ECLI:NL:PHR:2023:698

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2023
Publicatiedatum
27 juli 2023
Zaaknummer
23/00465
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426 lid 1 RvArt. 361 Rv lid 1Art. 271 RvArt. 272 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt gezagsbeëindiging wegens schending hoor en wederhoor door gebrekkige oproeping moeder

In deze zaak stond de beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige centraal. De Raad voor de Kinderbescherming had bij het hof hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek tot gezagsbeëindiging door de rechtbank. De moeder, die in eerste aanleg verweer voerde, was niet verschenen bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof oordeelde dat zij behoorlijk was opgeroepen, hoewel de oproep per gewone post p/a aan de GI was verzonden en niet rechtstreeks aan de moeder.

De moeder stelde in cassatie dat zij niet op de hoogte was gesteld van de zitting en dat de oproep niet aan haar was doorgegeven door de GI. De Hoge Raad overwoog dat de moeder als niet-verschenen belanghebbende per aangetekende brief had moeten worden opgeroepen en dat het hof had moeten onderzoeken of de oproep haar had bereikt. Dit onderzoek was achterwege gebleven, waardoor het fundamentele recht op hoor en wederhoor was geschonden.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij twijfel over ontvangst van een oproep de rechter onderzoek moet doen en indien nodig de zitting moet verplaatsen. Gezien het ingrijpende karakter van de gezagsbeëindiging en de omstandigheden van de zaak was het nalaten van dit onderzoek onrechtmatig. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en verwezen voor een nieuwe behandeling.

De zaak benadrukt het belang van correcte oproeping en naleving van het beginsel van hoor en wederhoor in procedures die diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer, zoals gezagszaken. Ook wordt gewezen op de wettelijke regels omtrent oproeping en de beperkingen van het gebruik van een geheimhoudingsindicatie in de basisregistratie personen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor door gebrekkige oproeping van de moeder, en de zaak wordt verwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00465
Zitting30 juni 2023
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
[de moeder]
(hierna: de moeder)
tegen
1. Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam (hierna: de raad voor de kinderbescherming)
2. [de vader] (hierna: de vader)
3. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI)

1.Korte aanduiding van de zaak

1.1
In deze zaak heeft het hof het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van zowel de vader als de moeder toegewezen. De moeder is in hoger beroep niet verschenen.
1.2
Deze zaak gaat in cassatie uitsluitend over de vraag of het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, omdat het hof, nadat de moeder niet op de mondelinge behandeling was verschenen, heeft nagelaten te onderzoeken of de moeder behoorlijk was opgeroepen.

2.Feiten en procesverloop

Feiten [1]
2.1
Het ouderlijk gezag over de minderjarige [de dochter] (hierna: de dochter) wordt uitgeoefend door de vader en de moeder.
2.2
Sinds 17 juli 2018 is de dochter met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Zij verblijft sinds 31 maart 2019 bij pleegouders.
2.3
Bij beschikking van 18 december 2020 van de rechtbank Rotterdam is de dochter onder toezicht gesteld.
Procesverloop [2]
2.4
De GI heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 5 oktober 2021, verzocht om zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar te verlengen. [3]
2.5
De raad voor de kinderbescherming heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 25 oktober 2021, verzocht om het gezag van de ouders te beëindigen en de GI, uitvoerbaar bij voorraad, tot voogdes over de dochter te benoemen. [4]
2.6
De moeder heeft verweer gevoerd. Zij heeft daarbij tevens als zelfstandig verzoek verzocht, samengevat, dat de GI zal worden vervangen door een andere door de rechtbank te bepalen gecertificeerde instelling en dat zal worden bepaald dat een nieuw onderzoek zal worden verricht door de raad voor de kinderbescherming. [5]
2.7
Op 30 november 2021 heeft een mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader, de pleegouders en vertegenwoordigers van de raad voor de kinderbescherming en de GI. Tevens is een pleegzorgwerker verschenen, die door de rechtbank als informant is aangemerkt.
2.8
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het de raad voor de kinderbescherming en de GI niet is gelukt om de voor de ouders, vanwege hun auditieve beperking, noodzakelijke tolk te regelen. Alle betrokkenen hebben vervolgens ingestemd met een aanhouding en een kortdurende verlenging van de lopende maatregelen zodat de zaken op een later moment alsnog inhoudelijk kunnen worden behandeld.
2.9
De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van eveneens 30 november 2021, voor zover van belang:
- de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 februari 2022;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de behandeling van het verzoek van de raad voor de kinderbescherming aangehouden; en
- alvorens verder te beslissen de verdere behandeling van de zaken aangehouden en verzoekers en belanghebbenden opgeroepen te verschijnen voor een mondelinge behandeling op 14 januari 2022.
2.1
Op 27 januari 2022 zijn de verzoeken van de raad voor de kinderbescherming en de GI mondeling behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader en vertegenwoordigers van de GI en de raad voor de kinderbescherming. De bij de eerdere zitting verschenen pleegzorgwerker is wederom verschenen en gehoord als informant.
De ouders zijn bijgestaan door een beëdigde doventolk.
De pleegouders zijn met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
2.11
Voor zover in cassatie van belang heeft de raad voor de kinderbescherming tijdens de zitting het verzoek tot gezagsbeëindiging van de ouders gehandhaafd. Zowel de GI als de pleegzorgmedewerkster heeft zich ter zitting bij dit verzoek aangesloten. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij het verzoek van de raad voor de kinderbescherming begrijpt, dat het gaat goed met de dochter bij de pleegouders en dat deze situatie dient voort te duren. De moeder heeft de wens tot uitdrukking gebracht dat de dochter weer bij haar komt wonen en o.m. verklaard dat zij meewerkt aan alle gezagsbeslissingen die genomen moeten worden en dat zij, als de dochter niet wordt teruggeplaatst, meer en onbegeleid contact met haar wil hebben. [6]
2.12
Gelet op de complexiteit van de zaken was de kinderrechter op 27 januari 2022 van oordeel dat niet direct voor het einde van de maatregelen uitspraak kon worden gedaan. Met instemming van alle betrokkenen zijn bij tussenbeschikking van 27 januari 2022 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg kort verlengd. [7]
2.13
Daarna heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 24 februari 2022:
- de ondertoezichtstelling van de dochter verlengd tot 1 december 2022;
- de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 december 2022;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
- het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot gezagsbeëindiging van de ouders afgewezen. [8]
2.14
De raad voor de kinderbescherming heeft van de eindbeschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag en heeft daarbij verzocht deze beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, het verzoek om het gezag van de vader en de moeder over de dochter te beëindigen alsnog toe te wijzen en de GI te benoemen tot voogd over de dochter. [9]
2.15
De zaak is op 18 oktober 2022 mondeling behandeld waarbij zijn verschenen: een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming, de vader en een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder en de pleegouders zijn ter zitting niet verschenen.
2.16
Het hof heeft vervolgens bij eindbeschikking van 23 november 2022:
- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigd, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
- het gezag van de vader en de moeder over de dochter beëindigd;
- de GI benoemd tot voogd over de dochter;
- de griffier verzocht krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van de beschikking toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Rotterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register; en
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.17
De moeder heeft van de eindbeschikking (hierna: de bestreden beschikking) tijdig cassatieberoep ingesteld. [10] De raad voor de kinderbescherming, de vader en de GI hebben geen verweer gevoerd.

3.Ontvankelijkheid

3.1
Op grond van art. 426 lid 1 Rv Pro kan van een beschikking cassatieberoep worden ingesteld door degene die in een van de vorige instanties is verschenen. Een persoon is verschenen indien hij een verweerschrift heeft ingediend of ter zitting is gehoord. [11] De moeder heeft in eerste aanleg een verweerschrift ingediend en is ter zitting van de rechtbank gehoord. Zij is dus ontvankelijk in haar cassatieberoep.

4.Bespreking van het middel

4.1
Het middel komt uitsluitend op tegen rov. 2.4 van de bestreden beschikking waarin het hof overweegt:
“2.4 De moeder en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.”
4.2
Geklaagd wordt dat deze overweging rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Daartoe voert het middel, met verwijzing naar vier bij de procesinleiding gevoegde bijlagen het volgende aan. De moeder heeft geen oproep ontvangen en is überhaupt niet op de hoogte gesteld van het hoger beroep. [12] De moeder werd op enig moment met de bestreden beschikking geconfronteerd, waarop haar advocaat op 14 december 2022 contact heeft opgenomen met de griffie van het hof. Toen is, zakelijk weergegeven, duidelijk geworden dat het beroepschrift aangetekend ter attentie van de moeder p/a aan de GI is verzonden en dat de oproep voor de mondelinge behandeling van 18 oktober 2022 per gewone post is verzonden ter attentie van de moeder p/a aan de GI. [13] De GI heeft een en ander niet aan de moeder doorgezonden en in elk geval de uitnodiging voor de mondelinge behandeling niet aan de moeder toegezonden. [14] Daarmee is, aldus het middel, de beschikking van het hof met schending van het beginsel van hoor en wederhoor tot stand gekomen, nu de moeder ten onrechte niet ter zitting is gehoord. Gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, waarvan de naleving essentieel is voor een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, had het hof moeten onderzoeken of de moeder behoorlijk was opgeroepen, welk onderzoek kennelijk is nagelaten (terwijl blijkens de “kop” van de beschikking het adres van de moeder nota bene bij het hof bekend was). Indien het hof dat wel had gedaan, zou dat aanleiding hebben moeten zijn de mondelinge behandeling te verplaatsen, dan wel een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen, hetgeen het hof heeft miskend, aldus steeds het middel. [15]
Oproeping van belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure in hoger beroep
4.3
Art. 361 Rv Pro lid 1 bepaalt, voor zover van belang, dat in verzoekschriftprocedures in hoger beroep de rechter dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt en tevens oproeping beveelt van de appellant, van de verzoeker in eerste aanleg en van de in eerste aanleg in de procedure verschenen belanghebbenden.
De wijze van oproeping is geregeld in Boek 1, titel 3, afd. 3 (art. 271 t/m 277 Rv). Deze afdeling is op grond van art. 362 Rv Pro, in beginsel, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
4.4
Art. 271 Rv Pro bepaalt dat de oproeping van verzoekers of van in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
De oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden is geregeld in art. 272 Rv Pro. Voor zover in deze zaak van belang geschiedt deze door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt (zie derde volzin van art. 272 Rv Pro [16] ).
4.5
De Hoge Raad heeft in een beschikking van 21 oktober 2011 [17] , in eveneens een gezagsprocedure, geoordeeld dat de oproeping voor de mondelinge behandeling van de vader, die geen verweerschrift had ingediend, op de voet van art. 272 Rv Pro in verbinding met art. 362 Rv Pro per aangetekende brief had moeten geschieden.
4.6
Daarnaast heeft de Hoge Raad, zakelijk weergegeven, in een beschikking van 16 november 2012 [18] geoordeeld dat ook na een deugdelijke oproeping aanleiding kan bestaan om onderzoek te doen naar de ontvangst van de oproeping en het eventueel uitstellen van de mondelinge behandeling. De Hoge Raad overwoog het volgende:
“3.4 (…) Op zichzelf kan op grond van art. 271 Rv Pro bij de oproeping van verzoekers en van in de procedure verschenen belanghebbenden worden volstaan met een gewone brief, zoals in dit geval is gebeurd blijkens de door Advocaat-Generaal bij het hof opgevraagde kopieën van de oproepingsbrieven. Dit levert in beginsel een deugdelijke oproeping op. Gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, waarvan de naleving essentieel is voor een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, dient de rechter evenwel, indien sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de opgeroepene is ontvangen, onderzoek naar die ontvangst te doen en, indien daartoe aanleiding bestaat, de datum van de mondelinge behandeling te verplaatsen of een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen.
In dit geval zijn vijf van de zes opgeroepenen ter zitting niet verschenen, terwijl de moeder, haar advocaat en de stichting bij de zitting in eerste aanleg wel waren verschenen. De moeder verzet zich tegen de ontheffing. Het gaat bovendien om een maatregel die diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpt. Dit een en ander laat geen ander oordeel toe dan dat redelijkerwijs twijfel erover kon bestaan dat de oproep door de moeder was ontvangen, zodat het hof het hiervoor genoemde onderzoek had moeten doen of onmiddellijk een nieuwe behandeling had moeten gelasten.
(…).”
4.7
Uit de bij de procesinleiding gevoegde bijlage 2 en 3 leid ik af dat de brief van de griffier van het hof van 24 augustus 2022, waarin de moeder werd opgeroepen, per gewone post is verzonden aan de moeder “p/a” de GI.
Deze gang van zaken is nog eens bevestigd door de griffie van het hof in antwoord op het door mij ambtshalve laten inwinnen van inlichtingen.
4.8
Het voorgaande brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld. De moeder had als niet-verschenen belanghebbende per aangetekende post moeten worden opgeroepen.
Daaraan kan, ingevolge de onder 4.6 geciteerde beschikking van de Hoge Raad, worden toegevoegd dat zelfs als de moeder deugdelijk was opgeroepen, er in dit geval sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de moeder is ontvangen. Gelet op de adressering van de oproep voor de mondelinge behandeling “p/a” aan de GI, had het hof moeten onderzoeken of de oproep de moeder had bereikt of onmiddellijk een nieuwe behandeling moeten gelasten. Het gaat hier immers om een maatregel (beëindiging van ouderlijk gezag) die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer waartegen de moeder zich in eerste aanleg heeft verweerd.
4.9
Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
4.1
In de als bijlage 3 bij de procesinleiding gevoegde e-mail van de griffie van het hof van 23 januari 2023 wordt vermeld dat de moeder via de GI is opgeroepen omdat zij volgens het GBA een geheim adres heeft.
Dienaangaande merk ik ter informatienog het volgende op. [19]
4.11
De Wet Basisregistratie Personen (hierna: Wet BRP) regelt dat alle Nederlandse ingezetenen, en sommige niet-ingezetenen, worden geregistreerd in de bevolkingsadministratie, de basisregistratie personen (art. 1.2 Wet BRP). De Wet BRP verving op 6 januari 2014 de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA). Uitgangspunt van de bevolkingsadministratie is dat iedere ingezetene over een adres dient te beschikken om bereikbaar te zijn voor de overheid. De wet realiseert dit uitgangspunt – in normatieve zin – door van iedere ingezetene te eisen dat hij zich laat inschrijven op een woonadres of, bij gebreke daarvan, een briefadres.
4.12
Art. 2.59 Wet BRP biedt ingeschrevenen de mogelijkheid een “aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden” te laten opnemen op hun ‘persoonslijst’, de zogeheten ‘geheimhoudingsindicatie’. Deze indicatie wordt op schriftelijk verzoek kosteloos opgenomen, en is niet aan nadere wettelijke eisen onderworpen. Dat betekent dat iedereen die daarom vraagt, een geheimhoudingsindicatie krijgt. Op het aanvraagformulier voor geheimhouding hoeft ook geen reden voor geheimhouding te worden opgegeven.
Een geheimhoudingsindicatie in de zin van art. 2.59 Wet BRP heeft uitsluitend gevolgen voor de verstrekking van gegevens aan
derden, en dus niet voor gegevensverstrekking aan overheidsorganen.
Proces-verbaal
4.13
Ik vermeld nog dat ik – ten overvloede – ambtshalve het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof heb laten opvragen. Ik heb dat nog niet ontvangen. Gelet op de aard van de zaak hecht ik er evenwel aan dat deze conclusie op de aan de moeder meegedeelde datum van 30 juni 2023 wordt genomen.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van gerechtshof Den Haag van 23 november 2022 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 23 november 2022, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl (hierna: de bestreden beschikking), rov. 3.1 t/m 3.4, de tussenbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2021, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2022, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl (hierna: de eindbeschikking van de rechtbank), beide onder het kopje “De feiten”.
2.Voor zover in cassatie van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2021 en de eindbeschikking van de rechtbank, beide onder het kopje ‘Het procesverloop’. Zie voor het procesverloop in hoger beroep de bestreden beschikking, rov. 2.
3.Dit verzoek is geadministreerd onder zaaknummer C/10/626509/JE RK 21-2637.
4.Dit verzoek is geadministreerd onder zaaknummer C/10/627613/JE RK 21-2819.
5.Zie het petitum van het verweerschrift, par. 7 en 8. Dat het verweerschrift een zelfstandig verzoek bevat, wordt door de rechtbank vermeld in de beschikking van 30 november 2021 onder het kopje “Het procesverloop”.
6.Zie de eindbeschikking van de rechtbank, onder het kopje “De standpunten”.
7.Zie het procesverloop op p. 2 van de eindbeschikking van de rechtbank. Deze tussenbeschikking is niet overgelegd.
8.Ik lees in de eindbeschikking van de rechtbank geen beslissing op het zelfstandig verzoek van de moeder.
9.Zie de bestreden beschikking, rov. 4.2.
10.De procesinleiding is op 8 februari 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
11.Zie o.a. HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2764,
12.Het middel merkt hierbij in voetnoot 1, samengevat, op dat navraag bij de advocaat die haar in eerste instantie heeft bijgestaan, geleerd heeft dat de advocaat daar evenmin enig bericht van heeft ontvangen.
13.Hierbij verwijst het middel naar de volgende bijlagen: een e-mail van de advocaat van de moeder aan de griffie van het hof van 14 december 2022 (bijlage 1 bij de procesinleiding), een telefoonnotitie van de secretaresse van de advocaat van de moeder van 15 december 2022 (bijlage 2 bij de procesinleiding) en een e-mail van de griffie van het hof aan de (cassatie)advocaat van de moeder van 23 januari 2023 met daarbij de brief van het hof waarmee het beroepschrift p/a aan de GI is gezonden en de brief van het hof waarmee de oproep voor de mondelinge behandeling p/a aan de GI is gezonden (bijlage 3 bij de procesinleiding).
14.Hier wordt in het middel verwezen naar een e-mail van de GI aan de moeder van 5 december 2022 die als bijlage 4 bij het middel is overgelegd.
15.Het middel verwijst in voetnoot 2 naar HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3086 en HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5573.
16.De eerste volzin betreft niet in de procedure verschenen belanghebbenden van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf onbekend is.
17.HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3086,
18.HR 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5573,
19.Deze opmerkingen zijn grotendeels ontleend aan de conclusie van A-G De Bock van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:484 voor HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, onder 5.1-5.4 en 6.1-6.3 met bijbehorend voetnotenapparaat.