Conclusie
DOC Kaas)
melkveehouders)
melkveehouders groep A)
melkveehouders groep B)
melkveehouder groep C)
1.Feiten
arrest). [1]
Statuten).
Doel
DMK). Op de algemene ledenvergadering van 21 mei 2015 hebben de leden van DOC Kaas voor de fusie met DMK gestemd.
DMK GmbH) per 4 april 2016, door middel van de overdracht van de aandelen in genoemde B.V.’s door DOC Kaas aan DMK GmbH. [2] DOC Kaas verkreeg daarvoor 10% van de aandelen in DMK GmbH, alsmede een transactiesom van € 20 miljoen, te betalen aan de leden van DOC Kaas (hierna: de
transactiesom).
HR) vastgesteld, dat op 1 januari 2016 in werking is getreden. In dat HR is een nieuw art. 11 toegevoegd Pro, waarin de uitkering van de transactiesom - voor zover van belang - is geregeld:
Artikel 11
2.Procesverloop
In eerste aanleg
sub Avermelde bedrag telkens ziet op het aan de betreffende melkveehouder toekomende melkgeld waarvan de omvang gelijk is aan de door DOC Kaas met het melkgeld verrekende uittredingsvergoeding op de voet van art. 13 Statuten Pro;
sub Bvermelde bedrag telkens ziet op het melkgeld waarvan de omvang gelijk is aan de door DOC Kaas met het melkgeld verrekende, in april/juni 2016 uitgekeerde deel van de transactiesom; [4]
sub Cvermelde bedrag telkens ziet op het prijsverschil van de in december 2016 door elke melkveehouder afzonderlijk geleverde hoeveelheid kilogram melk waarvan de omvang gelijk is aan € 0,01 per kilogram, te vermeerderen met btw;
sub Dvermelde bedrag telkens ziet op de buitengerechtelijke kosten;
eerste tussenvonnis) heeft de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de
rechtbank) een aantal eindbeslissingen genomen in het lichaam van dit vonnis, waaronder afwijzing van de vorderingen sub A en toewijzing van de vorderingen sub C. Ook heeft de rechtbank in dit vonnis DOC Kaas toegelaten tot bewijs en haar voor zover nodig opgedragen te bewijzen dat het de melkveehouders voorafgaand aan, dan wel uiterlijk ten tijde van, het nemen van het fusiebesluit op 21 mei 2015 bekend was dat de transactiesom zou worden uitgekeerd onder de voorwaarde dat men lid bleef van DOC Kaas.
tweede tussenvonnis). In het lichaam van dit vonnis heeft de rechtbank een aantal eindbeslissingen genomen, waaronder toewijzing van de vorderingen sub B. Ook heeft de rechtbank in dit vonnis beslist dat DOC Kaas zal worden veroordeeld in de proceskosten. De beslissing ten aanzien van de begroting daarvan is aangehouden voor uitlating bij akte door de melkveehouders, op welke akte DOC Kaas mag reageren.
eindvonnis) heeft de rechtbank DOC Kaas veroordeeld tot betaling aan iedere individuele eiser van het sub B en sub C door die individuele eiser gevorderde, inclusief de aldaar gevorderde wettelijke rente, [10] met veroordeling van DOC Kaas in de proceskosten en de nakosten.
hof) een mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer bepaald. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juni 2022, waarbij DOC Kaas en de melkveehouders gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Geldigheid terugbetalingsverplichting7.9 De melkveehouders hebben aan hun vordering op DOC Kaas tot uitbetaling van hun melkgeld onder meer ten grondslag gelegd dat de verrekening daarvan met de DOC Kaas teruggevorderde transactiesom niet is toegestaan. De daarvoor door DOC Kaas gebruikte grondslag van artikel 11 lid 4 van Pro het huishoudelijk reglement is volgens de melkveehouders niet geldig omdat die afwijkt van het 'hogere' fusiebesluit van 21 mei 2015 waaruit hun recht op de transactiesom volgt. De rechtbank is de melkveehouders - na bewijslevering - in hun betoog gevolgd. Aan een bespreking van de andere door de melkveehouders gegeven (alternatieve) redenen waarom die verrekening niet is toegestaan, is de rechtbank dan ook niet toegekomen.
grieven 1 tot en met 6 in principaal hoger beroepkomen op tegen de door rechtbank gebruikte grond van strijdigheid met het fusiebesluit van 21 mei 2015 voor verwerping van het verrekeningsverweer van DOC Kaas. Die grieven kunnen ook bij gegrondbevinding daarvan niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen kunnen leiden, zo volgt uit het voorgaande. Deze grieven kunnen daarom verder onbesproken worden gelaten”.
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3.
subonderdeel 1.4.
subonderdeel 2.1.
subonderdeel 2.2.
subonderdeel 2.3.
onvoorwaardelijkeaanspraak op de aanblijfbonus zouden hebben verkregen door het fusiebesluit (zie ook onderdeel 5), en dat deze aanspraak vervolgens zou zijn ingeperkt door de voorwaarde in art. 11 lid 2 HR Pro. Niet valt in te zien dat hiervan sprake zou zijn, en/althans hetgeen het hof heeft vastgesteld in dit kader kan deze conclusie niet dragen. Genoemd oordeel is te meer onbegrijpelijk nu het hof ten onrechte niet (kenbaar) bepaalde - sub a-e genoemde - stellingen en grieven van DOC Kaas bij zijn oordeel heeft betrokken, dan wel (in zijn oordeel besloten ligt dat) het hof deze grieven (1, 3 en 4) heeft verworpen zonder dat inzichtelijk is waarom.
subonderdeel 3.1.
subonderdelen 3.2-3.3, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
onvoorwaardelijkeaanspraak op de transactiesom hebben verkregen door het fusiebesluit van 21 mei 2015. En dat deze onvoorwaardelijke aanspraak van de leden vervolgens is ingeperkt door de voorwaarde in art. 11 lid 2 HR Pro, welk huishoudelijk reglement dateert van 15 december 2015 en op 1 januari 2016 in werking is getreden.
onvoorwaardelijkeaanspraak op de transactiesom hebben verkregen door het fusiebesluit van 21 mei 2015, zoals bedoeld in de subonderdelen. [53] Zoiets staat ook nergens in rov. 7.14 (of elders in het arrest, waaronder rov. 7.15). [54]
uitwerkingvan het fusiebesluit”. Dat art. 11 HR Pro niet behelst “een wijziging van het fusiebesluit”, maar “een alleszins redelijke uitwerking van het fusiebesluit”. Dat “het voor iedereen duidelijk [was] dat het fusiebesluit zelf geen onvoorwaardelijke aanspraak inhield, maar dat de term ‘blijvend lid’ nog slechts een idee was, dat nog zou worden uitgewerkt”. Dat het aan de melkveehouders was “om te stellen dat het fusiebesluit, anders dan artikel 11 HR Pro, een onvoorwaardelijk recht op de transactiesom inhield”. En dat het ook aan de melkveehouders was hun stelling te bewijzen, “[g]elet op de gemotiveerde betwisting door DOC Kaas, namelijk dat voorafgaande aan het fusiebesluit bekend was dat de transactiesom alleen aan blijvende leden zou worden uitgekeerd”. [57]
Op vragen van het hof antwoorden partijen als volgt
subonderdeel 4.1.
subonderdeel 4.2.
Het verschil van één cent per kilo melk in december 2016
eerste rechtsklacht.
Althans, het hof miskent dat de omstandigheid dat het hebben van (definitieve) aanspraak op een eenmalige extra aanblijfbonus (die wordt uitgekeerd door een
opslagop de daadwerkelijke melkprijs), en niet het vertrek op zichzelf, maakt dat deze leden zich niet in gelijke omstandigheden bevinden als de vertrekkende leden die als gevolg van hun vertrek geen aanspraak (meer) hebben op de aanblijfbonus in de vorm van een opslag op de melkprijs. Dit is de
tweede rechtsklacht.
Bovendien miskent het hof dat de distributie van de aanblijfbonus onder de aanblijvende leden met aanspraak daarop via een opslag op de melkprijs, materieel gezien onderscheiden moet worden van verhoging van de melkprijs zelf, en op de bonusopslag niet de regeling van toepassing is die geldt voor bepaling van de daadwerkelijke melkprijs (die wél wordt gereguleerd in “artikel 32 van Pro de Statuten, het HR of de Leveringsvoorwaarden 2016”). Dit is de
derde rechtsklacht.
motiveringsklacht.
Bovendien, zo klaagt het subonderdeel verder, leidt het slagen van “de voorgaande middelonderdelen” ertoe dat ’s hofs oordelen niet in stand kunnen blijven nu uit het ontbreken bij vertrekkende leden van aanspraak op de aanblijfbonus volgt dat de betreffende leden zich niet in gelijke omstandigheden bevinden als aanblijvende leden met (definitieve) aanspraak op de aanblijfbonus. Dit is de
voortbouwklacht.
subonderdeel 6.1.
eerste rechtsklachtin het subonderdeel loopt reeds erop vast dat deze niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en sub d Rv. Onduidelijk blijft immers
waaromhet hof met rov. 7.17-7.20 van het arrest zou hebben miskend dat de in de klacht bedoelde situatie zich hier niet voordoet. [72]
tweede rechtsklachtin het subonderdeel loopt vast.
derde rechtsklachtin het subonderdeel boekt evenmin succes.
subonderdeel 6.2.
motiveringsklachtin het subonderdeel loopt vast.
zowel de ledenaan wie de extra één cent per kilo melk in december 2016 wel is toegekend (de leden van DOC Kaas die ook na 1 januari 2017 lid waren van de coöperatie),
als de ledenaan wie dit niet is toegekend (de leden van DOC Kaas die, doordat zij hun lidmaatschap hebben opgezegd, niet ook na 1 januari 2017 lid waren van de coöperatie, maar nog wel gedurende december 2016),
gehouden waren de door hen in december 2016 geproduceerde melk volledig en exclusief aan de coöperatie te leveren. Dát gold gelijkelijk voor ál die leden, die in december 2016 alle(n) lid waren van DOC Kaas. [79] Het verschil zit in de ongelijke vergoeding van die leden (betaald in 2017) voor de door hen gedurende hun lidmaatschap in december 2016 geproduceerde melk die zij volledig en exclusief aan DOC Kaas hebben geleverd, al naar gelang aan het lid toen wel of niet die extra één cent per kilo melk in december 2016 is toegekend. [80]
voortbouwklachtin het subonderdeel loopt vast. Deze veronderstelt immers dat “de voorgaande middelonderdelen” slagen. Wat niet het geval is. Zie onder 3.3-3.40.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Wettelijke rente
grief 8 in principaal hoger beroepvalt DOC Kaas de toewijzing van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW aan. Volgens haar gaat het geschil niet om de uitvoering van een handelsovereenkomst maar om betalingen die verband houden met het lidmaatschap, met name om verrekeningen van wat onverschuldigd is betaald. Om die reden moet worden aangesloten bij de reguliere wettelijke rente, aldus DOC Kaas.
eerste rechtsklacht.
Althans, het hof heeft miskend dat de wijze waarop een coöperatie en haar leden (althans DOC Kaas en de melkveehouders) in hun onderlinge bijzondere verhouding geleverde melk vergoeden, primair wordt gereguleerd in die lidmaatschapssfeer binnen de coöperatie. Wat zich in dit geval vertaalt in de omstandigheid dat de te leveren kwaliteit van de melk, de hoogte van de prijs en hoe hiervoor moet worden betaald, worden gereguleerd door de Statuten en het HR. En dat de 'Leveringsvoorwaarden 2016' en de leveringsovereenkomsten in dit verband slechts een beperkte aanvullende rol vervullen. Aldus is de wettelijke handelsrente hier niet van toepassing. Dit is de
tweede rechtsklacht.
nietkwalificeert als een handelsovereenkomst, het hof heeft miskend dat het dit zelfstandig c.q. ambtshalve moest beoordelen voordat het de gevorderde wettelijke handelsrente kon toewijzen. Dit is de
rechtsklacht.
Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel dat de leveringsovereenkomsten kwalificeren als handelsovereenkomst onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu niet valt in te zien hoe in de gegeven omstandigheden tot die conclusie zou kunnen worden gekomen. In het bijzonder ook omdat het hof zelf ook heeft onderkend dat de wijze van en de grondslagen waarop de melk met de melkveehouders wordt afgerekend, zijn gereguleerd in de Statuten, het HR en 'Leveringsvoorwaarden 2016' (zie rov. 7.18), en dat terugbetalingsverplichtingen aan de coöperatie voortvloeien uit het lidmaatschap (zie rov. 7.11). Dit is de
motiveringsklacht.
de factoniet gaat over de betaling van melkgeld, maar om de betaling van de aanblijfbonus al dan niet gedistribueerd in de vorm van de één cent opslag op de melkprijs. Dit is de
rechtsklacht.
Aangezien het hof in rov. 7.23 expliciet overweegt dat de aanblijfbonus is toegezegd in verband met de fusie, en dat deze als zodanig geen verband houdt met de uitvoering van een handelsovereenkomst, en in rov. 7.11 dat terugbetalingsverplichtingen aan de coöperatie voortvloeien uit het lidmaatschap, is 's hofs oordeel dat hierover geen wettelijke handelsrente is verschuldigd innerlijk tegenstrijdig althans onvoldoende begrijpelijk. Dit is de
eerste motiveringsklacht.Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is diens oordeel dat bij de vorderingen sub B en sub C sprake is van betalingen op grond van een handelsovereenkomst onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van het betoog van DOC Kaas dat het in deze zaak materieel gaat over de vraag of de aanblijfbonus, al dan niet in de vorm van de één cent opslag op de melkprijs, alsnog moet worden uitgekeerd. En dat het bij deze bedragen gaat om betalingen op grond van het lidmaatschap van de coöperatie, niet om de betaling voor geleverde melk. Dit is de
tweede motiveringsklacht.
subonderdeel 7.1.
eerste rechtsklachtin het subonderdeel loopt reeds erop vast dat deze niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en sub d Rv. Onduidelijk blijft immers
waaromhet hof in rov. 7.22 van het arrest zou hebben miskend waarop in het kader van art. 6:119a BW een ‘handelsovereenkomst’ en wettelijke handelsrente betrekking hebben. [87]
tweede rechtsklachtin het subonderdeel loopt vast.
handelsrente. De hoogte ervan is 8% plus de door de Europese Centrale Bank vastgestelde herfinancieringsrente (art. 6:120 lid 2 BW Pro). Deze is nu (8% + 4% =) 12% per jaar. Het dubbele dus van de vigerende ‘reguliere’ wettelijke rente.
HvJ EU). [94] Zoals A-G Hartlief onlangs constateerde, [95] heeft het HvJ EU in zijn recente rechtspraak meermaals overwogen dat de definitiebepaling van ‘handelstransactie’ “moet worden gelezen in het licht van de overwegingen 8 en 9 van deze richtlijn, waaruit blijkt dat deze van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties, met inbegrip van betalingen tussen particuliere ondernemingen, en met uitsluiting van transacties met consumenten en andere soorten betalingen”. Waaruit “volgt dat artikel 1, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/7, de werkingssfeer van deze richtlijn zeer ruim omschrijft”. [96]
subonderdeel 7.2.
subonderdeel 7.3.
rechtsklachtin het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Het hof komt immers in rov. 7.22 tot het oordeel dat over de bedragen van de daar bedoelde vorderingen sub B en sub C de - ook door de betreffende melkveehouders gevorderde - wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW van toepassing is, niet omdat DOC Kaas voor het tegendeel onvoldoende (gemotiveerd) heeft gesteld, maar omdat het hof zelf meent dat in de gegeven omstandigheden de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW ter zake inderdaad van toepassing is.
motiveringsklachtin het subonderdeel strandt in het voetspoor van subonderdelen 7.1-7.2. Zie onder 3.47-3.52.1 hiervoor. Overigens ziet de in rov. 7.11, voorlaatste en laatste zin van het arrest bedoelde (terug)betalingsverplichting op iets anders dan een door DOC Kaas niet betaald, maar wel te betalen bedrag aan melkgeld voor aan haar geleverde melk, waarop rov. 7.22 wel betrekking heeft. Te weten de uit het lidmaatschap voortvloeiende verbintenis van een lid van de coöperatie een van de coöperatie ontvangen bedrag terug te betalen als het lid diens lidmaatschap binnen een bepaalde termijn beëindigt, wat naar ’s hofs oordeel ook geldt voor een verplichting tot terugbetaling van een transactiesom als hier aan de orde. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 7.4.
rechtsklachtin het subonderdeel loopt vast.
eerste motiveringsklachtin het subonderdeel loopt vast.
tweede motiveringsklachtin het subonderdeel boekt evenmin succes. Deze strandt in het voetspoor van de voorgaande klachten in het onderdeel. Zie onder 3.47-3.58.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.