Conclusie
als verklaring van aangever [aangever]:
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
als verklaring van getuige [betrokkene 2]:
als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:
Standpunt van de verdediging
eerste klachtvoert het middel aan dat de bewijsvoering van het hof een innerlijke tegenstrijdigheid bevat op een punt dat niet van ondergeschikte betekenis is. Aangevoerd wordt dat het hof in zijn bewijsoverweging “er kennelijk van [is] uitgegaan dat de bewezenverklaarde bedreigingen zouden zijn geuit voordat [betrokkene 4] in de woning van de zus van [verdachte] was” en dat uit deze bewoordingen “bezwaarlijk anders [kan] worden afgeleid dan dat het hof heeft bedoeld vast te stellen dat [betrokkene 4] langs is gekomen na het uiten van de bewezenverklaarde bedreiging”, zulks terwijl uit het voor het bewijs gebezigde bewijsmiddel 6 ondubbelzinnig volgt dat de zus van de verdachte heeft “verklaard dat de verweten bedreiging zou zijn geuit toen [betrokkene 3] er dinsdag was” en met deze [betrokkene 3] bezwaarlijk iemand anders bedoeld kan worden dan mevrouw [betrokkene 4] . Dit betekent volgens de steller van het middel dat het steunbewijs dat het hof in haar verklaring ziet wegvalt, zodat de bewezenverklaring van de bedreiging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, hetgeen tot vernietiging van de uitspraak dient te leiden.
tweede klacht, bezien in samenhang met de toelichting daarop, houdt in dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte erop was gericht dat de aangever daadwerkelijk op de hoogte zou raken van zijn uitlatingen. Aangevoerd wordt, zo begrijp ik althans de steller van het middel, dat het hof feitelijk alleen heeft vastgesteld dat de verdachte een ernstige bedreiging heeft geuit, maar ten onrechte niets heeft overwogen over (i) de voor de verdachte ontlastende omstandigheden van het geval waarbinnen de uitingen zijn gedaan, te weten enkel tijdens een verhitte discussie tussen een broer en een zuster die op dat moment huisgenoten waren, en (ii) de “communicatieve link” tussen de zuster van de verdachte en de burgemeester.