Conclusie
1.Korte inhoud zaak
2.Feiten en procesverloop
In de procesinleiding is een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van de procesinleiding, omdat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof nog niet was ontvangen. Na ontvangst van het proces-verbaal is geen aanvullende procesinleiding ingediend.
De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. [7]
3.Ontvankelijkheid
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen de beperking die het hof in rov. 6.9 heeft aangebracht met betrekking tot het onderwerp van het getuigenverhoor. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:
Op grond van art. 186 lid 1 Rv Pro kan, in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.
kanniet betekent dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft. De rechter dient het verzoek in beginsel toe te wijzen als het aan de daaraan te stellen eisen voldoet. [11]
De klacht van het onderdeel dat de door het hof aangebrachte beperking van het onderwerp van het te bevelen voorlopig getuigenverhoor blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting faalt evenwel. Het hof heeft in rov. 6.9 in feite geoordeeld dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor voor zover dat verzoek geen betrekking heeft op aanbiedingen van [eiseres] . Het ontbreken van voldoende belang bij toewijzing van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor is een in de rechtspraak aanvaarde afwijzingsgrond.
De rechtsklacht faalt dus.
Voor het antwoord op de vraag of het oordeel daardoor onvoldoende is gemotiveerd, is (uitleg van) hetgeen [eiseres] heeft verzocht, van belang.
[eiseres] heeft (uit de media) vernomen (a) dat de Staat wel op de aanbiedingen van derden heeft gereageerd en dat met die derden ook overeenkomsten zijn gesloten, waaraan vervolgens uitvoering is gegeven en (b) dat sommige van die derden mogelijk ten koste van andere (potentiële) leveranciers, waaronder ook [eiseres] , een voorkeursbehandeling hebben genoten.
Als aanbiedingen/berichten niet zijn ontvangen ligt het anders dan wanneer aanbiedingen/berichten wel zijn gelezen, maar daarop niet is gereageerd. Dan is ook de reden van dat niet-reageren van belang. Ook is het een andere situatie wanneer uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat de aanbiedingen van [eiseres] zeer geschikt werden geacht, maar dat vanwege voorkeursbehandelingen of vriendjespolitiek dan wel vanwege enig ander onoorbaar handelen van de Staat en/of de te horen getuigen het niet is gekomen tot onderhandelingen of het sluiten van een overeenkomst.
haaraanbiedingen, o.a. mede gegeven de berichtgeving in de media dat de Staat wel is ingegaan op aanbiedingen van derden.
Ook de motiveringsklacht faalt dus.
onderdeel 2wordt in de eerste plaats de klacht van onderdeel 1 herhaald dat het hof niet (voldoende) kenbaar heeft gemotiveerd op welke grond of waarom het onderwerp wordt beperkt. [15] In de procesinleiding wordt in dit verband nader gesteld dat [eiseres] al in het inleidend verzoekschrift heeft gewezen op “het belang om te weten te komen hoe door de betrokken ministers en ambtelijke top destijds is omgegaan met proposities van derden en waarom zij proposities van [eiseres] links hebben laten liggen”. [16]
In rov. 6.10 heeft het hof het volgende geoordeeld (ik citeer voor de leesbaarheid en met het oog op onderdeel 3 ook rov. 6.11 t/m 6.13):
senior buyervan medische artikelen bij het LCH, over het leveren van persoonlijke beschermingsmiddelen en beademingsapparatuur. Zij zullen daarom als getuige kunnen worden gehoord. Gelet op de directe betrokkenheid van [betrokkene 3] is voldoende aannemelijk dat ook [betrokkene 4] en [betrokkene 5] vanwege hun rol binnen het LCH - directeur-generaal respectievelijk coördinator - kunnen verklaren over de beoordeling en afhandeling van aanbiedingen van [eiseres] . Ook zij zullen daarom als getuige kunnen worden gehoord. De Staat heeft onvoldoende onderbouwd dat het horen van deze vier personen, die geen publieke rol bekleden, over de gang van zaken rondom één leverancier naar verwachting significante negatieve aandacht voor deze personen zal generen en dat zij in hun veiligheid zullen worden geraakt. Dat zij zich op doorgaans indirecte wijze hebben ingespannen om in het belang van de benodigde zorg en bescherming van de Nederlandse bevolking te voorzien in de vraag naar persoonlijke beschermingsmiddelen en medische hulpmiddelen, zoals de Staat stelt, maakt niet dat het disproportioneel is om hen als getuige te horen en dat het verzoek van [eiseres] om dat wel te doen misbruik van bevoegdheid oplevert.
Dit oordeel is niet onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Net als bij de beperking van het onderwerp geldt ook hier dat het hof van opvatting is dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij het horen van getuigen die niet betrokken zijn geweest bij (de beoordeling of afhandeling van) de aanbiedingen van
[eiseres]aan de Staat.
haaraanbiedingen (zie hiervoor onder 4.10 t/m 4.14), maar daarnaast gaat het [eiseres] daarbij om
directebetrokkenheid. Dienaangaande heeft [eiseres] in haar beroepschrift aangevoerd (par. 4.1) dat zij “bewijs uit eerste hand [wil] verzamelen, van de directbetrokkenen” en dat het verzochte voorlopige getuigenverhoor daar dus mede toe dient. Dit heeft zij bij monde van haar advocaten tijdens de mondelinge behandeling bij het hof als volgt herhaald [19] :
Verder was het hof volgens het onderdeel ook niet bevoegd om het aantal en de identiteit van de te horen getuigen te beperken, aangezien de wet daarvoor geen grondslag biedt en van een afwijzingsgrond niet is gebleken. Het hof is dan ook buiten het toepassingsgebied van art. 186/188 Rv getreden. Het onderdeel verwijst hierbij naar onderdeel 1. [20]
Hetzelfde geldt voor de klacht dat [eiseres] wel belang heeft bij het horen van de getuigen die indirect bij de behandeling van haar aanbiedingen zijn betrokken en die kunnen verklaren over voorkeursbehandeling of vriendjespolitiek. [21] [eiseres] heeft in hoger beroep immers zelf – zowel in haar beroepschrift als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof – de nadruk gelegd op het willen verzamelen van bewijs van de “directbetrokkenen” (zie hiervoor onder 4.22).