ECLI:NL:PHR:2023:809

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
21/04922
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 279 SvArt. 124 SvArt. 273, derde lid, SvArt. 81, eerste lid, RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op het laatste woord en ordeverstoring tijdens hoger beroep bedreiging

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor bedreiging met een geldboete van €500,- subsidiair tien dagen hechtenis. Tijdens het hoger beroep maakte de verdachte gebruik van zijn recht op het laatste woord, maar herhaalde voortdurend beweringen die niet relevant waren voor de zaak, waaronder dat de aanwezige agenten niet de juiste waren. Na meerdere vermaningen negeerde hij de raadsheer en werd hij uit de zittingszaal verwijderd.

De verdachte stelde in cassatie dat hem het recht op het laatste woord was ontnomen, omdat hij na de vermaningen niet meer kon spreken. De advocaat-generaal concludeerde dat de raadsheer de verdachte ruimschoots in de gelegenheid had gesteld zijn laatste woord te voeren en dat de verwijdering gerechtvaardigd was vanwege herhaalde ordeverstoring en nodeloze herhalingen.

De Hoge Raad oordeelde dat het recht op het laatste woord niet absoluut is en dat het beperken daarvan bij zwetsverhalen en provocerend gedrag is toegestaan. De raadsheer heeft volgens de Hoge Raad geen rechtsregel geschonden door de verdachte te verwijderen na herhaalde waarschuwingen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verwijdering van de verdachte uit de zittingszaal was gerechtvaardigd en het recht op het laatste woord is niet geschonden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04922
Zitting26 september 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 25 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam (enkelvoudige strafkamer) wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
II.
Het middel
3. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu de verdachte niet overeenkomstig art. 311, vierde lid, Sv het recht zou zijn gelaten om het laatst te spreken.
III.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2021 heeft zich op deze terechtzitting onder meer het volgende voorgedaan:
“De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, opgeroepen als,
[…]
is aanvankelijk niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.A.C. de Bruijn advocaat te Amsterdam.
De raadsman deelt mede dat hij niet weet of zijn cliënt nog zal verschijnen, maar dat hij gemachtigd is om als zijn raadsman op te treden en aangevangen kan worden met de behandeling van de zaak.
[…]
De raadsman voert het woord ter verdediging en doet dit aan de hand van zijn pleitnotities. Deze pleitnoties worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. Hij voegt aan zijn conclusie nog toe:
[...]
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord in repliek te voeren en zij deelt mede:
[…]
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord in dupliek te voeren en hij deelt mede: […]
De verdachte wordt door de bode de zittingszaal binnengelaten.
De raadsheer deelt mede dat de zaak reeds is besproken en dat de behandeling is aangekomen bij het laatste woord van de verdachte. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte deelt mede:
De twee agenten die hier in de zaal zitten, zijn niet de twee agenten waar het in deze zaak om gaat. Ik ben niet juist behandeld door de betreffende agenten. Ik had geen wapen bij me. Er zit ook geen logica in waarom ik dat zou zeggen. Ik had gewild dat de betreffende agenten hier aanwezig waren zodat u een goed beeld kan vormen van wat er is gebeurd. Ik heb een trauma opgelopen door hoe zij mij hebben aangepakt. U, raadsheer, vraagt mij wat mijn inkomsten zijn. Op dit moment heb ik geen inkomsten. Ik ben net gestopt met mijn werk bij de gemeente. Momenteel werk ik niet vanwege een chaotische thuissituatie. Vandaar dat ik een beetje in de knoop zit, maar dit wordt snel opgelost. Het adres waarop ik ingeschreven stond, is het adres van mijn vader. De post komt via hem naar mij toe. Ik heb nu geen ander vast adres, want ik ben daar uitgeschreven. Eerst stond ik bij mijn ex-vriendin ingeschreven, maar wij hebben een kind gekregen en de relatie is toen bergafwaarts gegaan. Daardoor heb ik nu geen adres. U, raadsheer, vraagt mij waarom de aanwezige agenten in de zaal niet de agenten zijn om wie het in deze zaak gaat. Ik weet wat er is gebeurd en met wie ik heb gepraat, en dit zijn niet de agenten waarmee ik heb gepraat. U, raadsheer, zegt mij dat deze agenten ook door mijn raadsman bij de rechter-commissaris zijn verhoord. Dat is zeker niet zo. Ik was op 18 augustus 2020 in de Balistraat in Amsterdam. Twee vrouwelijke agenten kwamen aangelopen, één hele mooie dame en één iets minder mooi. Ik begon met de mooie dame te flirten en de andere agente werd toen boos. Vervolgens wilde ze me arresteren en maakte ik een opmerking over papierwerk. Toen begonnen ze over een wapen waarop ik zei dat ik mij niet ging omdraaien en ‘als je mij wilt schieten, schiet me dan maar in mijn rug’. Ik heb een dag vastgezeten, alleen maar omdat ik met een agent ging flirten. Maar die twee agenten die hier in de zittingszaal aanwezig zijn, zijn niet de agenten waar het om gaat.
De raadsman merkt, desgevraagd door de raadsheer, op dat het voor de beoordeling van de zaak niet van belang is wie de agenten zijn die in de zittingszaal aanwezig zijn.
De advocaat-generaal deelt, desgevraagd door de raadsheer, mede dat zij bij haar vordering blijft.
De raadsheer deelt aan de verdachte mede dat de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld en hem een geldboete van € 500,- moet worden opgelegd.
De verdachte deelt mede:
Ik snap niet dat ik het slachtoffer zou hebben bedreigd. Ik had toch geen wapen bij me? Hoezo is de agente niet hier gekomen.
De raadsheer vraagt aan de agente in de zaal of zij degene is die door de verdachte is bedreigd. De agente in de zaal bevestigt dat zij door de verdachte is bedreigd.
De raadsheer vermaant de verdachte om stil te zijn, omdat hij anders de zittingszaal moet verlaten.
De verdachte deelt nogmaals mede dat de agente die in de zaal aanwezig is, niet de agente is waar het in deze zaak om gaat.
De raadsheer vraagt nogmaals aan de verdachte of hij stil kan zijn. De verdachte geeft hieraan geen gehoor, waarop de raadsheer de verdachte mededeelt dat hij de zittingszaal moet verlaten.
De verdachte verlaat de zittingszaal.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.”
IV.
Het juridisch kader
5. Het vierde lid van art. 311 Sv Pro luidt:
“Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken”.
6. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad betekent dit voorschrift dat de verdachte (of bij diens afwezigheid de op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman) als laatste de gelegenheid krijgt nog aan te voeren wat dienstig kan zijn voor de beoordeling van de zaak. [1] De gedachte hierachter is dat “geen onderdeel van het onderzoek, hetwelk ten bezware van verdachte zou kunnen strekken, door dezen onweersproken behoeft te blijven”. [2] Dat houdt bijvoorbeeld in dat de verdachte opnieuw het recht moet worden gelaten het laatst te spreken indien de advocaat-generaal na het laatste woord van de verdachte nog uitlatingen doet die vergezeld worden van “inhoudelijk op de strafzaak van de verdachte betrekking hebbende argumenten”. [3]
7. Het recht om als laatste te spreken is weliswaar van grote betekenis, maar geldt niet absoluut. Zoals ik eerder al schreef [4] is voor zwetsverhalen, eindeloze herhalingen, irrelevante uitweidingen en recalcitrant of provocerend gedrag in dit verband geen plaats. Het laatste woord moet dienstig zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak en dus in dat kader een toegevoegde waarde hebben. Houdt de verdachte zich daar niet aan, dan kan dat ertoe leiden dat de verdachte in zijn laatste woord wordt ‘beknot’. Zo mag de rechter in voorkomende gevallen de verdachte ter vermijding van nodeloze herhalingen ‘beperken’ in het laatste woord zonder daarmee een rechtsregel te schenden. [5] Voorts staat het de rechter ingeval van een (bijkomende) ordeverstoring na een eerdere vermaning vrij de verwijdering van de verdachte uit de zittingszaal te bevelen. [6] Tegen zo een beslissing ten behoeve van de handhaving van de orde op de terechtzitting als bedoeld in de artikelen 124 en 273, derde lid, Sv staat geen beroep in cassatie open. [7]
V.
De bespreking van het middel
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft zich aldaar het volgende voorgedaan. Na de inhoudelijke bespreking van de zaak ter terechtzitting verschijnt de verdachte ter terechtzitting. Hem wordt dan door de raadsheer het laatste woord gegeven. Van dat recht maakt de verdachte gebruik en hij stelt in dat kader onder meer dat de in de zittingzaal aanwezige agenten niet degenen zijn die hij zou hebben bedreigd. De raadsman van de verdachte merkt, desgevraagd door de raadsheer, daarna op dat het voor de beoordeling van de zaak niet van belang is wie de agenten zijn die in de zittingszaal aanwezig zijn. Nadat de raadsheer de verdachte meedeelt wat de advocaat-generaal gevorderd heeft, herhaalt de verdachte dat de agente die in de zittingszaal aanwezig is niet degene is om wie het gaat. Daarnaar door de raadsheer gevraagd, bevestigt de in de zaal aanwezige agente dat zij degene is die door de verdachte is bedreigd. Nadat de verdachte tot tweemaal toe de vermaningen van de raadsheer om stil te zijn heeft genegeerd, moet hij de zittingszaal verlaten. De raadsheer verklaart daarna het onderzoek gesloten en doet terstond uitspraak in deze zaak.
9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in strijd met art. 311, vierde lid, Sv de verdachte uiteindelijk het laatste woord is ontnomen doordat hij, na de dubbele vermaning, de zittingszaal moest verlaten. Ik begrijp de klacht aldus, dat deze zich niet keert tegen het bevel tot verwijdering (tegen welke beslissing zoals gezegd geen beroep in cassatie openstaat), [8] maar zij enkel inhoudt dat de verdachte het recht is ontzegd het laatste woord als bedoeld in art. 311, vierde lid, Sv te voeren.
10. Ook aldus verstaan is het middel naar mijn inzicht tevergeefs voorgesteld. Uit de hiervoor beschreven gang van zaken maak ik op dat de verdachte door de raadsheer ruimschoots in de gelegenheid is gesteld van zijn recht op het laatste woord gebruik te maken. Pas toen de verdachte herhaaldelijk – ook
nahet antwoord van de agente in de zaal – bleef beweren dat zij iemand anders is dan de agente die hij zou hebben bedreigd, heeft het hof hem in zijn relaas onderbroken. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het hof in die omstandigheden ervan kon en mocht uitgaan dat wat de verdachte verder te berde wilde brengen slechts zou verzanden in telkens dezelfde nodeloze herhalingen, hetgeen op zichzelf al een grond vormt voor ‘beperking’ van het laatste woord. Daarbij komt dat de herhaalde uitlatingen van de verdachte allerminst dienstig waren voor de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak. Zoals de raadsman van de verdachte zelf ook ter terechtzitting naar voren bracht, was daarvoor immers niet van belang wie de agenten in de zittingszaal waren. [9]
11. Alles overziend meen ik dan ook dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep er geen blijk van geeft dat de raadsheer een rechtsregel heeft geschonden. Niet heeft de raadsheer aan de strekking van art. 311, vierde lid, Sv tekortgedaan door de verdachte op een gegeven moment andermaal tot stilte te manen en nadat de verdachte ook deze laatste waarschuwing in de wind sloeg hem te bevelen de zaal te verlaten. [10]
VI.
Slotsom
12. Het middel faalt en kan mijns inziens met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239,
2.HR 10 januari 1950, ECLI:NL:HR:1950:45,
3.Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364 en HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1069,
4.Zie mijn conclusie van 15 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2243 (vóór HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3266; HR: art. 81.1 RO).
5.HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239,
6.Vgl. ook randnummer 5.2 e.v. van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:378 (vóór HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:972,
7.HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897,
8.In de toelichting wordt wel het standpunt ingenomen dat de inzet van deze ordemaatregel enkel in evidente gevallen van nodeloze herhalingen etc. aan de orde is. Vervolgens wordt met een nogal feitelijk relaas betoogd waarom daarvan in de onderhavige situatie geen sprake zou zijn.
9.Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de aanwezige agenten blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting daar geen getuigen- of slachtofferverklaring hebben afgelegd, maar kennelijk enkel als toehoorder in de zittingzaal zaten.
10.Nogmaals zij verwezen naar HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239,