Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
- i) Op 6 juli 2020 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen de klager. De klager wordt (onder meer) verdacht van witwassen van 127 miljoen euro, valsheid in geschrift, voorhanden hebben van valse reisdocumenten/identiteitsbewijzen en deelname aan een criminele organisatie.
- ii) Op 11 en 13 juli 2020 is in het kader van dit onderzoek ten laste van de klager op de voet van art. 94a Sv conservatoir beslag gelegd op de onder 1.1 genoemde goederen.
- iii) Op 16 februari 2021 is namens de klager ter griffie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, een klaagschrift ingediend dat primair strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de bovengenoemde goederen. Subsidiair wordt in het klaagschrift betoogd dat bij handhaving van het beslag niet wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
- iv) Op 12 april 2021 heeft de rechtbank Limburg zich onbevoegd verklaard van het klaagschrift kennis te nemen en bepaald dat de griffier het klaagschrift zal doorzenden naar de rechtbank Oost-Brabant, zijnde het bevoegde gerecht.
- v) Op 26 april 2021 heeft de griffier het klaagschrift doorgezonden naar de rechtbank Oost-Brabant. Op 28 april 2021 is het klaagschrift binnengekomen ter griffie van deze rechtbank.
- vi) Op 24 september 2021 is de behandeling van het klaagschrift in raadkamer door de rechtbank Oost-Brabant aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met de uitbreiding van de onder meer tegen de klager gerezen verdenking en diens aanhouding op 21 september 2021.
- vii) Op 4 februari 2022 heeft de raadsman van de klager, voorafgaand aan de behandeling op diezelfde dag een aanvullend klaagschrift toegezonden aan de rechtbank Oost-Brabant dat inhoudelijk nagenoeg gelijk is aan het initiële klaagschrift.
- viii) Op 4 februari 2022
- ix) Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 18 februari 2022 het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard.
- x) Zoals hiervoor reeds vermeld, is op 2 maart 2022 namens de klager beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking.
3.Het middel
De feiten
EUR 594.251,00.
EUR 150.000,00(
bijlage 6). Deze onroerende zaak is niet bezwaard met een hypothecaire lening.
bijlage 7). Deze onroerende zaak is niet bezwaard met een hypothecaire lening.
bijlage 8). Deze onroerende zaak is bezwaard met een hypothecaire lening, die thans nog ca. EUR 270.000,00 behelst, zodat de overwaarde van dit object ca.
EUR 55.000,00bedraagt.
EUR 419.000,00en maximaal
EUR 580.000,00.
EUR 351.421,90, te weten EUR 347.350,00 en USD 5.000,00 (= EUR 4.071,90).
EUR 770.421,90dan wel maximaal
EUR 931.421,90, het beweerdelijk door [klager] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van
EUR 594.251,00ruimschoots overstijgt, hoeft de waarde van de overige roerende zaken waarop nog beslag rust niet eens (exact) te worden bepaald. Het moge duidelijk zijn, dat deze roerende zaken tezamen ook een aanzienlijke waarde hebben.
De feiten
bijlage 14). Bij het afstorten van het geld is blijkens de stortingsbewijzen € 130,00 meer ontvangen dan in het eerdere proces-verbaal SFO-IBN-20B-01 foutief is vermeld. Het onderhavige klaagschrift ziet derhalve tevens op dit (extra) bedrag van € 130,00 waarop beslag is gelegd en dat thans nog door het OM in beslag wordt gehouden.
€ 351.551,90, te weten € 347.480,00 en USD 5.000,00 (= € 4.071,90), volgens het OM. […]
€ 770.551,90dan wel maximaal
€ 931.551,90, het beweerdelijk door [klager] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van
€ 594.251,00ruimschoots overstijgt, hoeft de waarde van de overige roerende zaken waarop nog beslag rust niet eens exact te worden bepaald. Het moge duidelijk zijn, dat deze roerende zaken tezamen ook een aanzienlijke waarde hebben.
bijlage 15).
[klager] verneemt derhalve graag alsnog van het OM waaraan de zekerheidstelling en de zekerheidsteller dienen te voldoen, opdat dit geregeld kan worden.
Beklag
Beoordeling
het beginvan het strafrechtelijk financieel onderzoek gemaakte
voorlopige schattingvan het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Uit de stukken van het geding blijkt dat gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek de verdenking jegens de klager (aanzienlijk) is uitgebreid – hij wordt inmiddels verdacht van onder andere witwassen (van 127 miljoen euro), deelname aan een criminele organisatie en valsheid in geschrift –, dat het strafrechtelijk financieel onderzoek ten tijde van de raadkamerbehandeling nog in volle gang is en dat het openbaar ministerie voorafgaande aan en tijdens de behandeling in raadkamer uitgaat van een (veel) hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dan het aanvankelijk voorlopig geschatte ontnemingsbedrag van € 594.251,00. Dat ook voor de klager hierover geen onduidelijkheid bestond, blijkt onder meer uit de pleitnota van 4 februari 2022, waarin de raadsman van de klager aangeeft dat het openbaar ministerie inmiddels uitgaat van ruim 36 miljoen euro aan door de klager wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de gedingstukken blijkt niet dat door of namens de klager (gemotiveerd) is aangevoerd dat het ontnemingsbedrag toch (niet meer dan) € 594.251,00 of in ieder geval (aanzienlijk) minder dan het inmiddels door het openbaar ministerie bijgestelde bedrag van ruim 36 miljoen euro bedraagt.