Conclusie
III.2 Het vierde middel (randnrs. 81 t/m 87)
VI.5 Het twaalfde middel (randnrs. 174 t/m 180)
VI.8 Het vijftiende middel (randnrs. 194 t/m 213)
VI.9 Het zestiende middel (randnrs. 214 t/m 234)
VI.10 Het achttiende middel (randnrs. 235 t/m 245)
VI.11 Het negentiende middel (randnrs. 246 t/m 252)
VI.12 Het twintigste middel (randnrs. 253 t/m 258)
VI.13 Het eenentwintigste middel (randnrs. 259 t/m 266)
Feiten 1, 2 en 3. De oorlogsmisdrijven- onder 1A, 2A en 3A, alle meer subsidiair en telkens: “Medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt, meermalen gepleegd”;
Feiten 4 en 5. De overtredingen van de Sanctiewet 1977- onder 4: ”Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 juncto Pro artikel 3 van Pro de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd”; en
- onder 5: “Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van Pro de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd”.
L. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de oorlogsmisdrijven
(“de soldaten moesten de missie volbrengen en (...) beloofde dat ze alles mochten houden wat ze na afloop zouden aantreffen").”
H.4 Levering wapens en munitie door de Antarctic Mariner
(‘‘wooden crates/cartons/ boxes”) en containers.
“trucks”). De containers en kratten werden afgedekt met netten of dekzeilen.
‘trucks ’met daarop de containers en kratten/kisten met wapens en munitie vervoerd. Een deel van de wapens en munitie werd naar ‘The Loop’ gebracht. Op het terrein ‘The Loop’ stonden villa’s die in gebruik waren bij het management van [D] . Wapens en munitie werden daar opgeslagen en uitgedeeld aan beveiligers van [D] .
‘base camp ’van [C] in de buurt van Tubmanburg. Ook daar zijn wapens verdeeld onder de regeringstroepen, die vervolgens naar de frontlinies werden gebracht.”
II. De middelen één tot en met drie: afgewezen getuigenverzoeken
nacassatie. [17] Sinds de invoering van de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (
Stb.2004, 579) is in hoger beroep een beoordeling van getuigenverzoeken aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang enkel nog aangewezen waar het gaat om bij appelschriftuur opgegeven getuigen of zonder oproeping verschenen getuigen. De behandeling in hoger beroep na cassatie wordt echter niet ingeleid met zo een appelschriftuur, terwijl zowel aan de ‘doorwerking’ van de oorspronkelijke appelschriftuur als aan het niet bieden van een mogelijkheid een getuigenverzoek aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang te doen beoordelen, knellende bezwaren kleven. [18]
NJ2010/262, m.nt. Mevis gladgestreken:
NJ2014/442. [21] In die zaak had het hof een getuigenverzoek afgewezen dat in essentie had moeten dienen ter staving van een alternatief scenario voor de bewezenverklaring. De Hoge Raad vond de afwijzende beslissing niet onbegrijpelijk. De grond voor dat oordeel lijkt de Hoge Raad, gezien zijn overwegingen, niet (zozeer) te hebben gevonden in de door het hof voor de afwijzing van het verzoek gegeven motivering, maar (vooral) in ’s hofs bewijsoverwegingen waarin het hof wees op inconsistenties en onwaarschijnlijkheden in dat alternatieve scenario.
waaromhet horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van art. 348 en Pro art. 350 Sv Pro te nemen beslissing. Voor de onderbouwing van een getuigenverzoek kan niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd, maar dient te worden gemotiveerd waarin, gegeven de voeging van de reeds afgelegde verklaring bij de processtukken, de relevantie van het horen van de getuige is gelegen. Ingeval het verzoek een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering in te houden wat het belang is van het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van art. 348 en Pro art. 350 Sv Pro te nemen beslissing. [24]
Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijken
Schatschaschwili/Duitsland. [26] In de cassatiemiddelen waarop het juridisch kader van de stellers van de middelen ziet, wordt schending van het ondervragingsrecht van art. 6, derde lid onder d, EVRM evenwel niet gesteld, zodat de interpretatie van die arresten hier mijns inziens onbesproken kan blijven. [27] Wel hecht ik eraan, voordat ik de middelen inhoudelijk bespreek, terzijde op te merken dat de in de cassatieschriftuur aan de Straatsburgse uitspraak
Lorefice/Italiëgegeven interpretatie mij te extensief voorkomt. [28] In de schriftuur wordt uit deze uitspraak namelijk afgeleid dat de rechter ambtshalve gehouden is alle getuigen te (doen) horen indien de vorige instantie deze getuigen eveneens heeft gehoord en vervolgens de verdachte heeft vrijgesproken. Tot een zo ver strekkende uitleg van art. 6 EVRM Pro noopt
Lorefice/Italiënaar mijn inzicht niet. Het ging in deze zaak om twee cruciale belastende getuigen, van wie de rechtbank in eerste aanleg er één ter terechtzitting had gehoord. Blijkens de motivering van haar integrale vrijspraak, achtte de rechtbank beide getuigen(verklaringen) aantoonbaar onjuist, volstrekt ongeloofwaardig en zelfs mogelijk meinedig. Het hof van beroep te Palermo kwam echter tot een bewezenverklaring van de feiten, en wel op basis van een geheel ander oordeel over de geloofwaardigheid van juist deze twee getuigen (zonder deze zelf te hebben gehoord). Het hof van beroep legde Lorefice een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en zes maanden op. Daarbij baseerde het hof van beroep zich geheel op het procesdossier. Maar niet had het ervan blijk gegeven de mogelijkheden en/of de wenselijkheid de getuigen opnieuw ter terechtzitting te horen te hebben onderzocht en overwogen. Het was déze gang van zaken die in zijn geheel beschouwd een schending van art. 6, eerste lid, EVRM opleverde. Algemene regels geeft het Europees Hof in deze uitspraak niet en zulke regels laten zich uit het arrest mijns inziens ook niet afleiden. [29] Veeleer worden in
Lorefice/Italiëde bijzondere omstandigheden van de zaak door het Europees Hof benadrukt. [30]
eerste middelklaagt over de afwijzing van het verzoek tot het als getuigen horen van de kapiteins en eerste stuurmannen van de schepen die gelijktijdig met de Antarctic Mariner in de haven van Buchanan lagen.
7. Onderzoekswensen van de verdediging
Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep de verklaringen van een aantal getuigen ten grondslag gelegd aan zijn requisitoir dat strekte tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Bij zijn requisitoir is het openbaar ministerie echter niet ingegaan op de waarde die aan deze verklaringen qua betrouwbaarheid zou mogen worden gehecht, hoewel die vraag in de onderhavige zaak bepaald aandacht verdient en daarvoor door de verdediging ook meermalen nadrukkelijk de aandacht is gevraagd,
VOnderzoekswensen van de zijde van de verdediging
Een onderzoek naar de “andere schepen”, die tegelijkertijd met de AM in de haven van Buchanan verbleven.
Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep de verklaringen van een aantal getuigen ten grondslag gelegd aan zijn requisitoir dat strekte tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Bij zijn requisitoir is het openbaar ministerie echter niet ingegaan op de waarde die aan deze verklaringen qua betrouwbaarheid zou mogen worden gehecht, hoewel die vraag in de onderhavige zaak bepaald aandacht verdient en daarvoor door de verdediging ook meermalen nadrukkelijk de aandacht is gevraagd,
Een kopie van het betreffende overzicht met bijlagen treft u in de Hof PPP aan.”
andereverzoek van de verdediging tot het (doen) horen van getuigen dat toen is afgewezen, betreft het in het middel bedoelde verzoek. Het hof heeft op dat verzoek als volgt overwogen en beslist:
tegenovergestelde(het spiegelbeeld) op het oog: het hof heeft bepaalde
welter terechtzitting aangevoerde omstandigheden
nietin zijn beoordeling betrokken. Zulks brengt echter niet mee dat het hof buiten de grenzen van het onderzoek ter terechtzitting is getreden. Het hof heeft evenmin verzuimd een beslissing te nemen die het op grond van het onderzoek ter terechtzitting gehouden was te nemen, zodat ik het ervoor houd dat kennelijk met de eerste klacht is beoogd te klagen dat de afwijzende beslissing op het getuigenverzoek onbegrijpelijk is, omdat niet op alle onderdelen van het aan dat verzoek ten grondslag gelegde gemotiveerd zou zijn gerespondeerd.
hypothetischesituatie dat de bedoelde getuigen zouden verklaren overeenkomstig de stellingen van de verdediging. Het is enkel daarom uitgegaan van het scenario dat deze getuigen inderdaad zouden verklaren niet te hebben gezien dat wapens van de Antarctic Mariner werden gelost. Ook in dat geval zouden naar het oordeel van het hof de stellingen van het openbaar ministerie dat deze uitladingen wél hebben plaatsgevonden niet zijn ontzenuwd. De hypothetische strekking van de overweging brengt mee dat het hof daarmee op de verklaring van de getuigen niet is vooruitgelopen, terwijl de overweging evenmin blijk geeft van vooringenomenheid. Ook overigens is zij niet onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt over de afwijzing van het verzoek om de scheep(vaart)deskundige Hendrik Bakker als getuige te (doen) horen.
Scheepsdeskundige Bakker van Ameyde shipping
voor het overigein de weg staan. Gesteld is niet door de verdediging dat een nieuw verhoor op die vraag een ander licht had kunnen werpen. Ook daarom is het oordeel dat het opnieuw horen van Bakker niet noodzakelijk was, niet onbegrijpelijk en doet de afwijzende beslissing – anders dan in de toelichting op het middel wordt gesuggereerd – niet af aan de eerlijkheid van het strafproces van de verdachte.
derde middelis gericht tegen de afwijzende beslissingen van het hof op de bij herhaling naar voren gebrachte verzoeken om [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen te (doen) horen.
verzoektde verdediging wederom als getuigen alsnog te horen:
- [getuige 3] , [getuige 1] , [getuige 2] en de voormalig Amerikaanse ambassadeur Blaney als getuigen te horen.
4. Overige voor de verdediging van fundamenteel verdedigingsbelang zijnde relevante doch nog niet gehoorde getuigen en onderzoekswensen en die de verdediging u bij deze verzoekt alsnog toe te wijzen in het kader van de daar reeds genoemde verdedigingsbelangen en de door uw hof te nemen beslissingen betreffende de ontvankelijkheid, de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding ex art 6 EVRM Pro. Het betreft daarbij.
Getuigen die door uw Hof zijn toegewezen, doch nog niet gehoord.De verdediging verwijst naar de lijst, zoals deze in het kader van het geeindigdverklaringsverzoek is bijgevoegd en ook u al is gezonden in kopie.
Getuigen, die door uw hof tot op heden nog niet zijn toegewezen, doch wel al eerder door de verdediging zijn verzocht (prod 4).
De verdediging verwijst naar de bijgaande lijst van die getuigenverzoeken en verwijst voorts naar het per zitting opgestelde overzicht, waarbij nog eveneens werd verzocht niet met naam genoemde getuigen, die uw hof tot op heden eveneens had afgewezen en die thans in prod 5 worden genoemd.
Overige getuigen en onderzoekswensen, die uw Hof tot op heden heeft afgewezen (prod 5).
De verdediging verwijst naar bijgaande lijst van de betreffende onderzoekswensen, die per zitting zijn omschreven door de verdediging doch tot op heden door u werden afgewezen in het kennelijke licht van resultaten van wel toegewezen te verrichten onderzoek, dat echter tot op heden niet heeft plaats gevonden en voorzienbaar ook niet meer zal kunnen plaats vinden.
De verdediging verzoekt u voorts alsnog als getuigen te horen:
[getuige 1]- general affairs handeling - filling clearing containers
[getuige 3] -financial controller
[getuige 2]- assistant account department
former fighters” hoe fysiek onmogelijk ook hun verhalen zijn, wel als bewijsmateriaal wenst te gebruiken.”
NJ2007/625, m.nt. Mevis gaan de stellers van het middel er kennelijk van uit dat het hof ten tijde van de eerdere verzoeken waaraan het bij zijn beslissing van 17 november 2014 heeft gerefereerd, zich onvoldoende geïnformeerd heeft geacht om die verzoeken te kunnen toewijzen. In het in de schriftuur genoemde arrest uit 2007 besliste de Hoge Raad dat het niet in de rede ligt dat de rechter ingeval hij ten tijde van een regiezitting over onvoldoende gegevens meent te beschikken om een verantwoorde beslissing op een dergelijk verzoek te geven, niettemin toch in voorlopige zin een dergelijk verzoek afwijst. Het verdient dan de voorkeur dat de rechter de beslissing op het verzoek aanhoudt. [46] Als het hof had bedoeld de eerdere verzoeken in voorlopige zin af te wijzen omdat het zich onvoldoende geïnformeerd achtte om deze toe te wijzen, dan zou een verwijzing naar die eerdere beslissingen de bestreden beslissing wellicht niet kunnen dragen. Verdedigbaar is dat dan nadere motivering zou behoeven waarom op de terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 nog steeds niet voldoende informatie beschikbaar was om tot toewijzing van het getuigenverzoek te komen.
vierde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het verweer dat de verklaringen van belastende getuigen over wapenleveranties via de haven van Buchanan onjuist en onbetrouwbaar zijn, gelet op onderzoeken van de VN, verklaringen van (onder meer) Charles Taylor, militairen en de Amerikaanse militaire attaché Ferguson, die alle erop zouden wijzen dat wapenleveranties aan het regime van Charles Taylor uitsluitend door middel van vliegtuigen plaatsvonden.
Een van die vooral in het begin van de procedure hardnekkige beschuldigingen van het openbaar ministerie betroffen betalingen betreffende een boot, die een civiele boot betrof, maar door het openbaar ministerie stug als een soort wapenconnectie werd gepresenteerd. De VN had al lang vast gesteld dat die beschuldiging ongegrond was na dat te hebben uitgezocht. Helaas moest ook die onschuld nogmaals in deze procedure worden aangetoond.
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de haven van Buchanan niet is en niet kon worden gebruikt voor de invoer van wapens, onder meer omdat deze haven niet (door middel van een hek en/of door militairen) afsluitbaar was en het feitelijk onmogelijk was in die haven een schip te ontladen zonder dat een groot aantal derden daarvan getuige zou zijn geweest.
zesde middelvalt in twee klachten uiteen. De eerste klaagt over de afwijzing van het verzoek het openbaar ministerie op te dragen ervoor te zorgen dat het de door UNMIL/ECOMIL en VN-organen verzamelde onderzoeksresultaten over bij [D] gehouden inspectiereizen en controles zou verkrijgen. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
en waarom. [57]
zevende middelklaagt in samenhang met de toelichting daarop en naar de kern bezien over het oordeel van het hof dat de beperkingen in de mogelijkheden van de verdediging om de door haar gewenste getuigen te ondervragen niet kunnen leiden tot bewijsuitsluiting. De stellers van het middel doelen daarbij op (kort gezegd) het ‘beletten van vragen’ door de rechter-commissaris en/of de raadsheer-commissaris. Daarnaast, en naar ik begrijp in het verlengde daarvan, komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat het gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in art. 187b, eerste lid, Sv door een rechter-commissaris en/of raadsheer-commissaris niet ter beoordeling van het hof stond.
E.4 Overige verweren strekkende tot bewijsuitsluiting
“solely and decisive”) of, anders gezegd, die in onvoldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.
sole or decisive’) in de zin van de Straatsburgse rechtspraak is. Ter staving van de onbegrijpelijkheid van dat oordeel wordt aangevoerd dat de verdediging uitdrukkelijk en onderbouwd naar voren heeft gebracht dat die overige bewijsmiddelen eveneens verklaringen betreffen van getuigen die door de verdediging niet adequaat konden worden ondervraagd, nu verzoeken om deze te horen zijn afgewezen, de getuigen niet zijn verschenen en/of is belet aan vragen aan hen gevolg te geven.
achtste middelklaagt over de vaststelling van het hof dat diverse getuigen door de verdediging (“personen gelieerd aan de verdachte”) zijn bewogen voor de verdachte ontlastende verklaringen af te leggen en over de daaruit voortvloeiende beslissing om met die omstandigheid bij de beoordeling van de juistheid en betrouwbaarheid van getuigenverklaringen rekening te houden, en om door de verdediging overgelegde ontlastende getuigenverklaringen als ongeloofwaardig terzijde te stellen. Voorts wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd te reageren op het voorwaardelijke verzoek [getuige 8] , diens echtgenote en diens dochter als getuigen te horen indien het hof zou uitgaan van de beweerdelijke collusie.
G.1.4 Collusie
kunnenafleiden, is het lot van een klacht als deze in cassatie mijns inziens dan ook al nagenoeg bezegeld.
kunnenzijn gekomen, blijkt daaruit niet. In het pleidooi van de raadsvrouwe d.d. 24 februari 2017 komt de vermeende collusie zijdelings aan bod en wel in het kader van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Geciteerd wordt uit een beklagschrift dat eerder is ingediend en in dat beklagschrift wordt weer geciteerd uit brieven van de verdediging aan het openbaar ministerie. Het komt mij voor dat daarin wel wordt onderbouwd waarom naar het oordeel van de verdediging weinig geloof moet worden gehecht aan de verklaringen van getuigen die beweren door personen gelieerd aan de verdachte te zijn beïnvloed, maar dat de gestelde
onmogelijkheidvan de door het hof vastgestelde feiten daaruit niet naar voren komt. Ook het bij dupliek van 17 maart 2017 aangevoerde houdt niet meer in dan dat ten tijde van de vermeende beïnvloeding de naam van sommige van de beweerdelijk beïnvloede getuigen aan de verdediging nog niet waren verstrekt. Voor zover bij dupliek tegen de verklaring van de getuige [getuige 16] wordt geageerd, houdt het betoog louter in dat de in het dossier aanwezige in het Engels gestelde verklaring van deze getuige wezenlijk verschilt van de Nederlandse vertaling ervan en dat [getuige 8] , van wie de getuige [getuige 16] beweert dat deze opdracht heeft gegeven zijn vrouw op te zoeken, sinds 28 mei 2015 niet meer in Liberia zou zijn geweest. Nog afgezien ervan dat deze laatste stelling niet is onderbouwd en dat [getuige 16] overigens in het midden laat of [getuige 8] in Liberia is geweest, heeft het hof in zijn onder G.1.4 gebezigde overwegingen ook niet het oog gehad op deze door [getuige 16] gestelde beïnvloeding in 2016 (zie nader hierna bij randnummer 130).
G. Onvoldoende betrouwbare verklaringen van getuigen
pidgin' taal, maar een eenvoudige versie van het standaard Engels. In het begin is Liberiaans Engels voor nieuwkomers moeilijk te begrijpen. Zoals het hof ook is gebleken bij het bestuderen van het dossier is niet uit te sluiten dat het vertalen van het Liberiaans Engels naar het gewone Engels, op onderdelen/details verkeerd kan zijn gegaan. Ook getuigen maakten tijdens het afleggen van een verklaring uit eigen beweging melding van communicatieproblemen.
former fighters’)al in de eerste burgeroorlog (eind 1989 tot juli 1996) als (kind)soldaat zijn blootgesteld aan (ernstig) traumatiserende gebeurtenissen. Een aantal van hen heeft verklaard ook in de ten laste gelegde periodes pleger te zijn geweest van in de tenlastelegging genoemde (ernstig) traumatiserende gebeurtenissen. In een enkel geval hebben deze getuigen verklaard daarna zelf gevangen genomen te zijn door rebbelen en slachtoffer te zijn geworden van (ernstig) traumatiserende gebeurtenissen.
former fighters’ onveiligheid, schaamte en eigenbelang een grote rol kunnen spelen.
specifiekin te gaan op het ten aanzien van een bepaalde getuige door de verdediging aangevoerde standpunt. Voor zover zo een klacht aldus te verstaan is dat het hof niet “in het bijzonder” (in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv) de redenen voor afwijking heeft opgegeven, mist zij mijns inziens feitelijke grondslag. Met zijn – hiervoor weergegeven – overwegingen heeft het hof wel degelijk op de verweren gerespondeerd. Een klacht dat het hof “niet specifiek” heeft gereageerd, laat zich echter ook begrijpen als betoog dat is gericht op de
ontoereikendheidvan de door het hof gegeven motivering. Daarover het volgende.
NJ2008/179, m.nt. Buruma, HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:848,
NJ2014/390, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953,
NJ2015/60, m.nt. Keulen en HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571. [79] Een gering aantal, zeker als bedacht wordt dat het hier niet om een zeldzame cassatieklacht gaat. [80] Inhoudelijk ging het om bijzondere gevallen: de bewijsconstructie deed de vraag opkomen op welke gronden het verweer – gezien de indringendheid en overtuigingskracht ervan – niet was gevolgd.
a fortiorikansloos. Voor zover de middelen uitgaan van de opvatting dat het hof in de onderhavige zaak op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv was gehouden per getuige aan te geven waarom het de tot het bewijs gebezigde onderdelen van zijn of haar verklaring betrouwbaar achtte, stellen zij motiveringseisen aan de bewijsbeslissing die uit die bepaling niet voortvloeien.
geenbier had gedronken, dan zou met hetzelfde bewijsmiddel “Ik heb bier gedronken” en het wegstrepen van “geen” het tot het bewijs gebezigde gedeelte van de verklaring van de verdachte vanzelfsprekend wel degelijk volledig van betekenis veranderen en iets inhouden dat de verklaring van de verdachte in werkelijkheid niet inhoudt.
negende middelklaagt dat het hof ten onrechte verklaringen van getuigen voor het bewijs heeft gebezigd, omdat het hof ervan uitgaat dat de inhoud van deze verklaringen omtrent een aantal feiten en omstandigheden niet juist is en/of in strijd is met andere bewijsmiddelen.
kanoptreden. Ik begrijp het hof aldus dat het de vraag óf zo een vertekening zichtbaar is steeds voorzichtig heeft beoordeeld en pas als het ervan was overtuigd dat een weergave accuraat en juist was, deze in zoverre tot het bewijs heeft gebruikt. Het hof heeft tevens te kennen gegeven in herhaalde contradicties of lacunes in het relaas van de betreffende getuigen in sommige gevallen aanleiding te vinden de gehele getuigenverklaring terzijde te schuiven. Dat lag evenwel anders indien een gedeelte van die verklaring zodanige steun vond in ander bewijsmateriaal dat het hof van de juistheid van dat gedeelte van de verklaring door het wettig bewijs – ondanks de geconstateerde contradicties en lacunes in de
overigeonderdelen van de verklaring – toch overtuigd is geraakt.
tiende middelklaagt dat het hof de verklaringen van de getuige [getuige 11] voor het bewijs heeft gebezigd, zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuige. Voorts zou het hof hebben verzuimd te beslissen op het verzoek een reconstructie uit te voeren naar de wijze waarop de getuige in staat is kisten met tientallen vuurwapens uit het ruim van de Antarctic Mariner te dragen.
(‘‘wooden crates/cartons/boxes”).
elfde middelklaagt hoofdzakelijk dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [getuige 15] onjuist en/of onbetrouwbaar zijn, zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. Daarnaast zouden de voor het bewijs gebruikte verklaringen van deze getuige onderling tegenstrijdig zijn en in strijd zijn met ander tot het bewijs gebezigd materiaal.
twaalfde middelvalt in twee klachten uiteen. Ten eerste klaagt het middel dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet (specifiek) heeft gereageerd op het standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuige [getuige 17] onbetrouwbaar zijn. Voorts klaagt het middel dat het hof de verklaringen van deze getuige heeft gedenatureerd.
dertiende middelbevat twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof verklaringen van de getuige [getuige 18] voor het bewijs heeft gebruikt zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. Ten tweede zou het hof hebben verzuimd te reageren op een verzoek tot reconstructie van de wijze waarop deze getuige naar eigen zeggen in staat is door houten kisten heen te kijken en daarin wapens waar te nemen.
uitsluitendaan het begin en het einde van het jaar kwam. “Altijd” kan in dit verband ook goed als ‘elk jaar’ worden begrepen in plaats van de door de stellers van het middel kennelijk beoogde uitleg als ‘elke aankomst’. Dat de getuige het laatste heeft bedoeld, is zelfs onwaarschijnlijk, gezien het vervolg van zijn verklaring: “De laatste keer dat het schip kwam, was toen het bedrijf op het punt van sluiten stond. Ik weet niet meer precies wanneer dat was, volgens mij april/mei 2003.” Het schip kwam volgens de getuige kennelijk niet uitsluitend aan het begin en/of het einde van het jaar, maar ook in april/mei.
veertiende middelklaagt dat het hof heeft verzuimd specifiek te reageren op het door de verdediging ten aanzien van de verklaring van getuige Jeffrey Williams naar voren gebrachte standpunt, terwijl het hof deze verklaring wel tot het bewijs heeft gebezigd.
vijftiende middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van een groep getuigen die volgens de verdediging met elkaar gemeen heeft dat ieder zich heeft voorgedaan als beveiligingsmedewerker van [C] ofschoon de getuigen in werkelijkheid aan de zijde van de LURD hebben gevochten.
(het hof begrijpt: verdachte)daar ook verschillende keren gezien.
U vraagt mij wat ik in White Flower heb gezien met betrekking tot wapens. Nadat de wapens waren overgedragen werd het vervoer geëscorteerd door [getuige 10] . U vraagt mij of ik in White Flower wapens heb gezien die afkomstig waren uit Buchanan. Ja. U vraagt mij of ik zeker weet dat wat er in Bomi Wood werd geopend dezelfde kisten waren die vanuit Buchanan, via White Flower, daar naar toe waren vervoerd. Ik zeg u dat mijn generaal steeds dezelfde opdracht had, namelijk dit transport te begeleiden. Deze opdracht is niet veranderd tot en met Bomi Wood; ik heb dit transport vanaf Buchanan naar Bomi Wood begeleid. U vraagt mij of de wapens die in Bomi Wood arriveerden nog verder zijn getransporteerd. Ja, zij werden gedistribueerd en er werd besloten dat ze rechtstreeks naar het front moesten. U vraagt mij welk front dit was. Dit was over de grens van Sierra Leone voor het vechten samen met de RUF. U vraagt mij of ik verantwoordelijk was voor de distributie van de wapens vanuit Bomi Wood. Ja, dat was ik.”
De eerste aanval op Gueckedou was er hevige tegenstand van Guinese strijders, wij verloren in die strijd honderd man. We moesten ons toen terugtrekken.
Ik heb [verdachte] voor het eerst ontmoet in 2001, toen hij mij USD 1500,- gaf. Ik hoorde toen dat [verdachte] tegen mij zei dat we Gueckedou aan moesten vallen om de rebellen tegen te houden die Liberia binnen wilden vallen. Ik weet nog dat het in het droge seizoen was, want we konden de rivier tussen Liberia en Guinee gewoon lopend oversteken, ik weet vrijwel zeker dat de tweede aanval in februari 2001 was.
De tweede keer dat ik [verdachte] zag, zag ik hem ook weer bij [C] , op het terrein dat ik zojuist beschreef. Hij was daar met [getuige 10] en [R.D.] .
deaanval op Guéckédou” moet worden afgeleid dat het er slechts één is geweest. Daarmee wordt mijns inziens in de als bewijsmiddel 83 gebruikte verklaring iets gelezen dat er niet staat. Buiten twijfel is, dat in bewijsmiddel 82 over twee aanvallen wordt gesproken. Na de eerste van de twee hebben de Liberiaanse strijdkrachten zich volgens de getuige moeten terugtrekken. De tweede door de getuige beschreven aanval is onmiskenbaar die waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze op een marktdag eind februari 2001 heeft plaatsgehad. Dit was de meest ingrijpende aanval die op Guéckédou is uitgevoerd, waarbij Guéckédou daadwerkelijk ingenomen is en tegen de burgerbevolking ernstige misdrijven zijn begaan. Het is voorafgaand aan deze tweede aanval geweest dat de verdachte volgens de getuige aan hem 1500 USD heeft gegeven en dat men moest tekenen voor ontvangst van de wapens. In bewijsmiddel 83 spreekt de getuige inderdaad over “de” aanval op Guéckédou. Uit de omstandigheden dat [getuige 24] opnieuw verklaart dat voorafgaand aan deze aanval 1500 USD van de verdachte werd ontvangen, dat moest worden getekend voor ontvangst van de wapens alsmede dat zij de stad zijn binnengetrokken en ernstige misdrijven hebben begaan, blijkt dat het hier de tweede aanval betreft. In het enkele feit dat [getuige 24] deze aanval als “de” aanval op Guéckédou typeert, ligt niet besloten dat dit de
enigeaanval op Guéckédou is geweest. Een dergelijke typering laat zich bovendien aan de hand van de aard en ernst van de gebeurtenissen die zich bij deze tweede aanval hebben voltrokken goed verklaren. Er is derhalve hier geen tegenstrijdigheid in de bewijsvoering.
zestiende middelklaagt in de eerste plaats dat het hof niet, althans niet voldoende, heeft gereageerd op hetgeen de verdediging ten aanzien van de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) de getuige [getuige 16] uitdrukkelijk onderbouwd naar voren heeft gebracht. In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek een reconstructie uit voeren naar de wijze waarop deze getuige volgens zijn verklaringen wapens in een container bovenop boomstammen in zijn truck zou hebben vervoerd.
43. De bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 16] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
(het hof: een gespreksverslag van de CIE d.d. 10 juli 2004) tot stand is gekomen?
achttiende middelklaagt dat het hof is afgeweken van het standpunt van de verdediging door een verklaring van de getuige [getuige 25] voor het bewijs te gebruiken, zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging ten aanzien van deze getuige naar voren heeft gebracht.
[getuige 27] , [getuige 6] en [getuige 26]
(“the general right to a fair trial requires to evaluate the proceedings as a whole”), niet worden gezegd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het onderzoek waardoor er geen sprake meer zou zijn van een eerlijke berechting. Laat staan dat die belangen op zodanige wijze zijn geschonden, dat dit heeft te leiden tot een zo ver gaande sanctie als het niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
negentiende middelbevat twee klachten. De eerste klacht luidt dat het hof een verklaring van de getuige Tong voor het bewijs heeft gebruikt zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging ten aanzien van die getuige heeft aangevoerd. De tweede klacht komt op tegen de beslissing van het hof tot afwijzing van het voorwaardelijk verzoek deze getuige te ondervragen.
tegendan
voorhet horen van de getuige pleit. In zoverre is het niet onbegrijpelijk dat het hof het horen van de getuige niet noodzakelijk acht en daarbij ten detrimente van het verzoek acht slaat op de onderbouwing ervan.
twintigste middelklaagt dat het hof een verklaring van de getuige [getuige 28] tot het bewijs heeft gebezigd zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging ten aanzien van deze getuige heeft aangevoerd.
[getuige 13] stelt dat er een kelder onder het huis van [getuige 10] is. Er zijn echter geen kelders onder alle huizen in de Loop. U heeft dat op de foto's kunnen constateren en de eerste schouw leek daar ook duidelijk in. Doch de verdediging verzoekt het openbaar ministerie dit door het NFI te laten vast stellen, dus niet eventueel dan weer te vragen aan een andere feestvierende buurtbewoner.”
dezegetuige is aangevoerd aan de hand van het argument dat onder de woning van de verdachte geen wapens konden zijn opgeslagen. De bedoelde feitelijkheid is immers niet aangevoerd als argument voor de onbetrouwbaarheid van de in het middel bedoelde getuige, maar is ingebracht tegen de verklaring van de getuige [getuige 13] . Daarnaast is niet aangevoerd dat uit de eerste schouw zou blijken dat onder geen van de huizen in “The Loop” wapens konden worden opgeslagen, maar (slechts) dat zich onder deze huizen geen kelders bevonden. Dat verschil is van wezenlijk belang. Uit de als bewijsmiddel 54 gebezigde verklaring laat zich reeds afleiden dat de dozen met opgeslagen wapens en munitie in het voorbijgaan van buiten zichtbaar waren en de getuige met “onder het huis” dus vermoedelijk geen kelder bedoelt. Verder houdt het proces-verbaal van verhoor van 5 mei 2007, dat aan bewijsmiddel 54 ten grondslag ligt, onder meer in:
eenentwintigste middelklaagt dat het hof een verklaring van de getuige [getuige 29] voor het bewijs heeft gebruikt, zonder specifiek in te gaan op hetgeen de verdediging ten aanzien van deze getuige naar voren heeft gebracht.
zeventiende middel, gelezen in samenhang met de toelichting erop, klaagt dat het hof de verklaringen van [getuige 30] ten onrechte voor het bewijs heeft gebruikt, omdat zij niet verklaart over feiten en omstandigheden die zij zelf heeft waargenomen of ondervonden, terwijl het hof heeft verzuimd te reageren op het verweer dat zij niet als deskundige kan worden aangemerkt.
elkezin afzonderlijk en opnieuw inhoudt wat [getuige 30] precies van welke ooggetuige heeft gehoord, doet mijns inziens er niet aan af dat volstrekt helder is dat zij uitsluitend verklaart wat zij van de verschillende ooggetuigen heeft vernomen.
drieëntwintigste middelen het
vierentwintigste middellenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het drieëntwintigste middel klaagt dat het wettelijk bewijsstelsel en/of het systeem van strafvordering zich verzet(ten) tegen ’s hofs gebruik als bewijsmiddel van diverse geschriften, voornamelijk rapporten van (inter)nationale organisaties en instellingen. [126] Het vierentwintigste middel klaagt dat het gebruik voor het bewijs van bewijsmiddel 76, houdend een proces-verbaal betreffende mediascan, [127] eveneens onverenigbaar is met het wettelijk bewijsstelsel en/of het systeem van strafvordering.
tweeëntwintigste middelklaagt dat het hof een onderdeel van een tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd.
logyard, we gingen dan overal kijken.”
één keeractief betrokken is geweest bij de dagelijkse gang van zaken, en dat de verdachte daarbij heeft gepreciseerd dat dit gedurende het opzetten van [D] is geweest. Op deze wijze zou de verklaring van de verdachte volgens de stellers van het middel zijn gedenatureerd.
vijfentwintigste middelklaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.
zesentwintigste middelklaagt over 's hofs motivering van de verwerping van het verweer dat diverse belastende getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, omdat deze verklaringen onder meer inhouden dat een persoon genaamd “ [getuige 31] ” bij [D] en/of [C] werkzaam is geweest, terwijl iemand met die (bij)naam nooit voor [D] of [C] heeft gewerkt.
Chief Securityvoor [C] zou hebben gewerkt. De
Chief Securitybetrof echter [getuige 3] . Dat geen sprake is van een kennelijke vergissing, maar van geregisseerde leugenachtige verklaringen blijkt uit het feit dat vijf getuigen de naam “ [getuige 31] ” hebben genoemd en drie getuigen daarbij benoemen dat “ [getuige 31] ” is overleden bij de hinderlaag waarbij [getuige 10] gewond is geraakt. Uit diverse andere getuigenverklaringen blijkt echter dat [getuige 3] is gesneuveld bij die hinderlaag.
fighternameof radionaam. De bijnamen “ [getuige 31] ” en “ [betrokkene 11] ” zijn gekoppeld aan een Afrikaanse stamachtergrond en wel van de twee grootste etnische groepen in Liberia (de Kpelle met name in Midden-Liberia en de Bassa met name nabij Buchanan). [137] Het hof sluit niet uit en acht het zelfs waarschijnlijk dat meer personen een bijnaam hadden slaande op hun stamachtergrond met daarbij het achtervoegsel “-boy”.
committed wrongs during the conflict”) heeft geïdentificeerd. [139]
vaststaatdat een persoon genaamd [getuige 31] (als chief security) werkzaam was bij [C] , stuit hierop af. Het hof heeft immers niet geoordeeld dát de werkzaamheid van een zekere [getuige 31] binnen de bedrijven van de verdachte vaststaat, maar slechts geoordeeld dat het niet-bestaan van deze persoon niet aannemelijk is geworden en zijn bestaan voor het overige in het midden gelaten. Nu het bij dit feitelijke twistpunt gaat om een omstandigheid die mogelijk de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen zou raken, kon het hof met dit oordeel volstaan en was een positieve vaststelling van het bestaan van deze [getuige 31] niet noodzakelijk om tot de bewezenverklaringen te komen.
zevenentwintigste middelklaagt over de begrijpelijkheid van de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat verklaringen van belastende getuigen onbetrouwbaar zijn, omdat zij onder meer inhouden dat wapens werden opgeslagen en verspreid in een [C] -kamp, genaamd Bomiwood en gelegen nabij Tubmanburg, terwijl de verdediging ontkent dat een dergelijk kamp op die plaats heeft bestaan.
J.5 Verweer ten aanzien van bestaan kamp [C] -Bomi Wood
transit-logyard) voor het plaatsje Tubmanburg (gezien vanaf de weg komende vanuit Monrovia) gebruikt. Dat was een
logyardzonder bebouwing, waar hout werd opgeslagen en vervolgens vervoerd naar de haven van Monrovia. Voor zover getuigen hebben verklaard dat zij voor [C] -beveiliging gestationeerd waren in [C] -kamp Bomi Wood of anderszins hebben verklaard over het bestaan van een [C] -kamp Bomi Wood zijn reeds om die redenen hun verklaringen onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsvrouw.
logyardin de buurt van Tubmanburg - hetgeen, zoals is gebleken uit het verhandelde ter terechtzittingen, niet meer is geweest dan een lege vlakte waarop boomstammen werden opgeslagen - [C] ook gebruik maakte van een kamp. Dat betrof een bebouwd kamp, dat was gebouwd door het Duitse bedrijf Bomi Wood.
“Dat is een oude Duitse concessie. Er was een Duitse loggingoperatie die zo heette. Er stond een zagerij en men had een hout exploitatie, het was gevestigd in het gebied Bomi Wood. Tubmanburg zo heette de stad of dorp in dat gebied.Bomi Wood was de naam van de oude concessie en deze is overgenomen door [C] . [C] was actief in Bomi Wood, Er was daar een werkerskamp, dat heette [C] -kamp. Dat bestaat uit houten huisjes voor de workers. Er stonden geloof ik een of twee caravans voor de managers. (...) Dit was een soort base-camp”(onderstreping aangebracht door het hof).
A short history of Bomi Woods’ opgesteld door mr. A.S. Zwannah, voormalig werknemer van Bomi Wood. Daaruit blijkt dat er een kamp Bomi Wood met een zagerij door de Duitse regering is gebouwd in de buurt van Tubmanburg, Bomi County, alsmede dat dit kamp heeft bestaan naast de op vijf mijl daarvan gelegen
logyard. Dat betreft de
logyarddie volgens Zwannah door [C] is gebruikt.
logyard, het dorp en [C] -kamp Bomi Wood tezamen) hebben aangeduid als zijnde het [C] -kamp Bomi Wood.”
logyard(zijnde een open vlakte waarop boomstammen werden opgeslagen). Uit niets blijkt dat de verdachte eigenlijk doelde op Kamp Israël, waarvan de verdediging steeds heeft benadrukt dat het niet in deze omgeving lag, maar in Grand Cape Mount. De wijze waarop het hof de verklaring van de verdachte heeft gebruikt, verraadt niet dat het hof locaties met elkaar heeft verward en is ook overigens niet onbegrijpelijk.
achtentwintigste middelklaagt in samenhang met de toelichting in essentie over de motivering van het onder feit 1A meer subsidiair bewezenverklaarde.
(i) personeel van [D] en [C] ter beschikking heeft gesteld voor het uitladen en vervoeren van wapens en munitie;
(ii) personeel voor de gewapende strijd ter beschikking heeft gesteld;
(iii) heeft toegelaten dat [R.D.] , [betrokkene 7] en [getuige 10] belangrijke rollen hebben gespeeld in het gewapende conflict in Lofa County en Guéckédou en dat zij personeel van die bedrijven hebben bevolen om deel te nemen aan het gewapende conflict;
(iv) het [C] -kamp Bomi Wood kennelijk als bewaarplaats ter beschikking heeft gesteld voor wapens en munitie afkomstig van de Antarctic Mariner;
(v) dat kamp meerdere keren heeft bezocht en daar ook strijders heeft aangemoedigd te vechten; en
(vi) in de directe omgeving stond toen het bevel werd gegeven om zware wapens te gebruiken bij de aanval op Guéckédou en soldaten heeft laat weten dat geplunderd mocht worden.
negenentwintigste middelbevat welbeschouwd drie klachten. Het middel klaagt ten eerste dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro en/of beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden, doordat het hof heeft nagelaten een zestal getuigen ter terechtzitting in hoger beroep te horen. De tweede klacht legt de vinger op een tweetal onduidelijkheden in de bewezenverklaringen van feiten 1A, 2A en/of 3A, telkens meer subsidiair. De derde klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wetenschap ervan droeg dat door Liberiaanse regeringstroepen oorlogsmisdrijven werden begaan. Deze klacht bestrijdt aldus het voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan medeplegen van oorlogsmisdrijven noodzakelijke opzet van de verdachte als medeplichtige op die oorlogsmisdrijven (het grondfeit). Ik bespreek de klachten in de volgorde waarin het middel ze presenteert.
dat en waaromhet verhoor van deze zes getuigen bij de rechter-commissaris in eerste aanleg in dit concrete geval geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging voor de verdediging zou zijn geweest. Dat bepaalde gedragingen van de verdachte die het hof
medeten grondslag legt aan de bewezenverklaringen van de feiten 1A, 2A en 3A, telkens meer subsidiair, enkel zouden steunen op de verklaringen van deze getuigen, betekent daarnaast nog niet dat zij ook als ‘
sole or decisive’ten aanzien van die bewezenverklaarde feiten (in hun totaliteit) moeten worden aangemerkt. Van een schending van het ondervragingsrecht is derhalve ook daarom geen sprake.
Lorefice/Italië. [148] Zij leiden uit dat arrest af dat de appelrechter (ambtshalve) gehouden is belastende getuigen op te roepen indien de rechter in eerste aanleg deze getuigen ter terechtzitting heeft gehoord en de verdachte vervolgens heeft vrijgesproken. In de vooropstelling bij mijn bespreking van de eerste drie middelen liet ik reeds blijken dat en waarom die interpretatie mij te extensief voorkomt. De uitspraak geeft volgens mij geen algemene regels, maar moet veeleer worden begrepen in het licht van de omstandigheden van het toen voorliggende geval. [149] In de onderhavige zaak betreft het een op zijn minst in vier opzichten (wezenlijk) andere situatie dan die welke aan de uitspraak
Lorefice/Italiëten grondslag lag. In
Lorefice/Italiëriep de in hoger beroep tot stand gekomen veroordeling ten eerste de vraag op hoe de appelinstantie zonder de getuigen zelf te horen tot een diametraal ander oordeel over de betrouwbaarheid van hen kwam dan de rechter in eerste aanleg, die één van hen had gehoord. De verklaringen van die getuigen stonden ten tweede, voor zover zich uit het arrest van het EHRM laat afleiden, ook tamelijk op zichzelf en vonden geen wezenlijke steun in ander bewijsmateriaal. Daar komt ten derde bij dat de verdachte in de Italiaanse zaak door de rechtbank integraal was vrijgesproken. Ten vierde bleek niet dat het hof van beroep te Palermo zich enige moeite had getroost om op zijn minst te trachten getuigen opnieuw te horen. [150] Op alle vier deze punten wijkt de onderhavige zaak af. De rechtbank en het gerechtshof in Den Haag hebben bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigen acht geslagen op van deze getuigen in het procesdossier aanwezige verklaringen die zij hebben afgelegd ten overstaan van opsporingsambtenaren en de rechter-commissaris. Het hof heeft in dit opzicht dus niet in een minder geïnformeerde situatie verkeerd dan de eerdere feitelijke instanties, maar komt tot een andere waardering van hetzelfde aanwezige (schriftelijke) bewijsmateriaal. De in het middel bedoelde belastende getuigenverklaringen zijn ten tweede ook in deze zaak weliswaar van groot belang, maar zij steunen niet alleen elkaar maar vinden tevens belangrijke steun in andere gegevens en verklaringen. Ten derde behelst de vernietigde uitspraak van het gerechtshof in Den Haag weliswaar een geheel andere waardering van de betrouwbaarheid van de getuigen, maar de partiële vrijspraak van de rechtbank in Den Haag verschilt niet hemelsbreed van het oordeel van het hof. Ten vierde kan niet worden gezegd dat het hof geen moeite heeft gedaan om getuigen in hoger beroep opnieuw te horen. Het hof heeft het belang van het rechtstreeks horen en ondervragen van de getuigen juist onderkend. Bovendien heeft het hof zich in zijn arrest ervan bewust getoond dat de uitkomst van de zaak grotendeels afhangt van de wijze waarop men de belastende en ontlastende getuigenverklaringen waardeert en heeft het die waardering uitvoerig gemotiveerd. Anders dan in
Lorefice/Italiëblijft in de onderhavige zaak de vraag niet open op welke gronden het hof tot een andere waardering dan de eerdere feitelijke instantie(s) komt of waarom het niet hecht aan het horen van cruciale getuigen. Van een schending van art. 6 EVRM Pro is in de onderhavige zaak mijns inziens geen sprake.
Bewezenverklaring
burgersvrouwen hebben verkracht en/of bezittingen hebben geplunderd.
het hof: jaren 1980-1990). Op een gegeven moment is verdachte benaderd om [A] in Monrovia te beheren. Hij heeft toen een twintigjarig huurcontract afgesloten. Verdachte runde tevens een BMW garage en een kleine luchtvaartmaatschappij in Liberia en had vanaf 1986 zijn eerste houtkap bedrijf, [B] . Verdachte heeft verklaard dat hij rond 1990 moest stoppen met deze activiteiten vanwege het uitbreken van de eerste burgeroorlog. Hij is toen naar Sierra Leone gevlucht. De wijze van optreden van Charles Taylor en de gruwelijkheden van de eerste burgeroorlog kunnen hem derhalve niet zijn ontgaan.
het hof: zoals Liberia) anders wordt gevoerd dan in Europa en dat anders tegen een mensenleven wordt aangekeken. Dat de verschillende stammen verschillende manieren hadden om om te gaan met de overwonnen tegenstander. Verdachte gaf als voorbeeld de Crown waarbij het voorkwam dat de overwinnaar het hart van de overwonnene uitsneed en dit hierna opat. Dit zou de overwinnaar extra kracht geven. [154]
het hof: de met de Antarctic Mariner geïmporteerde wapens)plunderingen zijn uitgevoerd, mensen zijn vermoord en dergelijke, heeft verdachte verklaard dat ze dat daar (
het hof: in Liberia) allemaal doen volgens de verhalen. [156]
“we zijn het er allemaal mee eens dat de manier waarop er oorlog wordt gevoerd in deze landen heel erg gruwelijk is en dat er dingen gebeurden die nooit hadden mogen plaats vinden".Toen de rechter-commissaris aan verdachte heeft gevraagd wat daarmee wordt bedoeld, heeft hij geantwoord:
“Ik heb het dan over het oorlogvoeren in Afrika. Dat is een manier van oorlog voeren die niet zou mogen gebeuren.” [159]
“Het is algemeen bekend hoe men in Afrika vecht, dat er over en weer wreedheden worden begaan. Het zal geen oorlog volgens de conventie van Génève zijn geweest.” [160]
Het hof gaat er daarbij vanuit dat ook de verdachte, in weerwil van het door hem omtrent zijn kennis daarover verklaarde, bekend was met het - ook toen alom bekende - gewelddadige karakter van (de gewapende strijders van) het toenmalige regime van Charles Taylor.
dertigste middelkomt met diverse klachten op tegen (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verlening van amnestie aan de verdachte in Liberia niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte in Nederland.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Liberiaanse amnestieregeling
“act to grant immunity from both civil and criminal proceedings against all persons within the jurisdiction of the republic of Liberia from acts and crimes committed during the civil war from December 1989 to August 2003”d.d. 7 augustus 2003 (hierna: de Liberiaanse amnestieregeling) van kracht is. Nu deze amnestieregeling direct van toepassing is op de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd, mocht verdachte niet (verder) worden vervolgd door het openbaar ministerie, althans vloeit dit volgens de raadsvrouw voort uit het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en/of het ontbreken van rechtsmacht.
“affidavit of attestation”d.d. 14 februari 2017 gevoegd. Uit deze stukken blijkt dat de Liberiaanse amnestieregeling op 7 augustus 2003 is goedgekeurd door de toenmalige president van Liberia en op 8 augustus 2003 is gepubliceerd door het Liberiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken. De affidavit is bijgevoegd om aan te tonen dat de Liberiaanse amnestieregeling een geldige regeling is naar Liberiaans recht en dat die later niet formeel is ingetrokken.
Functions and Powers), onder g is bepaald dat:
provided thatamnestyor exonerationshall not apply to violations of international humanitarian law and crimes against humanity in conformity with international laws and standards.”(onderstreping hiervoor telkens aangebracht door het hof)
Human Rights violations” en “
Violations of International Humanitarian law”.
general amnesty”.
Charles Taylor, de toenmalige president van Liberia op één van de laatste dagen van zijn presidentschap. Op 11 augustus 2003, zijnde vier dagen na zijn goedkeuring, heeft Taylor immers de macht overgedragen aan toenmalig vicepresident Moses Blah en heeft/is hij Liberia verlaten/ontvlucht;
‘dissenting opinion’op die uitspraak [167] door een commissielid van de TRC de Liberiaanse amnestieregeling expliciet wordt genoemd, dat er een discussie was (of is) over de reikwijdte van de bevoegdheden van de TRC en dat twee commissieleden het TRC-rapport d.d. 30 juni 2009 niet hebben ondertekend doen, wat ook van zij van de inhoud van de stellingen, niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen.
Een dergelijke amnestieregeling mist derhalve toepassing.
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ten aanzien van de feiten 4 en 5 (overtreding van de Sanctieregelingen Liberia 2001 en 2002, hierna: de sanctiewet overtredingen) die in Liberia zouden zijn gepleegd, omdat de rechtsmacht om die feiten te vervolgen ontbreekt. Immers, artikel 5 juncto Pro 7 van het Wetboek van Strafrecht vereist daarvoor een dubbele strafbaarheid. Omdat de ten laste gelegde overtredingen van de Sanctiewet 1977 tevens vallen onder de Liberiaanse amnestieregeling, wordt aan deze eis niet voldaan, aldus de raadsvrouw.
zonder meeronder alle omstandigheden aan amnestieverlening voorbij kan gaan. Aan de andere kant is echter de opvatting breed gedragen dat niet voor alle amnestieregelingen een rechtvaardiging te geven valt. Zelf-amnestie van een regime dat zich kort voor de omwenteling wenst te bevrijden van toekomstige strafvervolging, laat zich bijvoorbeeld moeilijk vergoelijken. Het hof lijkt in de onderhavige zaak deze laatste gedachte te verwoorden waar het expliciet vaststelt dat de in het middel bedoelde amnestieregeling niet tot stand is gekomen in het kader van een vredesproces, maar is opgesteld door de toenmalige regering van Charles Taylor, onder wiens bewind de feiten zich hebben voorgedaan, en wel kort voor zijn min of meer gedwongen vertrek uit Liberia.
Cassesse’s international criminal lawbijvoorbeeld
:
opinio iurisin the international community that international crimes should be punished, could be conceptualized as follows. Subject to what has been said above with regard to terrorism and what is stated below with regard to genocide and crimes against humanity, there is not yet any general obligation for states to refrain from enacting amnesty laws on these crimes. Consequently, if a state passes any such law, it does not breach a customary rule. Nonetheless, if the courts of another state having in custody persons accused of international crimes decide to prosecute them, although in their national state they would benefit from an amnesty law, such courts would not act contrary to general international law, in particular to the principle of respect for the sovereign prerogatives of other states.” [205]
Ould Dah/Frankrijkwil ik evenwel in het bijzonder uitlichten, omdat het daarin evenals in de onderhavige zaak ging om de vervolging in een Partijstaat bij het EVRM van een verdachte die in het land waarin de feiten waren gepleegd onder een amnestieregeling viel. De klager was in casu officier in het leger van Mauritanië geweest en was wegens in die functie aan tortuur geleverde bijdragen veroordeeld door de Franse strafrechter, die daarbij gebruik maakte van universele rechtsmacht. Ould Dah werd in Frankrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, alhoewel hij in eigen land viel onder het bereik van een in 1993 aangenomen amnestiewet. In Straatsburg klaagde hij over schending van art. 7 EVRM Pro en stelde hij zich op het standpunt dat hem in Frankrijk een beroep op de hem in Mauritanië verleende amnestie toekwam. Het Europees Hof zag dit anders. Daartoe achtte het ten eerste redengevend dat tortuur niet onbestraft dient te blijven en internationale verplichtingen tot vervolging en bestraffing bestaan voor dat misdrijf. In de daaropvolgende overweging staat het Europees Hof stil bij de extraterritoriale werking van amnestie: