III.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2021 heeft zich op deze terechtzitting onder meer het volgende voorgedaan:
“De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, opgeroepen als,
is aanvankelijk niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.A.C. de Bruijn advocaat te Amsterdam.
De raadsman deelt mede dat hij niet weet of zijn cliënt nog zal verschijnen, maar dat hij gemachtigd is om als zijn raadsman op te treden en aangevangen kan worden met de behandeling van de zaak.
De raadsman voert het woord ter verdediging en doet dit aan de hand van zijn pleitnotities. Deze pleitnoties worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. Hij voegt aan zijn conclusie nog toe:
[...]
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord in repliek te voeren en zij deelt mede:
[…]
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord in dupliek te voeren en hij deelt mede: […]
De verdachte wordt door de bode de zittingszaal binnengelaten.
De raadsheer deelt mede dat de zaak reeds is besproken en dat de behandeling is aangekomen bij het laatste woord van de verdachte. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte deelt mede:
De twee agenten die hier in de zaal zitten, zijn niet de twee agenten waar het in deze zaak om gaat. Ik ben niet juist behandeld door de betreffende agenten. Ik had geen wapen bij me. Er zit ook geen logica in waarom ik dat zou zeggen. Ik had gewild dat de betreffende agenten hier aanwezig waren zodat u een goed beeld kan vormen van wat er is gebeurd. Ik heb een trauma opgelopen door hoe zij mij hebben aangepakt. U, raadsheer, vraagt mij wat mijn inkomsten zijn. Op dit moment heb ik geen inkomsten. Ik ben net gestopt met mijn werk bij de gemeente. Momenteel werk ik niet vanwege een chaotische thuissituatie. Vandaar dat ik een beetje in de knoop zit, maar dit wordt snel opgelost. Het adres waarop ik ingeschreven stond, is het adres van mijn vader. De post komt via hem naar mij toe. Ik heb nu geen ander vast adres, want ik ben daar uitgeschreven. Eerst stond ik bij mijn ex-vriendin ingeschreven, maar wij hebben een kind gekregen en de relatie is toen bergafwaarts gegaan. Daardoor heb ik nu geen adres. U, raadsheer, vraagt mij waarom de aanwezige agenten in de zaal niet de agenten zijn om wie het in deze zaak gaat. Ik weet wat er is gebeurd en met wie ik heb gepraat, en dit zijn niet de agenten waarmee ik heb gepraat. U, raadsheer, zegt mij dat deze agenten ook door mijn raadsman bij de rechter-commissaris zijn verhoord. Dat is zeker niet zo. Ik was op 18 augustus 2020 in de Balistraat in Amsterdam. Twee vrouwelijke agenten kwamen aangelopen, één hele mooie dame en één iets minder mooi. Ik begon met de mooie dame te flirten en de andere agente werd toen boos. Vervolgens wilde ze me arresteren en maakte ik een opmerking over papierwerk. Toen begonnen ze over een wapen waarop ik zei dat ik mij niet ging omdraaien en ‘als je mij wilt schieten, schiet me dan maar in mijn rug’. Ik heb een dag vastgezeten, alleen maar omdat ik met een agent ging flirten. Maar die twee agenten die hier in de zittingszaal aanwezig zijn, zijn niet de agenten waar het om gaat.
De raadsman merkt, desgevraagd door de raadsheer, op dat het voor de beoordeling van de zaak niet van belang is wie de agenten zijn die in de zittingszaal aanwezig zijn.
De advocaat-generaal deelt, desgevraagd door de raadsheer, mede dat zij bij haar vordering blijft.
De raadsheer deelt aan de verdachte mede dat de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld en hem een geldboete van € 500,- moet worden opgelegd.
Ik snap niet dat ik het slachtoffer zou hebben bedreigd. Ik had toch geen wapen bij me? Hoezo is de agente niet hier gekomen.
De raadsheer vraagt aan de agente in de zaal of zij degene is die door de verdachte is bedreigd. De agente in de zaal bevestigt dat zij door de verdachte is bedreigd.
De raadsheer vermaant de verdachte om stil te zijn, omdat hij anders de zittingszaal moet verlaten.
De verdachte deelt nogmaals mede dat de agente die in de zaal aanwezig is, niet de agente is waar het in deze zaak om gaat.
De raadsheer vraagt nogmaals aan de verdachte of hij stil kan zijn. De verdachte geeft hieraan geen gehoor, waarop de raadsheer de verdachte mededeelt dat hij de zittingszaal moet verlaten.
De verdachte verlaat de zittingszaal.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.”