47. Het middel klaagt evenwel niet over de bewezenverklaring en bewijsvoering, voor zover inhoudend dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door hem op te tillen en op de grond te gooien en voor zover inhoudend dat het bewezenverklaarde letsel (mede) aan deze gedragingen is te wijten, maar over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het betoog dat de beoordeling welk geweld heeft geleid tot de ontstane schade, of dit geweld gerechtvaardigd is geweest en welk aandeel beide partijen hebben gehad, zich niet zou lenen voor een zijdelingse behandeling in het strafproces. Die klacht faalt, naar het mij voorkomt. De beoordeling welk geweld door de verdachte is toegepast, of het door de verdachte toegepaste geweld gerechtvaardigd of verontschuldigbaar is geweest, en welk letsel het gevolg is van geweld ter zake waarvan de verdachte strafbaar is, vormt de kern van het strafgeding. Daarmee is gegeven dat en waarom het hof aan dit betoog kon voorbijgaan.
48. De eerste deelklacht faalt.
49. De steller van het middel voert voorts aan dat door de verdediging ‘in feite’ is gesteld dat het hof gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet verzekerd heeft kunnen achten ‘dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen’. Door de verdediging zou zijn bepleit dat aanvullend onderzoek nodig is, en dat dit een te zware belasting van het strafproces zou opleveren. De motivering waarmee het hof dit verweer heeft verworpen zou niet volstaan.
50. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep als gezegd aangevoerd dat de verdachte op enig moment gerechtigd is geweest zichzelf te verdedigen en dat de beoordeling welk geweld heeft geleid tot de ontstane schade, of dit geweld gerechtvaardigd was en welk aandeel beide partijen hebben gehad zich niet ervoor zou lenen ‘om zijdelings in een strafproces te behandelen, daar deze de strafrechter te veel belast’. In dit verband is niet bepleit dat nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Uit dit onderdeel van het pleidooi heeft het hof naar het mij voorkomt niet behoeven af te leiden dat namens de verdachte is betoogd dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. Ik merk daar nog bij op dat het strafprocesrecht de gelegenheid biedt, onderzoek te doen naar feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv van belang zijn.
51. Aangevoerd is voorts dat uit de overgelegde stukken blijkt dat het slachtoffer een jaar voor het tenlastegelegde feit reeds traumatisch hersenletsel, een schedelbasisfractuur en een breuk van de zevende nekwervel heeft opgelopen. Gesteld is dat de vraag in hoeverre (latent) schedel-hersenletsel en daarbij behorende cognitieve beperkingen reeds aanwezig zijn geweest ten tijde van het tenlastegelegde feit aanvullend onderzoek vergt. Het hof heeft daarop overwogen dat de verdachte voor de ruzie met de verdachte ondanks eerder opgelopen traumatisch hersenletsel functioneerde als ieder ander mens, en dat dit na het onderhavige feit volledig anders was. In die overweging ligt besloten dat en waarom naar ’s hofs oordeel het verzochte nader onderzoek niet noodzakelijk was.
52. De raadsman heeft tenslotte aangevoerd dat geen stukken zijn gedeeld inzake de IBS maatregel, waardoor geen inzicht is verkregen in ‘de achterliggende problematiek’ van het huidige functioneren van de benadeelde partij, en dat de gedeelde medische informatie onvoldoende inzicht geeft in de aard en ernst van de situatie. Om daar enige uitspraak over te doen zou aanvullende medische informatie nodig zijn.
53. Het hof heeft onder de bewijsmiddelen een geneeskundige verklaring van de GGD opgenomen die gedateerd is op 1 februari 2017 en waarin is vermeld dat een MRI-scan (verse) diffuse schade aan de zenuwcellen in het gebied van de hersenbalk laat zien, en dat rekening moet worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen. Het hof heeft bewezenverklaard dat het feit ‘traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, cognitieve beperkingen en blijvende gedragsmatige veranderingen, ten gevolge heeft gehad’. In het kader van de strafmotivering heeft het hof overwogen dat het slachtoffer door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op basis van de schriftelijke slachtofferverklaring van de partner van het slachtoffer stelt het hof vast dat de benadeelde partij nooit meer zelfstandig thuis kan wonen, dat hij altijd van hulp afhankelijk is, dat zijn persoonlijkheid is veranderd en dat zijn rol als vader en partner daarmee is uitgespeeld. Gegeven het gebrek aan nadere onderbouwing van de gestelde schade acht het hof het billijk een bedrag van € 100.000,- toe te wijzen.
54. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat en waarom het hof van oordeel is dat aanvullend onderzoek naar eerder aanwezig hersenletsel en daarbij behorende cognitieve beperkingen niet noodzakelijk was en waarom ook bij afwezigheid van nadere informatie een bedrag van € 100.000,- voor toewijzing in aanmerking kwam. In die overwegingen ligt tevens besloten dat zich naar ’s hofs oordeel niet het geval voordeed dat de verdachte niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid in voldoende mate naar voren te brengen. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor in het licht van de feiten en omstandigheden die uit de geneeskundige verklaring en de schriftelijke slachtofferverklaring volgen en hetgeen in de pleitnota naar voren wordt gebracht. In die pleitnota wordt niet de aandacht gevestigd op feiten en omstandigheden die op mogelijk eerder bestaande cognitieve beperkingen wijzen, of op feiten en omstandigheden die kunnen meebrengen dat het huidig functioneren van de benadeelde partij op andere oorzaken dan het bewezenverklaarde feit is terug te leiden.
55. De tweede deelklacht faalt.
56. De steller van het middel wijst er voorts op dat het hof slechts gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing heeft gegeven en de vordering voor de helft niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het zou onduidelijk zijn waarom het hof ervoor heeft gekozen de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in plaats van af te wijzen.
57. Uit het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij volgt dat de rechter, ingeval aan nader omschreven voorwaarden is voldaan, ervoor
kankiezen de vordering af te wijzen. Verplicht daartoe is de rechter nooit (rov. 2.8.3). Voor zover deze deelklacht ertoe strekt erover te klagen dat het andere deel van de vordering niet is afgewezen, faalt zij derhalve. Voor zover deze deelklacht ertoe strekt erover te klagen dat gedeeltelijke toewijzing van de vordering naast niet-ontvankelijkverklaring voor het overige deel niet begrijpelijk is, wijs ik erop dat Uw Raad deze mogelijkheid in het overzichtsarrest uitdrukkelijk onder de aandacht brengt, omdat zij het voor de strafrechter mogelijk maakt te beslissen ‘over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert’ (rov. 2.8.4).
58. De derde deelklacht faalt.
59. De steller van het middel klaagt ten slotte over de beslissing van het hof om € 100.000 toe te wijzen. Aangevoerd wordt dat het hof in het geheel niet ingaat op ‘de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de vermeende aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede de aard van het vermeende letsel, de ernst van het vermeende letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer’. Voorts heeft het hof volgens de steller van het middel niet inzichtelijk gemaakt ‘of bij het begroten van de schade gelet is op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De beslissing van het hof omtrent de vordering benadeelde partij zou, gelet op het door de verdediging gevoerde verweer, ook op dit punt onvoldoende met redenen zijn omkleed.
60. Uw Raad overwoog in het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (rov. 2.8.7). Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Indien mogelijk dient de rechter bij de begroting te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
61. Het hof heeft bewezenverklaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, ‘te weten traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, cognitieve beperkingen en blijvende gedragsmatige veranderingen’. Het hof heeft in het kader van de strafmotivering overwogen dat het strafbare feit ‘zeer ingrijpende gevolgen’ heeft gehad, dat het slachtoffer als gevolg van de blijvende hersenschade ‘nooit meer zelfstandig thuis (kan) wonen, dat hij ‘altijd van hulp afhankelijk’ is, dat ‘hij in zijn persoonlijkheid veranderd’ is en dat zijn ‘rol als vader en partner (…) daarmee uitgespeeld’ is. Daarmee ligt in ’s hofs vaststellingen besloten dat het rekening heeft gehouden met de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. In het bestreden arrest ligt voorts besloten dat het hof zich een oordeel heeft gevormd over de aard van de (strafrechtelijke) aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.
62. Het hof heeft zich niet uitgelaten over bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. In de onderbouwing van de – hoogte van de - vordering wordt evenwel gewezen op uitspraken die genoemd worden in de smartengeldgids. De raadsman van de verdachte vergelijkt het gevorderde bedrag niet met bedragen die in andere zaken door andere rechters zijn toegewezen. Uw Raad overweegt voorts dat de rechter
indien mogelijkdient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend; van een ongeclausuleerde verplichting om in de motivering verslag te doen van een dergelijke vergelijking is geen sprake. Ik neem ten slotte in aanmerking dat het hof ‘wegens gebrek aan nadere onderbouwing van de gestelde schade’ een bedrag van € 100.000,- (en niet de gevorderde € 200.000,-) toewijst.
63. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat ’s hofs beslissing om terzake van immateriële schade een vergoeding van € 100.000,- toe te wijzen niet onbegrijpelijk is en toereikend gemotiveerd.
64. De vierde deelklacht faalt.
65. Het tweede middel faalt.