Conclusie
niet verschenen
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1). Bovendien klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de rechter ambtshalve acht moet slaan op de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW (
onderdeel 2).
onderdeel 3een veegklacht opgenomen voor het geval dat het hof bij zijn oordeel in rov. 5.8 dat het beroep van [verweerder] op toekenning van de (volledige) transitievergoeding
nietnaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft meegewogen “
dat het UWV heeft beslist dat Botobe niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan een beroep kan worden gedaan op de overbruggingsregeling transitievergoeding” en “
dat Botobe niet (tijdig) een beroep heeft gedaan op artikel 7:673d BW”.Indien één of meer klachten uit de onderdelen 1 en 2 slagen, heeft als vaststaand te gelden dat Botobe wél tijdig een beroep op art. 7:673d BW heeft gedaan en zal een verwijzingshof alsnog moeten beoordelen of Botobe aan de voorwaarden voor toepassing van de Overbruggingsregeling voldoet, aldus het onderdeel.
4.Juridisch kader
- Ten gunste van werknemers met een dienstverband van tien jaar of langer, die op 1 januari 2015 50 jaar of ouder waren, is een overgangsregeling ingesteld waardoor zij recht hebben op een
- Deze gunstige regeling voor oudere werknemers geldt niet voor kleine werkgevers en door de minister aan te wijzen categorieën van werkgevers (art. 7:673a lid 2 en 3 BW).
- De transitievergoeding is
- De transitievergoeding is
- Indien de betaling van de transitievergoeding leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever, kan de transitievergoeding onder door de minister te bepalen voorwaarden
- Tot slot is ten gunste van kleine werkgevers die wegens slechte bedrijfseconomische omstandigheden werknemers moeten ontslaan een overbruggingsregeling transitievergoeding opgenomen waardoor in veel gevallen een
te rekenen vanaf 1 mei 2013. [14] Hierdoor valt de transitievergoeding in deze gevallen voor werknemers die al vóór 1 mei 2013 in dienst waren, (aanzienlijk) lager uit dan volgens de gewone regels het geval zou zijn. Uit de hiervoor vermelde voorwaarden volgt dat de Overbruggingsregeling uitsluitend geldt voor de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Uit de toelichting op het amendement blijkt dat met de datum van 1 mei 2013 is aangesloten bij de datum waarop het Sociaal Akkoord is gesloten, te weten 11 april 2013. De gedachte is dat de werkgever vanaf die datum wist of in redelijkheid kon weten dat hij in de toekomst een transitievergoeding verschuldigd zou zijn en daarvoor een reservering moest doen. [15] De Overbruggingsregeling geldt tot 1 januari 2020, waarmee is aangesloten bij de einddatum van de overgangsregeling voor oudere werknemers in art. 7:673a BW. De gedachte is dat deze periode ook kleine werkgevers voldoende tijd zou moeten bieden om reserves op te bouwen, zo blijkt uit de toelichting op het amendement. Bij een ontslag na 1 januari 2020 zullen de dienstjaren vóór 1 mei 2013 weer gewoon moeten worden meegeteld bij de berekening van de omvang van de transitievergoeding. [16]
ANWB-beschikking. [20] Art. 24 lid 1 Ontslagregeling Pro bepaalt wanneer sprake is van een kleine werkgever indien de werkgever deel uitmaakt van een groep als bedoeld in art. 2:24b BW. In art. 24 lid 2 onder Pro a t/m c Ontslagregeling is geregeld onder welke cumulatieve voorwaarden de regeling in art. 7:673d BW van toepassing is. Vereist is dat:
In het tweede en derde lid is geregeld op welk moment de werkgever en de werknemer het UWV kunnen verzoeken te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 24 van Pro de Ontslagregeling is voldaan. De werkgever kan dit verzoek uitsluitend tegelijk met het verzoek om toestemming doen. Voor de werknemer geldt dat het verzoek op zijn laatst tegelijk met het verweer kan worden gedaan.De behandeling van het verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en de beoordeling of aan de voorwaarden van artikel 24 van Pro de onderhavige regeling is voldaan, zullen aldus in dezelfde procedure plaatsvinden. De door werkgever aangeleverde financiële stukken vormen immers de basis voor zowel het verzoek om toestemming voor opzegging als een beoordeling op grond van onderhavig artikel. Benodigde stukken voor het geven van een oordeel of aan de in artikel 24 Ontslagregeling Pro opgenomen drie voorwaarden is voldaan, maken onderdeel uit van het volledig verzoek dat benodigd is om het verzoek om toestemming in behandeling te kunnen nemen. UWV zal partijen tegelijk met de beslissing op een verzoek om toestemming voor opzegging op de hoogte stellen van de beoordeling van het verzoek op grond van onderhavig artikel, alsmede andere werknemers die betrokken zijn in de ontslagprocedure.”
verplichtis. [25] De toelichting vermeldt immers dat de werkgever of de werknemer het UWV
kanverzoeken een oordeel te geven over de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling. Ook de omstandigheid dat het oordeel van het UWV geen besluit is in de zin van de Awb maar slechts een niet op rechtsgevolg gerichte verklaring, wijst hierop. Ten slotte kan uit de toelichting worden afgeleid dat er vanuit doelmatigheids- en efficiëntieoverwegingen voor is gekozen om het indienen van een verzoek als bedoeld in art. 8 lid 1 Regeling Pro UWV ontslagprocedure te koppelen aan de door de werkgever bij het UWV ingediende ontslagaanvraag. Zowel het verzoek om toestemming voor opzegging als het verzoek om een verklaring dat is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden in art. 24 lid 2 Ontslagregeling Pro, moeten namelijk worden beoordeeld op basis van dezelfde, door de werkgever aan te leveren financiële stukken.
De procedures bij de kantonrechter worden door een verzoekschrift aanhangig gemaakt. Dat geldt niet alleen voor het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst maar ook als de werknemer de opzegging door de kantonrechter wil laten vernietigen (bijvoorbeeld wegens het ontbreken van zijn schriftelijke instemming of van toestemming van UWV), hij de overeenkomst wil laten herstellen, of een geschil over bijvoorbeeld het recht op of de hoogte van een vergoeding wil laten beslechten door de rechter. De werknemer dient een dergelijk verzoek te doen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.Dit is slechts anders bij een geschil over de hoogte van de transitievergoeding. In dat geval geldt een termijn van drie maanden. Dit hangt samen met het feit dat de transitievergoeding doorgaans pas tegelijk met de eindafrekening zal worden betaald, in de maand na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Pas op dat moment weet de werknemer of de (juiste) transitievergoeding is betaald. De termijn waarbinnen een verzoek bij de rechter moet worden gedaan betreft een vervaltermijn en niet een verjaringstermijn (die laatste kan worden gestuit, een vervaltermijn niet). Hiermee wordt de periode van onzekerheid overhet al dan niet voortduren van de arbeidsovereenkomst, over het mogelijke herstel van de arbeidsovereenkomst of overhet verschuldigd zijn en de hoogte van een vergoeding, in eerste aanleg, zo kort mogelijk gehouden. De behandeling van de hiervoor genoemde verzoeken zal binnen vier weken aanvangen.”
Hetvierde lid
regelt de termijnen waarna de bevoegdheid om de rechter iets te verzoeken vervalt. Indien deze termijnen verstrijken, zal de rechter de verzoeker niet ontvankelijk verklaren. Voor verzoeken die verband houden met de transitievergoeding geldt een termijn van drie maanden. Deze termijn is een maand langer dan de termijn die voor overige verzoeken geldt. Daarvoor is gekozen, omdat in het eerste lid is geregeld dat de wettelijke rente over de transitievergoeding na een maand verschuldigd is. Als op dat moment bijvoorbeeld blijkt dat de transitievergoeding niet betaald wordt, is de reguliere termijn van twee maanden te kort. Er is dan immers al ongeveer een maand verstreken.”
De auteur stelt verder voor om alle vervaltermijnen in artikel 7:686a op drie in plaats van twee maanden te stellen.Het voordeel – dat de auteur ook zelf noemt – te weten dat partijen in het nieuwe systeem aanzienlijk sneller weten waar ze aan toe zijn, weegt wat de regering betreft echter op tegen het veronderstelde nadeel dat in het artikel worden genoemd, namelijk dat de werknemer (te) snel actie zou moeten ondernemen om zijn positie bepalen. De auteur verwacht dat hierdoor de kans op het bereiken van een schikking voor aanvang van de procedure zal afnemen. De regering meent dat een termijn van twee maanden voldoende is om die positie te bepalen en merkt daarbij op dat deze termijn ook in het huidige BW wordt gehanteerd, meer in het bijzonder als het gaat om opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met een opzegverbod of met discriminatieverboden. Mede gelet hierop bestaat er dan ook geen aanleiding om de termijn te verlengen van twee naar drie maanden.”
vóórde opvatting dat de werkgever in alle gevallen binnen de vervaltermijn van de drie maanden een beroep op de Overbruggingsregeling moet doen, geldt de expliciete verwijzing naar art. 7:673d BW in de tekst van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW. Illustratief is de uitspraak van de kantonrechter Arnhem in de onderhavige zaak (mijn onderstreping): [39]
equality of arms’:
art. 7:673d BW een zelfstandige grondslag kent” en in de wet of de toelichting niet is terug te vinden dat de werkgever zich ook bij wege van verweer op toepassing van de bepaling kan beroepen. Daarom is volgens hem geen andere conclusie mogelijk dan dat voor een verzoek tot toepassing van art. 7:673d BW, ook als dit wordt gedaan bij wijze van tegenverzoek of verweer, de vervaltermijn van drie maanden geldt. De auteur erkent dat dit onbillijk kan uitpakken voor een werkgever, maar hij ziet daarin onvoldoende reden om tot een andere interpretatie te komen. Wel roept hij de wetgever op om op dit punt verbeteringen aan te brengen (overigens werkt hij niet nader uit wat die verbeteringen dan precies zouden moeten inhouden). [41]
dat art. 7:673d BW een zelfstandige grondslag bevat”, zoals verdedigd door Van Tuyll van Serooskerken, wordt door andere auteurs onjuist geacht. Volgens De Groot geeft art. 7:673d BW de werkgever juist géén zelfstandige aanspraak, maar houdt de bepaling slechts een (afwijkende) berekeningsgrondslag van de transitievergoeding in. De werkgever
kaneen verzoek bij het UWV indienen, maar is daartoe niet verplicht. Bovendien bindt het oordeel van het UWV partijen niet. De aanspraak van de werknemer op een transitievergoeding en de verschuldigdheid daarvan door de werkgever, vloeien voort uit de wet (art. 7:673 BW Pro). Voor het ontstaan van het recht op een transitievergoeding en het bepalen van de hoogte daarvan, is dus geen rechterlijk oordeel nodig (en evenmin een oordeel van het UWV). [42] Dit betekent dat de werkgever die een beroep op de Overbruggingsregeling wil doen, geen verzoek bij de kantonrechter hoeft in te dienen.
De Groot leidt hieruit af dat de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW slechts betrekking kan hebben op werkgeversverzoeken die ertoe strekken om een verklaring voor recht te krijgen. Bijvoorbeeld om, na discussie met de werknemer of na een negatief oordeel van het UWV, duidelijkheid te krijgen over de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling van art. 7:673d BW. [43] Nu een verzoek om een verklaring voor recht naar zijn aard echter niet kan verjaren – hooguit kan een dergelijk verzoek worden afgewezen vanwege gebrek aan belang omdat de onderliggende rechtsvordering is verjaard – is de verwijzing in art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW naar art. 7:673d BW voor werkgeversverzoeken dan ook zonder betekenis, zo stelt De Groot. [44] Hetzelfde geldt voor de verwijzing in art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW naar art. 7:673a, art. 7:673b, en art. 7:673c BW. Ook voor
werknemersverzoeken heeft de verwijzing naar art. 7:673d BW volgens De Groot geen toegevoegde waarde. Een werknemersverzoek zal immers steeds gebaseerd moeten zijn op art. 7:673 BW Pro, de enige bepaling die de werknemer aanspraak geeft op een transitievergoeding, en kan niet uitsluitend zijn gebaseerd op art. 7:673a of 7:673d BW. Voor een werknemersverzoek op grond van art. 7:673 BW Pro geldt ingevolge art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW al een vervaltermijn van drie maanden. De Groot roept de wetgever op om bij reparatiewetgeving de verwijzing naar art. 7:673a-d BW uit art. 7:686 lid Pro 4, aanhef en onder b, BW te schrappen. [45]
4.4. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 7:673d BW niet met zoveel woorden is neergelegd dat slechts bij verzoek(schrift) een beroep gedaan kan worden op de Overbruggingsregeling. Dat in artikel 7:686a lid 4 sub b BW een vervaltermijn van drie maanden is opgenomen voor het indienen van een verzoek op grond van - onder meer - artikel 7:673d BW maakt dat niet anders. Dit artikel ziet op de situatie dat een verzoekschrift bij de kantonrechter wordt ingediend. Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de werkgever uitsluitend bij wege van (tegen)verzoek een beroep op de Overgangsregeling zou kunnen doen. In dit verband overweegt de kantonrechter dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat met het opnemen van voormelde vervaltermijn is beoogd om de periode van onzekerheid over het verschuldigd zijn en de hoogte van de transitievergoeding zo kort mogelijk te houden (Kamerstukken II 33 818, nr, 3, p. 37). Aan deze bedoeling van de wetgever wordt voldaan als in verweer op een werknemersverzoek tot vaststelling van de reguliere transitievergoeding onder verwijzing naar de Overbruggingsregeling wordt bepleit dat de werknemer een lager bedrag toekomt. Bovendien betreft een dergelijk verweer niet een verzoek tot toekenning van een transitievergoeding, maar (slechts) een discussie over de toepasselijkheid van een wettelijk vastgelegde berekeningsgrondslag. Daarop is geen vervaltermijn van toepassing. Een andere uitleg zou er toe leiden dat een werkgever in alle gevallen, ook bij een voor hem gunstige beslissing van UWV op grond van artikel 24 van Pro de Ontslagregeling, binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 1 sub b BW een zelfstandig verzoek bij de kantonrechter zou moeten indienen tot verklaring voor recht dat de Overbruggingsregeling van toepassing is. Dit alles om te voorkomen dat een werknemer (eventueel onverhoeds op het laatste moment) een verzoek tot transitievergoeding indient en de werkgever zich dan niet meer zou kunnen beroepen op de Overbruggingsregeling.
- uit de wet blijkt niet dat uitsluitend bij verzoekschrift een beroep kan worden gedaan op de Overbruggingsregeling van art. 7:673d BW;
- aan het doel om de periode van onzekerheid over het verschuldigd zijn en de hoogte van een vergoeding zo kort mogelijk te houden, wordt ook voldaan als in verweer op een werknemersverzoek tot vaststelling van de transitievergoeding door de werkgever een beroep op de Overbruggingsregeling wordt gedaan;
- een dergelijk verweer stelt slechts de toepasselijkheid van een wettelijk vastgelegde berekeningsgrondslag aan de orde, waarop geen vervaltermijn van toepassing is; en
- een andersluidend oordeel kan ‘strategisch procederen’ van de werknemer uitlokken, waarop de werkgever dan in alle gevallen zou moeten anticiperen door binnen de vervaltermijn een verklaring voor recht te verzoeken dat de Overbruggingsregeling van toepassing is.
Weliswaar is het juist dat art. 7:673d BW niets inhoudt over het indienen van een verzoekschrift door de werkgever, dat dan zou moeten gebeuren binnen de termijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW. In zoverre kan inderdaad worden gesteld dat art. 7:673d BW ‘geen zelfstandige grondslag’ bevat. Ditzelfde geldt echter ook voor art. 7:673 BW Pro, waarin het wettelijke recht op de transitievergoeding is geregeld. Ook daarin staat immers niets over het indienen van een verzoekschrift door de werknemer voor het verkrijgen van de transitievergoeding. Het lijdt echter geen twijfel dat deze bepaling de grondslag biedt voor het indienen van een verzoekschrift door de werknemer bij de kantonrechter. Naar analogie hiervan kan naar mijn mening worden aangenomen dat het op zichzelf mogelijk is dat de werkgever op grond van art. 7:673d BW een verzoekschrift indient bij de kantonrechter. Dat dit mogelijk is, wordt ook bevestigd door art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW, waarin gesproken wordt over ‘een verzoek’ op grond van (onder meer) art. 7:673d BW.
eerstduidelijk is dat de werknemer aanspraak maakt op de volledige transitievergoeding, althans op een hoger bedrag dan de werkgever bereid is te betalen. Pas dan is immers sprake van een geschil over de hoogte van de transitievergoeding. In zoverre is het verzoek om toepassing van de Overbruggingsregeling door de werkgever
volgendof
afhankelijkten opzichte van het verzoek om de transitievergoeding door de werknemer. Daarmee ligt het naar mijn mening in de rede dat een werkgever in een door de werknemer geëntameerde procedure waarin deze aanspraak maakt op de volledige transitievergoeding, zich op de Overbruggingsregeling kan beroepen, ook al is de termijn van drie maanden reeds verstreken.
altijdzekerheidshalve binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW een zelfstandig verzoek bij de kantonrechter moet indienen tot verkrijging van een verklaring voor recht dat de Overbruggingsregeling van toepassing is. Dat geldt zelfs indien de werkgever een voor hem gunstige verklaring van het UWV heeft verkregen; een dergelijke verklaring heeft immers geen rechtskracht en kan dus door de werknemer in de procedure bij de kantonrechter ter discussie worden gesteld. Dit is onwenselijk en bovendien in strijd met het doel van de Wwz om een systeem te bieden waarbinnen werkgevers en werknemers zoveel mogelijk zonder rechterlijke tussenkomst tot een beëindiging en afwikkeling van de arbeidsovereenkomst komen. [54] Het zou ook tot onnodige procedures leiden, namelijk in het geval de werknemer geen (tijdig) verzoek tot betaling van de volledige transitievergoeding indient. [55]
equality of arms(of een ongewenste asymmetrie) omdat de werknemer wel gebonden is aan de vervaltermijn van drie maanden en de werkgever níet (zie onder 4.18) is - op dit punt - naar mijn mening geen sprake. Wel is voorstelbaar dat een werkgever die onredelijk laat de werknemer confronteert met zijn standpunt dat aanspraak wordt gemaakt op toepassing van de Overbruggingsregeling, waardoor de werknemer onnodig een procedure aanhangig heeft moeten maken, veroordeeld wordt in de proceskosten. [56] Daarnaast is het voor mij ook de vraag of het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming redelijk is om
in alle gevallen, dus ongeacht de bijzondere omstandigheden van het geval, de vervaltermijn van drie maanden onverkort toe te passen ten aanzien van het verzoek van de werknemer om de (volledige) transitievergoeding (zie ook onder 4.42-4.43). Deze vraag ligt in de onderhavige zaak echter niet voor.
ten gunste van de werknemerwerkende uitzondering is waarop deze zich in het kader van een verzoek ex 7:673 BW zal moeten beroepen.
werknemeris om een verzoek in te dienen bij de kantonrechter tot betaling van de volledige transitievergoeding (ineens), als de werkgever zich buitengerechtelijk beroept op ‘onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering’ teneinde de transitievergoeding in termijnen te betalen. Dat maakt het wel heel onaannemelijk dat de werkgever dan tegengeworpen zou kunnen krijgen dat hij zich bij wijze van verweer niet meer zou kunnen beroepen op de toepasselijkheid van art. 7:673c lid 2 BW.
communis opiniois dat de rechter vervaltermijnen ambtshalve dient toe te passen. [60] Vervaltermijnen zouden op dit punt verschillen van verjaringstermijnen, die de rechter juist níet ambtshalve mag toepassen.
[.../...]dat de vervaltermijn van art. 6:89 BW Pro door de rechter niet ambtshalve mag worden toegepast. [63] Hetzelfde geldt voor de vervaltermijn in art. 7:23 lid 1 BW Pro, een
specialisvan art. 6:89 BW Pro. [64]
niettoepassen van de vervaltermijn de belangen van een partij ernstig kunnen worden geschaad of anderszins vérstrekkende gevolgen heeft. Dit kan met name aan de orde zijn in rechtsverhoudingen waarin partijen in een ongelijke (machts)positie verkeren. [65] Het beginsel van een
effectieve rechtsbeschermingbrengt in zo’n geval mee dat de rechter ambtshalve toepassing moet geven aan de termijn. [66] Of van een dergelijke situatie sprake is, zal moeten worden beoordeeld door naar de strekking en de context van de vervaltermijn te kijken. Een voorbeeld is art. 1:159 lid 2 BW Pro, dat inhoudt dat een niet-wijzigingsbeding in een echtscheidingsconvenant vervalt indien de overeenkomst is aangegaan meer dan drie maanden vóór de indiening van het verzoek tot echtscheiding. De Hoge Raad besliste dat na het verloop van deze termijn het beding van rechtswege vervalt en dat de termijn door de rechter ambtshalve moet worden toegepast. [67] Dit brengt bovendien mee, zo oordeelde de Hoge Raad, dat niet aan de orde kan worden gesteld of het beroep op de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het gaat immers om verval van rechtswege.
toepassenvan een vervaltermijn in de weg staat aan het bieden van een effectieve rechtsbescherming. Het is niet ondenkbaar, zo schrijft Giesen in zijn handboek over beginselen van civiel procesrecht, dat een vervaltermijn die meebrengt dat iemand ‘al zijn rechten kwijt is’, een ontoelaatbare beperking van het recht op toegang tot de rechter oplevert. [68] Ik zou menen dat dit niet snel zal gelden voor vervaltermijnen die strekken ter bescherming van de openbare orde (zie over vervaltermijnen in het belang van de openbare orde nader onder 4.46-4.48). Voor andere vervaltermijnen kan het kwijtraken van alle rechten door toepassing van de vervaltermijn naar mijn mening wél een relevant gezichtspunt zijn, zeker wanneer sprake is van rechtsverhoudingen waarin partijen geen gelijkwaardige positie innemen of wanneer het toepassen van de vervaltermijn vérstrekkende gevolgen heeft voor betrokkene.
onmiddellijkrechtsbijstand in te schakelen om alle gewenste verzoeken binnen de – op het eerste gezicht: fatale – vervaltermijnen bij de rechter in te dienen. Als hij dat niet doet, is de werknemer inderdaad ‘al zijn rechten kwijt’, de situatie die Giesen beschrijft en die volgens hem dus in strijd met art. 6 EVRM Pro kan komen. Verder moet de werknemer er dan maar op vertrouwen dat de rechtsbijstandverlener alle relevante verzoeken tijdig instelt. [69]
Venema/Glaswerd beslist dat dat het hof niet gehouden was om ambtshalve te onderzoeken of de werknemer (Glas) binnen de vervaltermijn van zes maanden van het toenmalige art. 9 Buitengewoon Pro Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) [70] de nietigheid van het ontslag had ingeroepen. [71] De Hoge Raad overwoog dat art. 9 lid 2 BBA Pro is geschreven in het belang van de wederpartij van degene die de nietigheid inroept (de werkgever; Venema), zodat de rechter pas tot een onderzoek op dit punt gehouden is indien die wederpartij stelt dat de nietigheid van het ontslag niet tijdig is ingeroepen.
GTI/Kluppelwordt vaak afgeleid dat de rechter wel ambtshalve toepassing moet geven aan de vervaltermijn van art. 9 BBA Pro (oud)
indien hij de termijnoverschrijding zelf constateert. [72] De Hoge Raad overwoog daar namelijk het volgende: [73]
betwistdat werknemer Kluppel de nietigheid van het ontslag (tijdig) had ingeroepen. De rechtbank had op dit verweer als volgt gerespondeerd:
Het verweer van GTI dat Kluppel de nietigheid van het hem aangezegde ontslag d.d. 1 april 1994 niet heeft ingeroepen mist feitelijke grondslag aangezien Kluppel in de memorie van grieven de nietigheid van dat ontslag heeft ingeroepen”.
dat Kluppel in de memorie van grieven de nietigheid van het ontslag had ingeroepen’. De rechtbank had óók moeten beoordelen of dat
tijdigwas gebeurd, gelet op de eis die art. 9 BBA Pro (oud) stelde aan het inroepen van de nietigheid van een ontslag. Dat GTI niet expliciet had gesteld dat de nietigheid te laat was ingeroepen maar had volstaan met de stelling dat de nietigheid niet was ingeroepen, maakt dat niet anders. [76]
Voorbeelden van dergelijke met de openbare orde samenhangende termijnen vindt men in de eerste plaats in het familierecht. Ik noem bv. de termijn van één of twee maanden voor de vordering tot ontkenning van de wettigheid van een kind (art. 311 B.W.) en van drie maanden voor de vordering tot nietigverklaring van een huwelijk wegens dwang of dwaling in de persoon (art. 142 B.W.). Het gaat hier om rechten, die niet ter vrije beschikking van partijen staan, omdat daarbij in de eerste plaats algemene belangen en het belang van de uit het huwelijk geboren kinderen betrokken zijn.
nietvan openbare orde zijn. [81] Hij noemt in dit verband de vervaltermijnen in art. 6:140 lid 3 BW Pro (rechtsvordering m.b.t. rekening courant; redelijke termijn), art. 6:89 BW Pro (recht van klagen over gebrek in prestatie; redelijke termijn), art. 6:191 BW Pro (rechtsvordering m.b.t. gebrekkig product; tien jaar), art. 6:268 BW Pro (recht tot buitengerechtelijke ontbinding), art. 7:23 lid 1 BW Pro (recht van klagen over gekochte zaak; redelijke termijn), art. 7:44 BW Pro (recht van reclame; zestig dagen), art. 7:647 (oud) BW (recht van vernietiging opzegging arbeidsovereenkomst; twee maanden); en art. 8:1753 BW Pro (rechtsvordering tot schadevergoeding reiziger; drie maanden). Volgens Smeehuijzen geldt voor al deze termijnen dat zij slechts strekken tot bescherming van het belang van (één van de) partijen bij de rechtsverhouding en daarom niet ambtshalve toegepast moeten worden. [82] En, zo zou ik willen toevoegen (vgl. onder punt 4.42), er is geen aanleiding om uit het oogpunt van een effectieve rechtsbescherming tot ambtshalve toepassing van deze termijnen over te gaan.
een welbepaalde handeling binnen een bepaalde tijd uit te voeren’. [86] Het verval van die bevoegdheid c.q. dat recht is daarom te zien als een sanctie voor een toerekenbare tekortkoming (namelijk het niet tijdig uitvoeren van de handeling). [87] Bij dit type vervaltermijnen staat de aansporing tot handelen dus voorop. Voorbeelden hiervan zijn de termijnen van art. 6:89 BW Pro en art. 7:23 lid 1 BW Pro. [88] Dat het gaat om de aansporing tot handelen, is ook de reden waarom de termijn aanvangt op het moment waarop de rechthebbende ervan op de hoogte was of kon zijn dat hij ‘
kon optreden’. [89] De ‘fatale vervaltermijnen’ hebben een ander karakter. Deze termijnen beperken een recht in de tijd. Het verlies van het recht wordt louter en alleen veroorzaakt door het verstrijken van de tijd; de gedraging van de rechthebbende is daarbij dus niet van belang. [90] Ook het gegeven dat de rechthebbende zich tegen het einde van de termijn in een situatie van overmacht bevond, is hierbij niet van belang. [91]
Indien tegen het licht van het bovenstaande wordt gekeken naar de vervaltermijnen in art. 7:686a lid 4 BW, volgt dat deze vervaltermijnen zijn verbonden aan bevoegdheden of vorderingen die uitsluitend dienen ter bescherming van individuele belangen, die van de werkgever of die van de werknemer. Bij een spoedige afwikkeling zijn immers uitsluitend betrokken partijen gebaat. Het gegeven dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat een spoedige afwikkeling de, overigens enige, reden is die heeft geleid tot de introductie van vervaltermijnen met een looptijd van twee maanden, maakt deze vervaltermijnen nog niet tot een algemeen belang.”
In het nieuwe systeem aanzienlijk sneller weten waar ze aan toe zijn”, [97] leiden zij af dat aan de vervaltermijnen van art. 7:686a lid 4 BW een algemeen belang ten grondslag ligt; namelijk de snelheid van de procedure: [98]
Het is niet geheel zeker of de rechter ook ambtshalve de vervaltermijnen van artikel 7:686a BW moet toetsen. Onder het oude recht heeft de Hoge Raad over de vervaltermijn van artikel 9 BBA Pro 1945 in het arrest Venema/Glas geoordeeld dat dit niet verplicht was omdat de termijn ter bescherming van één partij was gegeven. Ten aanzien van de in artikel 7:686a lid 4 sub d BW opgenomen vervaltermijn om na afwijzing van het verzoek om toestemming door het UWV een ontbindingsverzoek in te dienen (artikel 7:671b lid 1 sub b BW) is overwogen dat deze is opgenomen om te voorkomen dat de werknemer te lang in onzekerheid moet zitten. Hiervoor zou dus de redenering van Venema/Glas kunnen gelden.
Indien deze termijnen verstrijken, zal de rechter de verzoeker niet ontvankelijk verklaren”op een dergelijke verplichting lijkt te wijzen, is er in de parlementaire geschiedenis ook een contra-indicatie te vinden.
partijenlang in onzekerheid verkeren. Zo is in de memorie van toelichting vermeld dat de vervaltermijn ertoe strekt om de periode van onzekerheid over het verschuldigd zijn en de hoogte van een vergoeding zo kort mogelijk te houden (zie onder 4.12). [107] En in de memorie van antwoord is vermeld dat
partijenin het nieuwe systeem aanzienlijk sneller weten waar ze aan toe zijn. [108] Ook dit wijst bij uitstek op de bescherming van een partijbelang.
kandienen, deel ik het standpunt van Ettema dat uit het enkele oogmerk om door het invoeren van een vervaltermijn partijen niet te lang in rechtsonzekerheid te laten verkeren, niet kan worden afgeleid dat een algemeen belang betrokken is. [109] Daarvoor is méér nodig, namelijk ‘een publiek belang bij het verval’, zoals Smeehuijzen het uitdrukt. Daarmee zal hij bedoelen dat er een zelfstandig publiek belang is aan te wijzen dat gediend is met het voorkomen van langdurige rechtsonzekerheid. Te denken is daarbij aan de betrokkenheid van de belangen van derden of het belang van een goede rechtspleging (zie de voorbeelden van Köster, onder 4.46).
aan te sporenspoedig een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen en heeft daarmee een sanctionerend karakter. Ook dit geeft steun aan de opvatting dat de termijn geen absoluut karakter heeft en dus niet ambtshalve dient te worden toegepast.
5.Bespreking van de klachten
onderdeel 1wordt geklaagd dat het hof met zijn oordelen in rov. 5.2 en 5.5 t/m 5.6 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht slaagt. Anders dan het hof veronderstelt (in rov 5.2 en 5.5) is het niet noodzakelijk dat de werkgever steeds een eigen (zelfstandig) verzoek tot toepassing van de Overbruggingsregeling transitievergoeding heeft gedaan, om zich op de toepasselijkheid van deze regeling te kunnen beroepen. In het verlengde hiervan is ook onjuist ’s hofs oordeel (in rov. 5.6) dat de werkgever in een door de werknemer aangespannen procedure waarin deze verzoekt om toekenning van de volledige transitievergoeding, geen beroep meer kan doen op de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling als de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW is verstreken. De werkgever kan zich in deze procedure ook ná het verstrijken van de vervaltermijn op toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling beroepen. Dat kan zowel bij wijze van verweer als bij wijze van zelfstandig tegenverzoek.
onderdeel 2wordt geklaagd dat het hof in rov. 5.7 ten onrechte heeft geoordeeld dat de vervaltermijn in art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW van openbare orde is en daarom door de rechter ambtshalve moet worden toegepast.
hofniet ambtshalve toepassing heeft gegeven aan de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW. Nadat de kantonrechter dit punt in de tussenbeschikking van 14 februari 2017 aan de orde had gesteld, heeft [verweerder] het verstrijken van de vervaltermijn onderdeel van zijn verweer gemaakt. [111] Dat verweer is door de kantonrechter gehonoreerd. Bij grief 1 heeft Botobe hiertegen bezwaar gemaakt. Daarmee was de vraag of Botobe ook na de vervaltermijn een beroep op de Overbruggingsregeling kon doen, onderdeel van het partijdebat in hoger beroep. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt immers mee dat het hof niet moet beoordelen of de kantonrechter het recht juist heeft toegepast, maar of het oorspronkelijke verzoek toewijsbaar is, zulks binnen de grenzen van de grieven. [112]
onderdeel 3niet nodig.