Conclusie
3.Het eerste middel
hij op 19 april 2020 te [plaats] een wapen van categorie III, onder I van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, pistool, van het merk Walter, type P99 AS, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 8-9 van het proces-verbaal genummerd 2020118415) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 14-15 van het proces-verbaal genummerd 2020118415) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Goednummers
PL0900-2020118415-2616613 (pistool)
PL0900-2020118415-2616614 (patroonmagazijn) en
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 35 en 39 van het proces-verbaal genummerd 2020118415) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 11] :
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 70 van het proces-verbaal genummerd 2020118415) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 11] :
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
2. [betrokkene 1] (…) (over "iets" meenemen)
(…)
(…)
4. Verbalisant [verbalisant 4] en verbalisant [verbalisant 5]
1. [betrokkene 3] ,
“De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:
(…) De verbalisanten [de AG begrijpt: verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] ] hebben na de zitting in eerste aanleg een aanvullend proces-verbaal opgemaakt want kennelijk was het eerste verbaal [de AG begrijpt: het door het hof als bewijsmiddel 3 gebezigde proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] ] niet voldoende. Alles wat relevant is moet worden gerelateerd. Kijkend naar de verklaringen van verbalisanten, afgelegd bij de raadsheer-commissaris, is er geen fatsoenlijke uitleg voor het feit dat er meerdere discrepanties zitten tussen het eerste proces-verbaaI en het aanvullend procesverbaal. (…) De advocaat-generaal gaat ervan uit dat getuige [de AG begrijpt: getuige [betrokkene 3] ] iets heeft verklaard wat in een ambtsedig proces-verbaal terecht is gekomen, maar het is een gesprekje geweest op straat. Er staat geen handtekening van een getuige onder. Die persoon heeft bij de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd en daar onder ede bevestigd dat hij geen wapen heeft gezien. De raadsheer-commissaris heeft de mogelijkheid om een meineedprocedure te starten, maar hij heeft dat niet gedaan, omdat een gesprekje op straat de kwaliteiten mist om een dergelijke vervolgstap te rechtvaardigen. We moeten het er dus voor houden dat de verbalisanten misschien wel naar waarheid een proces-verbaal hebben opgemaakt, maar dat dit proces-verbaal niet de volledige werkelijkheid weergeeft. Uit de verklaringen van de verbalisanten bij de raadsheer-commissaris blijkt ook dat het nodige mis is gegaan. Er stonden dingen in het procesverbaal die er niet in hadden moeten staan en dingen die er niet in stonden hadden er wel in moeten staan. Cliënt moet het voordeel van de twijfel krijgen en worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.”