Conclusie
eerste middelkomt op tegen de afwijzing door het hof op de regiezitting van 9 januari 2015 van een verzoek tot het horen van de getuigen [verbalisant] , [getuige 1] en [getuige 2] .
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
tweede middelbevat de klacht dat het hof heeft nagelaten te responderen op het in hoger beroep door de verdediging ingenomen (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt dat wat betreft de onder 1 tenlastegelegde bedreiging met feitelijke aanranding van de eerbaarheid uit het voorhanden bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte bij de aangeefsters tot een concrete vorm van vrees konden leiden.
Feit 1
derde middelwordt gesteld dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2015 in strijd met het bepaalde in art. 311, vierde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro het laatste woord aan de verdachte heeft ontnomen.