Conclusie
1.[eiser 1] ,
[eisers]respectievelijk
[het bouwbedrijf].
1.Inleiding
per saldo– na verrekening van het restant van de aanneemsom (ca. € 29.000) met schadevergoeding die de aannemer aan de opdrachtgever dient te betalen (ca. € 50.000) – de aannemer niets meer te vorderen heeft uit hoofde van de aannemingsovereenkomst, zodat verrekening van het gestelde minderwerk (ca. € 16.000) met een verbintenis uit die overeenkomst niet mogelijk is. In het principaal cassatieberoep komen de opdrachtgevers, [eisers] , tegen deze beslissing op. Zij betogen dat als verrekening niet mogelijk is, het te veel betaalde moet worden terugbetaald. Ik meen terecht. In het principaal beroep concludeer ik daarom tot vernietiging.
2.Feiten
Géén meerwerk verrekenbaar, alleen minderwerk”. Daarachter is als toevoeging van [het bouwbedrijf] vermeld:
“(…) Voor extra gewenste werkzaamheden zullen we een separate offerte maken”. Op 11 november 2014 heeft [het bouwbedrijf] de opdracht bevestigd. De opdrachtbevestiging is door beide partijen ondertekend. [4]
3.Procesverloop
de rechtbank). [het bouwbedrijf] heeft in conventie gevorderd, kort weergegeven, dat [eisers] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 29.717,86 (inclusief BTW), met rente en kosten.
in conventiede vorderingen van [het bouwbedrijf] afgewezen en
in reconventie:
het hof). Zij heeft, onder aanvoering van twaalf grieven, geconcludeerd (i) tot vernietiging van deze vonnissen (ii) tot toewijzing van haar vordering en (iii) tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , (iv) met veroordeling van [eisers] in de kosten van beide instanties.
in het principaal en in het incidenteel appelhet tussenvonnis van 10 januari 2018 en het eindvonnis voor het overige bekrachtigd, [eisers] veroordeeld in de kosten, zijn arrest wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard en hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd afgewezen. Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
betaalten dat ook [het bouwbedrijf] dit zo heeft begrepen, en niet heeft gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat er niets te verrekenen valt. [10] Het subonderdeel klaagt dat het, nu beide partijen de vordering van [eisers] op gelijke wijze uitleggen, het hof niet vrij stond om die vordering op andere wijze uit te leggen en dat het hof door dat wel te doen art. 24 Rv Pro heeft geschonden, buiten het debat van partijen is getreden en zijn taak als appelrechter heeft miskend.
betalingvorderen ter zake van minderwerk.
per saldoverschuldigd is, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot wat onder verrekening van minderwerk moet worden verstaan, althans het oordeel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende toereikend gemotiveerd is.
minderwerk. In de parlementaire geschiedenis van de invoering van titel 7.12 BW (aanneming van werk) is wel aan minderwerk aandacht besteed. Minderwerk is daar in de sleutel geplaatst van het recht tot wijziging van de verleende opdracht, dat voortvloeit uit de aard van de overeenkomst en uit art. 6:2 BW Pro en art. 6:248 BW Pro.
verandering van het contractop het punt van de aanneemsom. [13]
verminderingenkunnen omvatten. Het artikel spreekt immers slechts over prijs
verhogingen.
Volgens de Commissie Boek 7 zou art. 7:755 BW Pro wederkerig moeten worden geredigeerd in die zin dat ook prijsverlaging in geval van vermindering van het werk kan worden gevorderd door de aanbesteder. In gelijke zin Thunnissen (
WPNR5260, p. 267 en 281, en in Asser-Thunnissen, nr. 703) en Cavadino c.s. (
BR1980, p. 580).”
(…) Meerwerk kan worden omschreven als een door de opdrachtgever gewenste verrichting van de aannemer die uitgaat boven zijn verplichting om het in de vraagspecificatie omschreven werk tot stand te brengen en op te leveren, zodat de aannemer voor het doen van deze verrichting recht heeft op bijbetaling boven de overeengekomen aanneemsom. Minderwerk is hiervan het spiegelbeeld. Hierbij gaat het om een mindere verrichting dan in de vraagspecificatie is aangegeven, ten gevolge waarvan de opdrachtgever gerechtigd is tot een inhouding op de overeengekomen aanneemsom. Ook prijsverlaging in geval van vermindering van het werk lijkt echter te kunnen worden gevorderd door de opdrachtgever. Naar algemeen recht leidt verrekening van meer- en minderwerk tot verhoging, respectievelijk verlaging van de overeengekomen aanneemsom. Die verrekeningen leiden aldus tot wijziging van die aanneemsom.
UAV 2012) lijken af te wijken van het zojuist genoemde uitgangspunt. [18] In § 35 UAV 2012 is een regeling over meer- en minderwerk opgenomen. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(...)
per saldois verschuldigd is dus het meerwerk al opgenomen en het minderwerk al afgetrokken. Volgens Van Gulijk ligt daarmee in het stelsel van de UAV 2012 een afwijking besloten van het naar algemeen recht geldende uitgangspunt dat verrekening van minderwerk (evenals van meerwerk) leidt tot wijziging van de aanneemsom. [19] Aan dat uitgangspunt kan hier worden vastgehouden.
per saldovan [eisers] niets meer te vorderen heeft ter zake van de aanneemsom.
mogenechter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd, onder meer indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Of en in hoeverre in een dergelijk geval tot compensatie van de kosten wordt overgegaan, is aan het feitelijk oordeel van de rechter overgelaten. [24] Art. 237 lid 1 Rv Pro is op grond van art. 353 lid 1 Rv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
wijziging van het dictumis bewerkstelligd. [25] De rechter heeft een grote mate van vrijheid bij de proceskostenbeslissing. In het algemeen toetst de Hoge Raad de wijze waarop de lagere rechter van deze vrijheid gebruik maakt niet op juistheid, maar alleen op begrijpelijkheid. [26]
slotsomis dat de subonderdelen 2.1-2.3, 2.4 en 2.6 van het principale middel terecht zijn voorgesteld
5.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
in redelijkheid geen beroep op verrekening van minderwerk” hetzelfde bedoelt als (de rechtbank) met “
redelijkerwijs geen beroep op ontbreken instemming vervangende werkzaamheden”, aldus het onderdeel.
waarbij als uitgangspunt geldt dat wat behouden kan worden, niet vervangen wordt”.
toch recht heeft op vergoeding van meerwerk, ondanks een tussen partijen andersluidende afspraak daarover” en dat meer-/minderwerk met elkaar verrekend dienen te worden. [31] [het bouwbedrijf] heeft zich achter de overweging van de rechtbank geschaard en gesteld dat zij wel degelijk meerwerk heeft verricht dat opweegt tegen het minderwerk. [32]
nietop een volledige inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van de minderwerkvordering. Het hof heeft – evenals de rechtbank [37] – in het midden gelaten of en in hoeverre er daadwerkelijk van verrekenbaar minderwerk sprake was. Het hof kon daar zo kort over zijn, omdat het van oordeel was dat verrekening van minderwerk toch niet aan de orde was en de vordering van [eisers] om die reden moest worden afgewezen. Laatstgenoemd oordeel wordt evenwel met vrucht bestreden in het principaal cassatieberoep. Daarom kan na verwijzing de vraag naar het bestaan en de omvang van verrekenbaar minderwerk alsnog relevant worden.
het saldovan de kosten van de vervangende werkzaamheden minus de kosten van de oorspronkelijk opgedragen werkzaamheden als meer- of minderwerk kan worden gekwalificeerd, dient ook de gegrondheid van dat betoog na verwijzing nog te worden beoordeeld (subonderdeel 2.1).