Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop in de zaak tegen de VD
Grief 1.
Grief II.
Grief III.
Grief IV.
Grief V.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
subonderdeel 1.2voert de VD aan dat het hof in het eindarrest de devolutieve werking van het hoger beroep miskent door, nadat het in het eindarrest enkele grieven gegrond verklaart, niets te zeggen over het door de VD in eerste aanleg gevoerde verweer. [16] Dit verweer komt erop neer dat [verweerder], [17] nu hij het VD-lidmaatschap heeft opgezegd, “dus geen lid (meer) [is]” van de VD en “dus ook niet (meer) [behoort] tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van” de VD zijn betrokken, met als gevolg dat [verweerder] “ook geen beroep kan doen op artikel 2:8 BW Pro en in het verlengde daarvan op artikel 2:15 lid 1 sub b BW Pro”. [18] Gelet op de verbinding die met het subonderdeel en het daarin genoemde verweer wordt gelegd in subonderdeel 1.6 (eerste twee zinnen), versta ik het subonderdeel aldus dat de VD uitgaat van [verweerder]’ ex-VD lidmaatschap ten tijde van het wijzigingsbesluit VD. [19] Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Nr. 1.5 van het middel mist in zoverre relevantie. Daartoe wijs ik op het volgende.
subonderdeel 1.6voert de VD aan dat het in subonderdeel 1.2 bedoelde verweer zijdens de VD, mede in het licht van de werkingssfeer van art. 2:8 BW Pro, “terecht” is voorgesteld, omdat het feit dat [verweerder] geen lid meer was van de VD ten tijde van het wijzigingsbesluit VD in de weg staat aan toepassing van art. 2:8 BW Pro. Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Daartoe wijs ik op het volgende.
allein aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid tegen elkaar heeft afgewogen” [78] conform art. 2:8 lid 1 BW Pro, wat bijvoorbeeld kan zien op de belangen van een individueel lid of een individuele aandeelhouder en de inhoud van een besluit, te onderscheiden van de totstandkoming ervan. Hetzelfde geldt logischerwijs voor andere personen dan leden of aandeelhouders die, in de omstandigheden van het geval, onder het bereik van art. 2:8 BW Pro vallen.
erga omneswerking als aan art. 2:16 lid 1 BW Pro is voldaan), bestaat het rechtsgevolg van een succesvol beroep op art. 2:8 lid 2 BW Pro eruit dat een geldende regel (bijvoorbeeld krachtens een genomen besluit van een orgaan van de rechtspersoon) alleen in het concrete geval niet wordt toegepast. De maatstaf van art. 2:15 lid 1 sub b BW Pro bestrijkt toetsing aan naleving van de in art. 2:8 lid 1 BW Pro neergelegde regel, dus de eis dat met het desbetreffende besluit van (het orgaan van) de rechtspersoon de betrokkenen, niet in de laatste plaats de rechtspersoon, in de relevante verhoudingen handelen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en zich in die zin van hun ‘zorgvuldigheidsplicht’ kwijten. De voornoemde terughoudendheid die van de rechter wordt gevraagd, en die toepassing vindt bij de beoordeling of de in art. 2:8 lid 1 BW Pro neergelegde regel in het voorliggende geval is nageleefd bij het afwegen door (het desbetreffende orgaan van) de rechtspersoon van de betrokken belangen, is van een andere orde dan de terughoudendheid die in het algemeen is vereist bij de toepassing van art. 2:8 lid 2 BW Pro als zodanig en maakt niet dat langs die weg de drempel van art. 2:15 lid 1 sub b BW Pro integraal wordt opgetrokken tot een niveau vergelijkbaar met dat strenge criterium van art. 2:8 lid 2 BW Pro. Dit laat uiteraard onverlet dat een besluit ook vernietigbaar is op de voet van art. 2:15 lid 1 sub b BW Pro bij zodanige strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW Pro wordt geëist dat deze (zelfs) correspondeert met een streng criterium als dat van art. 2:8 lid 2 BW Pro. [83]
subonderdeel 2.b.Daarin voert de VD aan dat het hof met rov. 2.10 van het eindarrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn beslissing ontoereikend motiveert, door daarmee iets toe te wijzen “dat rechtens niet tot de mogelijkheid behoort”. Dit baseert de VD blijkens het vervolg van nr. 2.2.1 daarop dat art. 2:8 lid 1 BW Pro (mede gelezen in verband met art. 2:15 lid 1 sub b BW Pro) geen normstelling bevat waarop een individueel lid van een vereniging een beroep kan doen vanwege persoonlijke bezwaren tegen een door de vereniging genomen besluit; slechts art. 2:8 lid 2 BW Pro maakt het mogelijk dat zo’n lid kan bewerkstelligen dat zo’n besluit voor dat lid buiten toepassing blijft. Dit miskent het hof door het wijzigingsbesluit VD te vernietigen enkel op basis van persoonlijke bezwaren zijdens [verweerder], te weten het ontbreken van een schadevergoeding. Het hof had, zo vervolgt nr. 2.2.2, [verweerder]’ vordering alsnog integraal moeten afwijzen, nu het in theorie niet verder kon gaan dan het wijzigingsbesluit VD ten aanzien van [verweerder] buiten werking te verklaren. Het subonderdeel biedt de VD geen soelaas, gelet op het volgende.
subonderdeel 2.c. Daarin voert de VD aan dat voor zover het hof art. 2:8 BW Pro terecht tot maatstaf maakt in zijn “beslissingen en eindarrest” het desondanks blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in zijn eindarrest ten aanzien van “de toepassing van de bedoelde rechtsregel”, omdat het hof een te beperkte maatstaf aan zijn beslissing ten grondslag legt (
nr. 2.3.1). Volgens
nrs. 2.3.2-2.3.3weegt het hof ten onrechte niet alle door partijen in het geding aangevoerde feiten en omstandigheden van het geval mee. De enige omstandigheid die het hof tot de conclusie laat komen dat sprake is van “onredelijkheid van het besluit” is het feit dat de VD aan [verweerder] ter zake geen schadevergoeding heeft aangeboden. Hoewel dit aspect hier kan worden meegewogen, is een beslissing op basis van “de globale toets ex art. 2:8 BW Pro voor wat betreft een gewone boek 2 vereniging” wezenlijk anders dan een beslissing op de voet van art. 5:140b lid 3 BW, welke bepaling een specifiek toetsingskader met beperkte redelijkheidstoepassing kent dat enkel is bedoeld voor splitsingsaktewijzigingen. In
nr. 2.3.4betoogt de VD [92] dat de in het kader van een beroep op art. 2:8 BW Pro aan te leggen toets “objectiverend van aard [is]” en dat ook dit aspect van art. 2:8 lid 1 BW Pro niet althans onvoldoende duidelijk naar voren komt in de overwegingen van het hof. Om die reden geeft het eindarrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is de motivering onvoldoende begrijpelijk. Het subonderdeel biedt de VD evenmin soelaas, gelet op het volgende.
subonderdeel 1.4voert de VD aan dat het hof in het eindarrest ten onrechte nalaat het door de VD in eerste aanleg gedane (en in hoger beroep herhaalde) bewijsaanbod te betrekken als vereist door de devolutieve werking van het hoger beroep.
subonderdeel 1.3voert de VD aan dat het hof in het eindarrest ten onrechte nalaat het door de VD in eerste aanleg gedane beroep op art. 3:53 lid 2 BW Pro te beoordelen als vereist door de devolutieve werking van het hoger beroep. Deze klacht is, als enige, terecht voorgesteld. Nr. 1.5 van het middel is in zoverre relevant. Daartoe wijs ik op het volgende.