verworpen. Inzake de verweren die op schendingen van de AVR zien, is (in het bijzonder) het woord gevoerd door twee raadslieden; de betreffende delen van hun pleitnota’s zijn weergegeven in de conclusie in de zaak [medeverdachte 1] (21/05355). Daar is ook de verwerping van dit verweer, die in alle zaken in de kern gelijkluidend is, uitgebreider geciteerd, en in die conclusie zijn ook de relevante passages uit de AVR weergegeven. In de conclusie in de zaak [medeverdachte 1] zijn voorts de bewijsoverwegingen (die in alle zes zaken in belangrijke mate overeenkomen) uitgebreider weergegeven.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘primair
hij in de periode van 7 en 8 november 2016 te [plaats] en te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en/of een zak met hennep, toebehorende aan [slachtoffer] en/of zijn zoon en/of een vriend van zijn zoon, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)
- een strijkijzer heeft klaargezet en
- die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft gestompt (met handschoenen met rubberen noppen erop aan) en geschopt met geschoeide voet en/of geprobeerd heeft die [slachtoffer] in zijn kruis te trappen (met geschoeide voet) en
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze zijn vrouw ook nog wel klein zouden krijgen en
- het strijkijzer heeft getoond en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze de No Surrender tatoeage met het strijkijzer weg zouden branden en
- die [slachtoffer] meermalen heeft bedreigd met de dood, als er geen geld zou komen en
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij geld moest betalen en dat ze wisten waar hij woonde en/of dat ze zijn vingers af zouden knippen en
- die [slachtoffer] een handdoek in zijn mond heeft gepropt en
- die [slachtoffer] heeft gedwongen mee te rijden in een busje naar een plek nabij de Papiermolen.’
7. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer de volgende bewijsoverwegingen opgenomen (met weglating van voetnoten):
‘3.4. Conclusie t.a.v. het primair ten laste gelegde
Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] volgens een vooropgezet plan in de woning van [medeverdachte 1] is mishandeld door (in ieder geval) [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [verdachte] , en dat [medeverdachte 6] ondertussen buiten stond te wachten. [medeverdachte 1] heeft een belangrijke rol gespeeld in het voortraject en het ter beschikking stellen van haar woning en is zowel fysiek als verbaal gewelddadig geweest. Na de mishandeling in de woning zijn verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 5] , verspreid over de VW Transporter van [medeverdachte 5] en de Renault van [medeverdachte 2] , naar de Papiermolen gereden.
Het gezamenlijke doel van de verdachten was om [slachtoffer] geld of iets anders van waarde afhandig te maken, hetgeen ook daadwerkelijk is gelukt. Bij de Papiermolen is door de zoon van [slachtoffer] immers een tas met inhoud van waarde (vermoedelijk hennep) overhandigd. Daarmee is sprake van een voltooide afpersing in vereniging, zoals primair is ten laste gelegd. Het hof ziet hetgeen na de overdracht van de tas met inhoud is gebeurd, het vervoer naar Glimmen, waar in ieder geval [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bij aanwezig zijn geweest en alwaar [slachtoffer] uit de bus is gezet, en het gebeuren de volgende dag bij zijn huis, toen er onder dreiging door [medeverdachte 6] om meer geld werd gevraagd, in hetzelfde verband. Het hof ziet dit niet als een nieuwe (poging tot) afpersing zoals subsidiair ten laste gelegd, maar als verlengde van hetgeen in Helde en bij de Papiermolen is gebeurd. Het betreft één feitencomplex.
Dat het een vooropgezet plan was om [slachtoffer] af te persen, kan worden afgeleid uit de berichtenwisseling tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 9] en de verklaring van [betrokkene 1] . Bovendien blijkt uit het hiervoor overwogene dat verdachten met elkaar hebben afgesproken, dat er vervoer is geregeld/er mensen werden opgehaald, waarna er bij de woning van [medeverdachte 1] werd verzameld. Er was sprake van een gezamenlijk doel: het betalen van geld of goederen van waarde in het kader van een ‘bad standing’ . De verdachten hebben gedurende de hele avond onderling contact gehouden en hebben de volgende dag in hun opzet gepersisteerd door [slachtoffer] opnieuw op te zoeken en waarbij [medeverdachte 6] gevraagd heeft om (meer) geld, hetgeen vergezeld ging van bedreigingen.
Hoewel de rol van elk van voornoemde personen anders is, en niet iedereen op elk moment fysiek aanwezig is geweest, kunnen zij alle vijf als medeplegers worden aangemerkt. Zoals overwogen is het hof van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat zij met een gezamenlijk opzet hebben gehandeld: het opzet om [slachtoffer] met geweld en bedreiging met geweld geld of goederen van waarde af te nemen. Zij hebben daartoe bewust en nauw met elkaar samengewerkt. Dat geldt ook ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] , ook al is [medeverdachte 1] niet bij het gebeuren bij de Papiermolen (en het vervolg daarop) aanwezig geweest, en [medeverdachte 6] niet bij de mishandeling in de woning. Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen uitwijzen dat het niet anders kan zijn dan dat zij allen van het gehele plan op de hoogte zijn geweest. Elk van de verdachten heeft een eigen rol gehad, niet allemaal gelijk van aard, maar de rol van de ene niet substantieel belangrijker dan die van de ander. Iedere schakel (het maken van de afspraak, het ter beschikking stellen van de woning, het geweld, het vervoer) was relevant voor het kunnen slagen in het gezamenlijke opzet. De mate van samenwerking die blijkt uit het onderlinge contact, de gemaakte afspraken, het feitelijk samen optreden richting [slachtoffer] toe en de bijdrage die een ieder aan de afpersing heeft geleverd, is van voldoende gewicht om [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] als medeplegers van de afpersing [slachtoffer] aan te merken.
Verdachte is aanwezig geweest in de woning van [medeverdachte 1] , heeft [slachtoffer] ook zelf mishandeld, gevraagd om geld en heeft bedreigingen geuit richting [slachtoffer] . Hij was dus op de hoogte van het plan en deed daar ook aan mee. Hij was aanwezig bij de Papiermolen alwaar de zak met inhoud is overhandigd en waar de afpersing mee werd voltooid en heeft zich op geen enkele manier van het handelen van zijn medeverdachten gedistantieerd. Het voorgaande maakt dat verdachte een belangrijke bijdrage aan het delict heeft geleverd en als medepleger kan worden aangemerkt. Dat niet is gebleken dat verdachte fysiek aanwezig is geweest in Glimmen, en ook niet bij de woning van [slachtoffer] op 8 november 2016, maakt het voorgaande niet anders.
Het hof is met de advocaten-generaal van oordeel dat - anders dan in eerste aanleg - ook de ten laste gelegde onderdelen die zien op het dreigen met het strijkijzer en het afknippen van vingers kunnen worden bewezenverklaard. Het dreigen met het strijkijzer komt al in de eerste verklaring van [slachtoffer] voor, is heel specifiek en is daarna bij herhaling in de verklaringen van verdachte aan de orde gekomen. Ook in de verklaring van [betrokkene 1] komt dit terug. Ten aanzien van het afknippen van vingers geldt eveneens dat dit een specifieke uitlating betreft, die zowel op de avond van 7 november 2016 als op 8 november 2016 tegenover [slachtoffer] zou zijn geuit. De verklaring die [slachtoffer] hierover ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede heeft afgelegd, acht het hof geloofwaardig.
Waar het hof de advocaten-generaal niet in volgt, is in hun stelling omtrent het gebruik van een pistool en/of een mes. Het hof is daarvan niet overtuigd geraakt. Reden daarvoor is dat [slachtoffer] pas in een latere verklaring met dit belangrijke detail is gekomen en het niet een heel specifieke verklaring betreft. Ook betrekt het hof het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 8] hierbij, waarin zij bespreken dat het niet waar is dat [betrokkene 11] en [betrokkene 13] wapens hebben gebruikt.
Aldus acht het hof het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna vermeld. Gelet op hetgeen omtrent de gebeurtenis in Glimmen en het gebeuren op 8 november 2016 is opgemerkt, zal het hof verdachte vrijspreken van het onder 1 primair cumulatief ten laste gelegde. Van een nieuwe poging tot afpersing is geen sprake geweest.’
Het verweer inzake schending van de AVR; de verwerping daarvan
8. De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep heeft op 1, 2, 4 en 5 november 2021 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer het volgende in:
‘Op
4 november 2021te 09:00 uur wordt het onderzoek ter terechtzitting
hervatvoor het houden van de pleidooien. Het hof bevindt zich in dezelfde samenstelling en de advocaten-generaal De Meijer en Lodder zijn aanwezig. Verdachte is ter terechtzitting aanwezig, alsmede alle raadslieden.
Met betrekking tot de formele verweren is overeengekomen dat
mr. Van der Walen
mr. Michelshet woord voeren namens alle raadslieden. Zij voeren het woord overeenkomstig door hun overgelegde pleitnota’s, die bij dit proces-verbaal zijn gevoegd en waarvan de inhoud hier geacht moet worden te zijn ingevoegd.
De
raadsmanvoert het woord overeenkomstig een door haar overgelegde pleitnota, die bij dit proces-verbaal is gevoegd en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd.’
9. De pleitnota’s van de raadslieden Van der Wal en Michels zijn, voor zover zij op de ‘formele verweren’ zien, weergegeven in de conclusie van medeverdachte [medeverdachte 1] . De raadsman van verdachte heeft het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):
‘
Achtergronden/Niet-ontvankelijkheid
6. Het is en blijft een bijzondere gang van zaken, ik durf na bestudering van het rapport van de deskundige wel te stellen dat we bij lange na niet beschikken over het complete dossier en alle geluidsfragmenten, dit terwijl het OM juist in een zaak als deze met open vizier behoort te strijden. (…)
7. De getuige officier van justitie mr. Hoekstra moest volgens het OM afgeschermd worden, terwijl een onderbouwing voor een dergelijk verzoek enerzijds niet aan partijen wordt verstrekt, maar anderzijds op de inhoud kant noch wal raakt. (…)
8. Het OM blijft daarnaast haar best doen om een negatieve beeldvorming van client in deze zaak te creëren. Een NFI-deskundige wenst alleen maar anoniem te rapporteren, terwijl hier geen enkele aanleiding voor bestond. Zonder de verdediging hier in te kennen werd ook nu een beslissing genomen om deze deskundige anoniem te laten rapporteren. Getuige [betrokkene 12] mag in de beslotenheid van het kabinet worden gehoord, maar de verdediging mag de getuige niet zien. Welk aspect is hiermee gediend geweest? Het heeft enkel bijgedragen aan een negatieve beeldvorming over cliënt en zijn medeverdachten.
9. Tal van stukken zijn, nadat deze eenzijdig door het OM zijn beoordeeld en vervolgens door het OM niet relevant zijn bevonden, niet aan de verdediging verstrekt. Ook aan uw hof wordt daarmee de toetsingsmogelijkheid onthouden of sprake is van vormverzuimen.
10. Dat gezegd hebbende, concluderend blijft de verdediging van [verdachte] van mening dat tekort is geschoten in het voorbereidend onderzoek, in de wijze van verbaliseren, het niet naleven van de aanwijzingen van de AVR, het bewust of onbewust beïnvloeden van de aangever, het woordelijk uitwerken van verklaringen, het selectief vastleggen van onderdelen van verklaringen, AVR-bestanden die zijn verdwenen en weer plotsklaps opduiken, aantekening die wel zijn gemaakt, niet zijn gemaakt, of zelfs zijn verdwenen, of uit het niets weer opduiken, en het elkaar tegenspreken van verbalisanten tijdens de gehouden getuigenverhoren in eerste aanleg.
11. Deze vormverzuimen staan in hoger beroep nog steeds vast. In aanvulling op hetgeen in eerste aanleg is bepleit, komt daarbij op de conclusie van de geluidsdeskundige, het getuigenverhoor van de officier van justitie en het verhoor van getuige [betrokkene 12] . Teneinde een uitgebreide herhaling van zetten te vermijden, verzoek ik u om de inhoud van het pleidooi van de overige raadslieden (meer specifiek mrs. Van der Wal en Michels) op deze onderdelen hier als geheel herhaald en ingelast te beschouwen, waarin de verdediging persisteert! Dit is door uw hof akkoord bevonden, reden voor het verzoek aan de griffier dit op te nemen in het proces-verbaal van de zitting.
12. De juridische vertaalslag houdt in dat sprake is van een ernstige inbreuk op het recht van mijn cliënt op een eerlijk proces en onherstelbare vormverzuimen waar cliënt nadeel van heeft ondervonden, kortom, artikel 359a Sv is van toepassing.
13. De rechtbank is in het vonnis van 23 april 2019 duidelijk: in het licht van de doelstelling van de AVR is duidelijk dat [verdachte] nadeel heeft ondervonden van de gang van zaken met betrekking tot de registratie van de verhoren van [slachtoffer] , omdat niet te toetsen valt hoe de verklaring van [slachtoffer] tot stand is gekomen nu opnames op cruciale momenten zijn gestopt.
14. In dit kader breng ik uw hof in herinnering dat [slachtoffer] pas op 21 november 2016 voor het eerst verklaart dat [verdachte] aanwezig was in de VW bus. Pas op 6 december 2016 verklaart [slachtoffer] dat cliënt ook aanwezig was tijdens het strafbare feit in woning van [medeverdachte 1] . Het is een koerswijziging op een zo laat moment, en zo uitzonderlijk dat de verdediging hier de nodige vraagtekens bij heeft geplaatst. In onderlinge samenhang bezien is de conclusie, zeker als het rapport van de geluidsdeskundige in ogenschouw wordt genomen, dat het wat de verdediging betreft niet anders kan zijn dan dat er sprake is van ongeoorloofde beïnvloeding van de aangever.
15. Dit geldt expliciet voor het verhoor van 21 november 2016, het verhoor waar [slachtoffer] mijn client voor het eerst benoemd. De opname van dit verhoor duurt 139 minuten en op 00.12:55. In de opname zegt 97004: ‘
We zitten nu op 22 november’. Als dit correct is, dan is het verhoor begonnen na middernacht. In het proces-verbaal van aangifte staat vermeld dat ze omstreeks 22.19 uur [slachtoffer] hebben gehoord. Dat zou betekenen dat er voorafgaand aan het opgenomen verhoor een niet geregistreerd verhoor heeft plaatsgevonden, aldus de deskundige die dit expliciet opmerkt.
16. Het OM is kennelijk van mening dat het stilzetten van de opname een goede reden had. De verdediging daarentegen is stellig: telkens wanneer bewijstechnisch essentiële onderdelen ter sprake zouden komen, werd er een pauzemoment ingelast. Onder welke noemer valt de door mr. Van der Wal genoemde voorbeelden dan: veiligheid, een emotionele toestand van aangever, een chaotische situatie of verklaringen die in andere onderzoeken moesten worden gebruikt? Het gaat om de voorbeelden 'wazige schimmen’ en 'het niet noemen van namen in de eerste aangifte’.
17. Bovendien volgen deze voorbeelden uit het verhoor van 21 november 2016, dit terwijl de officier van justitie mr. Hoekstra alleen toestemming zou hebben gegeven om af te wijken tijdens het verhoor van 9 november 2016 en ook alleen op die onderdelen.
18. Ook met betrekking tot de verklaringen van de verbalisanten die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd, is komen vast te staan dat [verdachte] op een aanzienlijke wijze in zijn verdediging is geschaad, zeker in samenhang met de verklaring van getuige mr. Hoekstra. Zowel verbalisant 97006 alsmede 97004 weerspreekt de lezing van getuige mr. Hoekstra, daar waar het gaat de redenen om de opname te pauzeren.
19. De verbalisanten hebben in het kabinet van de rechter-commissaris uiteenlopende verklaringen afgelegd over de vraag waarom de auditieve registratie op bepaalde momenten is gepauzeerd en wat er vervolgens in die pauzes is gebeurd. De woordelijke uitwerkingen en de summiere aantekeningen van die verbalisanten bieden evenmin duidelijkheid over de gang van zaken, reden waarom vast is komen te staan dat [verdachte] als gevolg van het vorengaande daadwerkelijk, en op aanzienlijke wijze, in zijn verdediging is geschaad.
20. De AVR voorschriften zijn geschonden, de processen-verbaal van verhoor bevat een onjuiste weergave en ook de verbaliseringsplicht was op grove wijze is geschonden.
21. En op 14 december 2017 legt [slachtoffer] voor het eerst als getuige bij de rechter-commissaris een verklaring af, die volledig afwijkt van al zijn eerdere verklaringen. De vrij summiere rol die [verdachte] later op 21 november 2016 kreeg toebedeeld (hij zat in de VW bus) is omgeslagen, [verdachte] krijgt tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris een hoofdrol.
22. Aan de verdediging zijn wegens deze gang van zaken tal van toetsingsmogelijkheid ontnomen, terwijl er zeer sterke aanwijzingen zijn dat [slachtoffer] is gestuurd in zijn verklaringen. Het nadeel van [verdachte] is dat sprake is van een grove inbreuk op zijn fundamentele recht op een eerlijk proces. De latere verklaring van [slachtoffer] biedt geen compensatie, deze verklaring is besmet geraakt en niet authentiek.
23. Naar de mening van de verdediging is sprake van ernstige en kwalijke vormverzuimen. Er is in de visie van de verdediging doelbewust inbreuk gemaakt op het recht van cliënt op een eerlijk proces.
24. Gelet op het voorgaande, in het bijzonder gelet op de ernst van het verzuim in onderling verband bezien met het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, is sprake van ernstige vormverzuimen, waarbij zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde en de grondslagen van het strafproces is gemaakt, dat daardoor doelbewust tekort is gedaan aan de belangen van. [verdachte] op een eerlijk proces.
25. De consequentie die het hof aan dit verweer moet koppelen is primair de niet-ontvankelijkheid van het OM en subsidiair bewijsuitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer] . In dat geval is de conclusie, een integrale vrijspraak.’
10. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Formele verweren’ onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):