Conclusie
Nummer21/04043
eerstemiddel ziet op de verwerping van het beroep op noodweerexces. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, overwegingen uit het vonnis, delen van de verklaring die de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, het gevoerde verweer en de verwerping daarvan, alsmede enkele passages uit twee arresten inzake noodweer(exces).
Bewezenverklaring en bewijsvoering
1. De door verdachte op de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 27 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Standpunt van de verdediging
Feitelijke toedracht
Noodweersituatie
Noodweer(exces)
Inleiding
Bespreking van het eerste middel
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat de beslissing van het hof om de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 100.000 onvoldoende met redenen is omkleed en dat het hof het verweer dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard niet begrijpelijk dan wel op onjuiste gronden heeft verworpen. Ik bespreek het middel voor het geval Uw Raad anders oordeelt over het eerste middel.
‘II. Vordering benadeelde partij
‘Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
veel leed en verdriet. Hij is van de één op de andere dag van een zelfstandig persoon, met een gezin (partner en twee kinderen) een hulpbehoevend persoon geworden. Hij zal de rest van zijn leven zijn aangewezen op zorg en hulp van anderen en verblijf in een verpleeghuis.
Inleiding
kankiezen de vordering af te wijzen. Verplicht daartoe is de rechter nooit (rov. 2.8.3). Voor zover deze deelklacht ertoe strekt erover te klagen dat het andere deel van de vordering niet is afgewezen, faalt zij derhalve. Voor zover deze deelklacht ertoe strekt erover te klagen dat gedeeltelijke toewijzing van de vordering naast niet-ontvankelijkverklaring voor het overige deel niet begrijpelijk is, wijs ik erop dat Uw Raad deze mogelijkheid in het overzichtsarrest uitdrukkelijk onder de aandacht brengt, omdat zij het voor de strafrechter mogelijk maakt te beslissen ‘over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert’ (rov. 2.8.4).
indien mogelijkdient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend; van een ongeclausuleerde verplichting om in de motivering verslag te doen van een dergelijke vergelijking is geen sprake. Ik neem ten slotte in aanmerking dat het hof ‘wegens gebrek aan nadere onderbouwing van de gestelde schade’ een bedrag van € 100.000,- (en niet de gevorderde € 200.000,-) toewijst.