In deze zaak stond de vraag centraal of het hof ten onrechte een te lage matiging van de betalingsverplichting had toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingsprocedure. De betrokkene werd door het hof veroordeeld tot betaling van een bedrag van €111.029,41, na een matiging van €5.000 op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van €116.029,41.
De betrokkene had in hoger beroep een klacht ingediend over de overschrijding van de redelijke termijn, die ruim twee jaar bedroeg. De advocaat-generaal stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de matiging beperkt bleef tot €5.000, terwijl de overschrijding fors was. Het hof had zich gebaseerd op een overzichtsarrest van de Hoge Raad uit 2008, waarin een maximale vermindering van €5.000 wordt genoemd bij een overschrijding tot twaalf maanden, en bij langere overschrijding naar bevind van zaken wordt gehandeld.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over de redelijke termijn slechts beperkt kan worden getoetst en dat het hof een ruime beoordelingsmarge heeft. Verder bleek uit het proces dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep geen expliciet verweer over overschrijding van de redelijke termijn was gevoerd. Daarom was het oordeel van het hof begrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het cassatieberoep werd verworpen.
Deze uitspraak bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot een mogelijke matiging van het ontnemingsbedrag, waarbij de rechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Tevens benadrukt de Hoge Raad het belang van het voeren van een expliciet verweer over overschrijding tijdens de procedure om een grondige toetsing mogelijk te maken.