Conclusie
1.Overzicht van de zaak en van de conclusie
relativiteitsvereiste. Omdat een vergelijkbare kwestie speelt in een andere zaak waarin ik tevens conclusie neem, ga ik in
een gezamenlijke bijlagein op de toepassing van het relativiteitsvereiste in een geval als dit.
De kernis de beschouwing in
onderdeel 5 van de bijlage. Ik kom tot de conclusie dat, uitgaande van HR BNB 2020/66, het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op dat arrest moet worden
aangenomendat een persoon die een op zijn naam gestelde WOZ-beschikking heeft gekregen, belang heeft bij de daarin vastgestelde WOZ-waarde. Gelet op die aanname kan niet worden geoordeeld dat art. 17 Wet Pro WOZ niet strekt tot bescherming van het belang van zo’n persoon. De bijlage bevat ook
een nabeschouwing, die erin uitmondt dat ik de Hoge Raad in overweging geef om HR BNB 2020/66 te heroverwegen.
art. 8:26 Awb Prohad moeten worden uitgenodigd aan het geding deel te nemen. Dit middel komt aan de orde in
onderdeel 4van deze conclusie.
cassatieberoep gegrondis.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Tweede middel: uitnodiging eigenaar op grond van 8:26 Awb
uitgaandevan het oordeel van het Hof over de toepassing van het relativiteitsvereiste, er naar mijn mening geen aanleiding is om de eigenaar/verhuurder in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Een belang van de eigenaar/verhuurder bij die deelname ontbreekt dan immers. Het Hof was daarom niet gehouden te motiveren waarom de eigenaar/verhuurder niet in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen.