Conclusie
(hierna: de moeder)
1.Korte aanduiding van de zaak
2.Feiten en procesverloop
- de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 februari 2022;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de behandeling van het verzoek van de raad voor de kinderbescherming aangehouden; en
- alvorens verder te beslissen de verdere behandeling van de zaken aangehouden en verzoekers en belanghebbenden opgeroepen te verschijnen voor een mondelinge behandeling op 14 januari 2022.
De ouders zijn bijgestaan door een beëdigde doventolk.
De pleegouders zijn met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
- de ondertoezichtstelling van de dochter verlengd tot 1 december 2022;
- de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 december 2022;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
- het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot gezagsbeëindiging van de ouders afgewezen. [8]
De moeder en de pleegouders zijn ter zitting niet verschenen.
- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigd, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
- het gezag van de vader en de moeder over de dochter beëindigd;
- de GI benoemd tot voogd over de dochter;
- de griffier verzocht krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van de beschikking toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Rotterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register; en
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.Ontvankelijkheid
4.Bespreking van het middel
De wijze van oproeping is geregeld in Boek 1, titel 3, afd. 3 (art. 271 t/m 277 Rv). Deze afdeling is op grond van art. 362 Rv Pro, in beginsel, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
De oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden is geregeld in art. 272 Rv Pro. Voor zover in deze zaak van belang geschiedt deze door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt (zie derde volzin van art. 272 Rv Pro [16] ).
Deze gang van zaken is nog eens bevestigd door de griffie van het hof in antwoord op het door mij ambtshalve laten inwinnen van inlichtingen.
Daaraan kan, ingevolge de onder 4.6 geciteerde beschikking van de Hoge Raad, worden toegevoegd dat zelfs als de moeder deugdelijk was opgeroepen, er in dit geval sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de moeder is ontvangen. Gelet op de adressering van de oproep voor de mondelinge behandeling “p/a” aan de GI, had het hof moeten onderzoeken of de oproep de moeder had bereikt of onmiddellijk een nieuwe behandeling moeten gelasten. Het gaat hier immers om een maatregel (beëindiging van ouderlijk gezag) die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer waartegen de moeder zich in eerste aanleg heeft verweerd.
Dienaangaande merk ik ter informatienog het volgende op. [19]
Een geheimhoudingsindicatie in de zin van art. 2.59 Wet BRP heeft uitsluitend gevolgen voor de verstrekking van gegevens aan
derden, en dus niet voor gegevensverstrekking aan overheidsorganen.